CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2016

 

Bach: Johannes-Passion BWV 245
(versie 1724 + Appendix 1725)

Werner Güra (tenor - evangelist), Sunhae Im (sopraan), Benno Schachtner (altus), Sebastian Kohlhepp (tenor), Johannes Weisser (bas - Christuspartij en aria's), Rias Kammerchor Berlin, jongenssopranen van het Staats- und Domchor Berlin, Akademie für Alte Musik o.l.v. René Jacobs

Harmonia Mundi HMC 802236.37 2.15' (2 sacd's + dvd)

Opname: juli 2015, Teldex Studio, Berlijn

www.harmoniamundi.com

   

Wie naar deze - ik val maar meteen met de deur in huis - werkelijk in alle opzichten zowel superieur vertolkte als dito vastgelegde nieuwe opname van bovenstaande Johannes-Passion onder leiding van René Jacobs luistert, kan niet anders dan zich nog meer dan ooit tevoren verbazen over de argumenten van de voorstanders van een puur solistische bezetting van Bachs koorwerken. Een bezetting waarbij dus elke stemligging van slechts een solist is voorzien. De wijze waarop Joshua Rifkin en de in zijn kielzog opererende figuren - zoals Andrew Parrott en (om een recenter voorbeeld te noemen) Sigiswald Kuyken - hun stelling te vuur en te zwaard verdedigen, heeft nog het meest weg van het louter spreken in termen van het doek en de verf zonder zich te bekommeren om de muzikale en dramaturgische bedoelingen van een werk. Dit nog afgezien van het feit dat één ding zo vast staat als een huis en dat is dat Bach zijn grootschalige vocale composities bij voorkeur tot leven wilde wekken met minstens drie en liefst meer - maar dat was natuurlijk eerder een kwestie van luxe - vocalisten per stemligging. Betekent dit nu dat Jacobs zich niet in de historische bronnen heeft verdiept? Helemaal niet, want het tegendeel is waar. Maar na al het wikken en wegen gaat hij - gelukkig - zijn eigen gang, zonder zich te laten knechten door om het even welke eenzijdige en laat staan: dogmatische theorie.

Uitgangspunten
Alvorens te gaan luisteren naar deze sensationele lezing van Bachs bonte en vervoerende toonzetting van het lijdensverhaal volgens Johannes, verdient het dan ook dringend aanbeveling het begeleidende boekje te lezen en speciaal de verantwoording die Jacobs zelf daarin aflegt betreffende de uitgangspunten voor zijn op deze prachtig klinkende superaudio-cd's opgetekende uitvoering. En hij begint dan met de vaststelling dat het begrip 'koor' in Bachs tijd voor velerlei uitleg vatbaar was en evengoed op een instrumentaal als een vocaal ensemble van variabele omvang kon slaan. Niet voor niets citeert Jacobs vervolgens uit de beroemde brief van 23 augustus 1730 waarin Bach de minimale eisen voor het zo verantwoord mogelijk ten gehore brengen van zijn voor de Thomaskirche te schrijven muziek trachtte te verduidelijken, de zogenaamde "Kurtzer; iedoch höchstnöthiger Entwurff einer wohlbestallten Kirchen Music". Daarin staat onder meer te lezen dat een vocaal koor uit minstens (cursivering van mij) 12 zangers diende te bestaan en verder uit vier 'Konzertisten' (zangers die waren belast met het solistische aandeel van het geheel) en acht Ripiniesten (stemmen die dienden ter extra versterking). Ook maakte Bach er geen geheim van dat hij, wat het hoofdkoor betrof, eigenlijk een omvang van 16 stemmen prefereerde. En dan formuleert Jacobs een belangijke vraag waarmee de haviken uit het Rifkin-kamp zich niet of ternauwernood hebben beziggehouden: "Viel wichtiger als zu versuchen eine hypothetische zahlenmäßig "authentische" Chor- und Orchesterbesetzung zu rekonstruieren, ist es, darüber nachzudenken was das Miteinander und Gegenüber von Konzertisten und Ripienisten in einem Vokalchor oder, anders ausgedrückt, das Mitsingen der Ariensänger im Chor, damals beabsichtigte und für die moderne Praxis bedeuten kann."

