CD-recensie

 

© Maarten Brandt, september 2016

 

Bach: Kerkcantates (compl.)

Hana Blažiková, Yukari Nonashita, Carolyn Sampson, Aki Yanagisawa, Midori Suzuki, Rachel Nicholls, Yumiku Kurisu, Monika Frimmer, Ingrid Schmithüsen, Miah Persson, Yoshie Hida en Dorothee Mields (sopraan), Robin Blaze, Damien Guillon, Kai Wessel, Daniel Taylor, Timothy Kenworthy-Brown, Pascal Bertin, Yoshikazu Mera en Matthew White (Counter-tenor), Akira Tachikawa, Mitsumi Hatano en Kirsten Sollek-Avella (alt), Koki Katano, Jan Kobow, Makoto Sakurada, Satoshi Mizukoshi, Christoph Genz, Andreas Weller, James Gilchrist en Gerd Türk (tenor), Jochen Kupfer (bariton), Stephen MacLeod, Chiyuki Urano, Peter Kooij, Dominik Wörner en Stephan Schreckenberger (bas), Concerto Palatino (koper-ensemble) en koor en orkest van Bach Collegium Japan o.l.v. Maasaki Suzuki.

Opname: juni 1995 - februari 2013, Kobe Shoin Womens University Chapel, Japan; St. Crucius Kirche, Erfurt (D) (BWV 170)

BIS-SACD-9055 • 63.12' • (55 sacd's)

Klik hier voor het compl. overzicht

 

De toonkunst die wij terecht alom en ten diepste bewonderen is niet zelden de gebruiksmuziek van weleer. Muziek kortom, die binnen het kader van de liturgie diende te functioneren en die daarom ondergeschikt was aan het hoofddoel daarvan, namelijk het zo direct mogelijk overbrengen van de godsdienstige boodschap ten overstaan van de geloofsgemeenschap. Niet meer en niet minder. En dat laatste gaat evengoed op voor bijvoorbeeld de polyfone miscomposities uit de hoogtijdagen van de renaissance van Josquin Des Prez, Jacob Obrecht en Giovanni Pierluigi da Palestrina als de Maria-Vespers van Claudio Monteverdi uit de vroeg- en - last but not least - de talrijke cantates van Johann Sebastian Bach uit de hoog- en laatbarok.

In vergelijking met allerhande complete Mahler- en zelfs Bruckner-cycli is het aantal integrale uitgaves van Bachs onvolprezen cantates nog net op één hand te tellen. Na Nikolaus Harnoncourts en deels in samenwerking met Gustav Leonhardt gerealiseerde pionierende primeur (Teldec), volgde Rilling (Hännsler) met zijn in de moderne stemming vastgelegde reeks. Inmiddels beschikken we ook over integrale verzamelingen onder respectievelijk Ton Koopman (Marchand) en John-Eliot Gardiner (laatstgenoemde nam overigens voorafgaand aan zijn voor zijn eigen label Soli Dei Gloria vastgelegde complete cyclus al de nodige cantates voor DG op). En nu is er dan de bijna volledige registratie van Bachs cantatewerk voor het prestigieuze BIS-label onder supervisie van de Japanse Bach-scholar (en oud student van Koopman!) 'par excellence': Maasaki Suzuki. Bijna, want hij is nog onderweg met de wereldlijke cantates, waarmee hij trouwens al behoorlijk ver is gevorderd. Maar de kerkcantates zijn nu van begin tot eind beschikbaar. Nadat de 55 afleveringen van dit reusachtige project afzonderlijk en over een tijdspanne van maar liefst 18 jaar verschenen, zagen diverse cd-boxen ervan het licht. Het unieke van bovenstaande uitgave schuilt in het feit dat deze niet alleen al die 55 cd's bevat, maar bovendien dat de oudere opnames ook naar het superaudio-format zijn getransformeerd, wat bij de eerder verschenen verzamel-edities niet het geval was. Zij die - net als ondergetekende - de verleiding hebben weten te weerstaan te bezwijken voor de aanschaf van bovengenoemde eerdere uitgaves, vallen met deze riante doos, zijnde niet minder dan 'a life time achievement', helemaal met hun neus in de boter. En wat voor boter!

Maatstaf
Want zoveel is zeker, Suzuki stelt met zijn cantate-project een zodanige maatstaf dat er heel wat zal moeten gebeuren wil dit resultaat ook zelfs maar bij benadering worden geëvenaard. Hij steekt iedereen naar de kroon, zijn leermeester Koopman zelfs niet uitgezonderd. Hiermee wil overigens niet worden beweerd dat Suzuki's voorgangers onverdienstelijk waren en dat hun opnames niet hun merites hebben. Vanzelfsprekend is de uitkomst van wat Suzuki en zijn zowel artistieke als technische team hier voor elkaar hebben gekregen niet los te denken van ontwikkelingen uit het verleden. Die spelen zeker een rol, maar tegelijkertijd weet deze grandioze musicus een zodanig eigen snaar in deze muziek te raken, dat hier sprake is van een geheel dat aanzienlijk meer is dan de optelsom van de delen. Misschien is het een merkwaardige vergelijking, maar na deze cantate-Odyssee uit Japan te hebben ondergaan, kostte het mij net zoveel moeite naar andere Bach-interpreten te luisteren als het mij zwaar viel na Celibidache's Bruckner-herscheppingen open te staan voor toch niet geringe goden op dit gebied als Karajan, Jochum en Haitink.