Vraag
Een buitengewoon boeiende en belangwekkende vraag die onmogelijk los kan worden gezien van de kwestie betreffende het komen tot een zodanig passende 'geografie' van de uitvoering dat de tekstuele, emotionele en muzikale lading en zeggingskracht van - in dit geval de Johannes-Passion - zo effectief mogelijk in klinkende munt kunnen worden omgesmeed. En dat in het bijzonder is de uitdaging die Jacobs bij zijn pionierende vastlegging van de Johannes is aangegaan, en waarmee hij een nieuwe maatstaf heeft gesteld. Met als resultaat dat het traditionele beeld inzake de complexe bezetting van de Matthäus en de 'eenvoudige' formatie van de Johannes - een koor plus vijf a zes solisten en hup: klaar is Kees - geducht aan het wankelen is gebracht. Want, zo maakt deze productie duidelijk, de Johannes is een minstens zo gelaagd werk als Bachs bekende en inmiddels te pas en vooral te onpas in de Lage Landen gecelebreerde passie.

Ruimte / meerdere tonelen
Welnu, het hoofdkoor is bij Jacobs samengesteld uit vier 'Konzertisten' die zowel verantwoordelijk zijn voor de aria's als in het koor meezingen (in de hoedanigheid van 'concertmeester van het koor' als het ware) en 12 'Ripienisten'. Daarnaast zijn er ter versterking van de koralen 17 extra 'Ripienisten' ingeschakeld plus nog een aantal jongensstemmen teneinde aan het totaal extra glans te verlenen. Uit de bijgeleverde dvd, waarin Jacobs uitvoerig ingaat op de 'ins' en 'outs' van zijn vertolking, blijkt dat de diverse zangers rond de dirigent zijn opgesteld, en waarbij die opstelling ook heeft geresulteerd in meerdere 'tonelen'. Met andere woorden, de ruimte is in de presentatie van deze Johannes met zoveel woorden 'ingebakken' en dient als een ideaal klankbord op basis waarvan het drama zich in die al hiervoor genoemde gelaagdheid in optima forma kan ontvouwen. In het episch centrum van deze uitgekiende opstelling bevindt zich de evangelist die is omgeven door een rijke schare aan continuospelers (luit, orgel, klavecimbel, gamba, cello en contrabas). Links van hem is het orkest gesitueerd, waarbij de houtblazers ter wille van de duidelijkheid vóór de strijkers zijn geplaatst, en ter rechterzijde het koor, waaruit de solisten telkens voor hun aandeel naar voren treden, behalve de evangelist, die als enige geen deel uitmaakt van het koor. Het grotere koor, dat onder meer is belast met het ten gehore brengen van de koralen is achter deze formatie opgesteld, met de jongensstemmen op hun beurt achter de dirigent. Met andere woorden, het gebeuren wordt vanuit het centrum door laatstgenoemde aangevuurd, met als uitkomst dat de muziek uit alle richtingen op hem afkomt. In een conventionele concertzaal ervaart het aanwezige publiek dat vanzelfsprekend anders, maar dankzij deze opname verkeert de luisteraar thuis - evenals bij Jacobs' fenomenale Matthäus-registratie (klik hier voor de bespreking) - in het voordeel ten opzichte van de concertbezoeker door zich haast op de dirigentenbok wanen. Een effect dat uiteraard nog sterker overkomt indien deze opname in de surround-modus wordt beluisterd. Dan bevindt men zich inderdaad auditief letterlijk in het epicentrum van het dramatische gebeuren. Een imposant voorbeeld daarvan is "Eilt, ihr angefocht'nen Seelen" voor bariton en koor, waarbij het "Wohin?" de luisteraar van achteren bereikt. Of "Mein teurer Heiland" voor dezelfde bezetting en waarbij de koraalmelodie ons echt als komende vanuit een andere wereld bereikt. Een bijkomend voordeel van dit alles - maar dat geldt evengoed voor de normale stereoweergave - is bovendien dat de verstaanbaarheid van de tekst (Jacobs: "Die Johannes-Passion ist nicht nur ein grandioses Tonkunst- sondern auch ein vielschichtiges Wortkunstwerk.") een absolute prioriteit krijgt, nog afgezien van het feit dat die van A tot Z en door alle betrokkenen messcherp - getuige de strijkers in "Eilt, ihr angefocht'nen Seelen" en dat in dit watervlugge tempo. Ongelooflijk! - wordt gearticuleerd, om het even op welke afstand men zich van elkaar ophoudt.

Theologische argumenten
Hoe belangrijk dit alles ook moge zijn, nog crucialer is de wetenschap dat aan deze opzet tot op het bot doordachte theologische argumenten ten grondslag liggen. Laten we opnieuw Jacobs, en nu wat uitvoeriger, aan het woord: "Für unsere vier Ariensänger, die auch alle in der Oper zu Hause sind, bedeutet das Mitsingen im Chor eine Demutsprobe, allein zu Ehren Gottes. Bei der Mischung von subjektiv timbrierten Solostimmen mit objektiv homogenen Chorstimmen, müssen die Solisten ein wenig Subjektivität, und die Chorsänger ein wenig Objektivität opfern: auch das bedeutet eine Bachs Musik sehr zu Gute kommende Devotionsübung. Die meisterhaften Turbachöre dieser Passion klingen in dieser Mischung weniger anonym, es singen Menschen aus Fleisch und Blut, die, wenn dramaturgisch sinnvoll, auch manchmal als reines Vokalquartett singen, z.B. die vier Kriegsknechte die um Jesu Leibrock losen (Nr.27b) und nur am Schluss der Fugenabschnitte durch Ripienisten verstärkt werden. Bei einer zu großen Besetzung verlieren die Turbachöre an Individualität, was unangenehme Folgen haben kann: es singt hier nie DAS jüdische Volk; es singen die Volksführer und -Verführer- ein wichtiges Argument gegen die manchmal geäußerte Behauptung, dass die Turbachöre der Johannes-Passion antisemitische Ressentiments ausdrückten."

Schier onbegrensde dynamiek
Surround of niet, ook in de tweekanalige stereo-weergave, waar verreweg de meeste huiskamers op zijn aangewezen, komen de bedoelingen van Jacobs cum suis voorbeeldig tot hun recht. De helder- en doorhoorbaarheid van de opname is werkelijk ongekend en maakt dat men soms de indruk krijgt lijfelijk bij het gebeuren aanwezig te zijn. Het resultaat is dan ook dat de emotionele geladenheid van de Johannes met een intimiderende kracht op de toehoorder wordt overgebracht en de dramatiek bij vlagen compromisloos uit de luidsprekers spat. Daarbij is het dynamische spectrum van de weergave schier onbegrensd. Neem het mysterieuze pianissimo waaruit het openingskoor "Herr unser Herrscher" met zijn scharnierende dissonanten ontstaat en dat tot een glansrijk en verpletterend fortissimo wordt opgevoerd; ik heb dat nog nooit zo enerverend gehoord. Een extra effect wordt hier al meteen bewerkstelligd door tegenover de tutti koorklank het geluid van de vier solisten ('Konzertisten') te plaatsen, met als gevolg een reliëfwerking zonder precedent. Hoe vol en verzadigd de sonoriteit bij vlagen ook is, altijd blijft er voldoende reserve over en boet de zaak geen seconde aan weldadige scherpte in. Ook de zowel fysieke als imaginaire ruimte tussen de diverse protagonisten en groepen is gedurende de hele uitvoering uitmuntend gedefinieerd.