Revolutie
Het is fascinerend te ervaren hoeveel er is gebeurd sinds Harnoncourt en de zijnen op hun onvervreemdbaar eigen wijze het stof van Bachs partituren probeerden af te halen. Wat toen de uitwerking van een revolutie had, komt nu haast gedateerd over. Waarom? Omdat die revolutie voor een niet onaanzienlijk deel cosmetisch van aard was. Het gebruik van knapenstemmen werd - ook en niet in de laatste plaats door Leonhardt - belangrijker geacht dan de zuiverheid van de intonatie die niet zelden zeer voor kritiek vatbaar was. En wat toen wellicht voor helderheid en transparantie doorging, klinkt ons nu dikwijls heel kaal en ielig in de oren, nog afgezien van het feit dat het continuo veelal de sluitpost vormde en het, mede daardoor, nogal eens jammerlijk ontbrak aan een vanuit harmonisch perspectief gestalte krijgende kleuring. En uitgerekend dat laatste is in hoge mate karakteristiek voor de vocaal-instrumentale barokmuziek in het algemeen en die van Bach in het bijzonder. Sommige cantates nam Harnoncourt jaren na zijn eerste reeks nogmaals op, zoals bijvoorbeeld Wachet auf, ruft uns die Stimme BWV 140, waarbij in het tweede geval weer vrouwenstemmen werden toegestaan, maar het totaal - met uitzondering van de barokstemming - heel traditioneel om niet te zeggen bijkans oratoriumachtig overkomt en de verschillen met Rilling en andere meer traditioneel georiënteerde vertolkers minder groot is dan zo op het eerste gezicht lijkt. Het kan verkeren!

Innerlijke ontdekkingsreis
Met betrekking tot Gardiners voor Soli Deo Gloria opgetekende cantate-project wordt van een pelgrimage gesproken. Welnu, een pelgrimage in de spiritueelst denkbare zin van dit begrip was voor mij het ondergaan van Suzuki's Bach-revelaties. Een innerlijke ontdekkingsreis met onvermoede vergezichten en perspectieven, die - althans voor mij - het beluisteren van deze cantates tot een evenement maakte dat, overdrachtelijk gesproken, op een lijn kan worden gesteld met het ontdekken van nieuwe werelddelen. Werelden van verschil zijn er ook tussen Koopmans en Suzuki's benadering van de materie: geen moment krijgt men de in druk dat laatstgenoemde zijn leraar ook maar één milliseconde imiteert, want qua klankgemiddelde zijn beiden vele lichtjaren van elkaar verwijderd. En dat geldt niet minder voor Gardiner die, anders dan zowel Koopman als zijn fenomenale discipel, soms voor extreme tempi kiest, zowel zeer langzame als dito snelle. Suzuki's tempi zijn op geen enkele manier overdreven maar werken over de gehele linie volstrekt natuurlijk, met als gevolg de ondubbelzinnige impressie van een "zo en niet anders." Onverschillig welk manierisme, ook in accentueringen van ritmische aard en voordracht (getuige de eerste vastlegging onder Harnoncourt cum suis), is hem totaal vreemd.

Spirituele kern
Als het om consistentie in opvattingen gaat is Koopman in feite de enige die voor een vergelijking met Suzuki in aanmerking komt, hoe hemelsbreed hun visies ook uiteenlopen. Eerstgenoemde koestert een barok-bourgondische benadering en paart een grote dosis warmte aan een ronde en gulden sonoriteit. Een sonoriteit die duidelijk op versmelting is ingesteld. Op de lange duur dreigt daardoor soms een effect te ontstaan dat enigszins naar het gelikte neigt. Maar anders dan Gardiner en zeker Harnoncourt krijgt de kleurwerking van het continuo bij Koopman het volle pond. Hoe fraai ook, Suzuki is - met alle respect voor Gardiner en Koopman - van een totaal andere orde. Alle noten komen onder deze Japanner met een ongereptheid tot klinken alsof de muziek op het moment waarop zij klinkt letterlijk wordt herschapen, dus zonder dat op deze of gene traditie wordt teruggegrepen, behalve dan een traditie die - om Boulez te parafraseren - is ontdaan van het historische verleden. Natuurlijk heeft Suzuki, en dat komt in dit verband wellicht wat paradoxaal over, alle historiserende inzichten nauwgezet onder de loep genomen en geabsorbeerd, maar als geen ander tot op heden voor hem is hij in staat gebleken deze zodanig ondergeschikt te verklaren aan de spirituele kern van Bach unieke en voor altijd actueel-moderne toonkunst, dat de dimensie van het eeuwige mysterie op een wijze wordt geraakt waartegen alle woorden (en dus ook alle theorieën) verstommen. De Bach van Suzuki komt uit de luidsprekers als of deze bij wijze van spreken voor het eerst klinkt, waarbij het zich bevinden in het landschap en het overzien daarvan vanuit het vogelperspectief in optimaal evenwicht verkeren. De toon van Suzuki's musiceren is daarmee volledig in overeenstemming: puur, ongekunsteld, recht uit het hart, wars van opsmuk en op en top gespeend van om het even welke mooidoenerij. De diepte en integriteit van de spiritualiteit maakt dat men Suzuki zou kunnen bestempelen als een soort Furtwängler, Wand of Celibidache onder de barokspecialisten.

Hypnotiserende uitwerking
Tel daarbij op dat Suzuki over vrijwel alle grote vocale coryfeeën op het gebied van deze muziek kon beschikken, niet alleen internationaal, maar ook uit eigen land. Want wat de Japanners hier aan dictie, uitspraak en voordracht aan de dag leggen, doet doorgaans weinig tot niets onder voor wat zangers/zangeressen van elders laten horen. Natuurlijk zijn er die er - gezien hun opvallend grote aandeel - uitspringen, zoals Peter Kooij (Hij neemt het leeuwendeel van de basrecitatieven en aria's voor zijn rekening!), Gerd Türk, Robin Blaze, Yoshikazu Mera Carolyn Sampson, Hana Blažiková en Yukari Nonashita. Deze en al degenen die hier ongenoemd moeten blijven leggen een enorm teamwork aan de dag. Een verhaal apart is het koor, dat met een clarté en présence opereert, waarbij al Suzuki's voorgangers geducht het nakijken hebben. Het gevolg is dat de talrijke polyfone hoogstandjes tijdens menig - en dikwijls extreem gelaagd - beginkoor moeiteloos zijn te volgen. En dit geldt onverminderd voor de vele schitterende instrumentale details, want de leden van het Bach Collegium zijn stuk voor stuk van niet minder dan het hoogste solistische niveau met als uitkomst dat Bachs ideaal van eenheid in verscheidenheid in optima forma tot haar recht komt.

Uiteraard bevat deze integrale de beide versie van Ich habe genung, BWV 82 - dus zowel die voor Bas in c als die voor sopraan in e - alsmede die van Ich hatte viel Bekümmernis, BWV 21 in de versies uit achtereenvolgens 1720 (met de alternatieve delen van die editie) en 1723. En, net als Gardiner telt ook Suzuki's verzameling de in 2005 door Michael Maul ontdekte sopraanaria Alles mit Gott und nichts ohn'Ihn, BWV 1127. Gardiner beperkt zich echter tot de eerste drie coupletten, terwijl Suzuki het geheel in zijn integrale vorm (12 coupletten en goed voor bijna 50 minuten muziek!) presenteert, in een sublieme vertolking door Carolyn Sampson. Het ondergaan hiervan laat zich moeilijk in woorden beschrijven, maar als ergens de muziek van Bach een hypnotiserende uitwerking op de luisteraar sorteert halverwege Morton Feldman en Simeon ten Holt, dan zonder twijfel dit werk in deze uitmuntende verklanking.

Wonderen
Deze eenmalige en in een fraaie doos gestoken editie - waarvan de speciale intekenprijs helaas niet meer geldig is, maar daarbij dient wel te worden bedacht dat voor de oorspronkelijke cd-uitgaven 22 à 23 euro moet worden neergeteld en dan is men voor om en nabij de 300 euro nog altijd zeer voordelig uit - bevat twee boekwerken. Te weten een met alle gezongen teksten en een met enkele korte beschouwingen over het project, de solisten alsmede de cantates, waaronder ook een aanbeveling en een korte beschrijving van dit unieke project door Suzuki zelf. Uiteraard ontbreekt een complete tracklisting niet, alsmede een lijst van de bij de registraties betrokken producers en klankregisseurs, die onder supervisie van Robert von Bahr van Bis Records ware wonderen hebben verricht. Ook is een rangschikking van de cantates volgens het liturgische jaar opgenomen. Wie echter verlegen zit om de uitvoeriger toelichtingen van de oorspronkelijke cd-uitgaves, vervoege zich bij website www.eclassical.com waar de erbij horende boekjes vol uiterst gedetailleerde informatie in pdf-formaat gratis kunnen worden gedownload. Wat een luxe!

Conclusie: Suzuki's cantate-project is dankzij het ongekend hoge artistieke niveau een hoogtepunt in de receptiegeschiedenis van Bachs toonkunst die hoe dan ook zonder precedent is.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links