Continuo als dramatische regelkamer
Een verhaal apart is de enorme continuo-sectie die echt als interne en dramatische regelkamer van het werk in zijn totaal fungeert en waarbij er (luit!) dikwijls vol, maar net niet te ver gaande, risico's wordt geïmproviseerd - barokker kan men het zich met de beste wil van de wereld niet voorstellen en hierdoor is het soms net alsof Bach een nazaat is van Monteverdi, zo riant is de klank van deze instrumentengroep. De effecten, waarbij men van de ene verrassing in de andere valt, zijn soms met recht schaamteloos romantisch, zoals de korte episode van het Mattheus-evangelie uit het tweede deel, dat een bijkans orkestrale impact heeft. Jacobs hamert er dan wel op dat het hem er niet om ging Bachs Johannes als een 'opera' voor het voetlicht te brengen; dat neemt niet weg dat je je als luisteraar moeilijk aan het vermoeden kan onttrekken dat de meester middels zijn passionen in het algemeen en de Johannes in het bijzonder trachtte een muziekdrama zonder weerga te schrijven, zij het dan 'vermomd' als religieuze compositie. Trouwens, het feit dat Bach laatstgenoemd opus keer op keer op de schop heeft genomen, en wellicht heeft moeten nemen omdat de kerkvaders er vanwege het extreme karakter van deze muziek geen weg mee wisten, wijst onmiskenbaar duidelijk in die richting en de vertolking door Jacobs versterkt die indruk eens te meer.

Uitgekiend contrast
De tempi van Jacobs zijn veelal - althans naar objectief-fysieke maatstaven geredeneerd - aan de levendige kant, maar werken nooit ook maar bij benadering gejaagd. Misschien komt dit ook doordat hij de koralen heel mooi vloeiend laat zingen, en tijdens het de passie afsluitende "Ach Herr, lass dein lieb'Engelein" rustig ruim twee minuten de tijd neemt. Alles is dus perfect in balans. En dat geldt niet in de laatste plaats de solisten, met als zwaarste rol natuurlijk die van de evangelist, die niet zonder reden geen deel uitmaakt van het koor. Werner Gura kwijt zich over de gehele linie op grandioze wijze van zijn vertellersrol die hij hyperrealistisch en met een fraai en sonoor stemgeluid realiseert. Over de overige solisten kan in eensluidende zin worden bericht. Sunhae Im tekent voor een wat vlotter dan door haar collegae genomen "Zerfliesse, mein Herze" en weet daarmee niet minder te ontroeren dan bijvoorbeeld Maria Keohane in de opname onder Pierre Pierlot (Mirare). Ronduit subliem zijn ook het "Es ist vollbracht" door respectievelijk Benno Schachtner en "Mein teurer Heiland" van Johannes Weisser, die ook de Christus-partij voor zijn rekening neemt (daarbij doorgaans begeleid door orgel, gamba en contrabas - iets wat ik nog in geen enkele uitvoering heb gehoord. Heel bijzonder!). Opmerkelijk is zeker ook het aanzienlijk vlotter genomen tempo in de voortreffelijke door Sebastian Kohlhepp gezongen "Erwäge"-aria, met als gevolg een uitgekiend contrast met het voorafgaande en meditatieve bas-arioso "Betrachte meine Seel" (op de dvd wordt uitvoerig op de tekstuele inhoud hiervan ingegaan, fascinerend!)..

Strijd versus overwinning
Als appendix bevat deze uitgave de onderdelen die Bach in 1725 schreef voor een volgende versie van de Johannes-Passion, terwijl het ook in principe mogelijk is middels een bij deze uitgave gevoegde code de integrale 1725-versie in de uitvoering door Jacobs en de zijnen gratis te downloaden (wat mij helaas - en dat is een slechte service - met die bijgevoegde code niet lukte). En dat is natuurlijk een betere weg dan het beluisteren van de fragmenten afzonderlijk, omdat het werk als totaal dan een totaal andere duiding krijgt. Immers het in 1724 afsluitende slotkoraal "Ach Herr, lass dein lieb' Engelein" is veel sterker doordesemd van een uitzicht op de uiteindelijke verlossing en opstanding dan de smartelijke koraalbewerking "Christe, du Lamm Gottes", waarmee Bach het werk in 1725 wilde beëindigen en dat afkomstig is uit de Cantate BWV 23 'Du wahrer Gott und Davids Sohn' waarmee Bach in 1723 zijn opwachting maakte ten overstaan van de Leipziger Clerus in de Thomaskirche tijdens zijn toelatingsexamen. Met andere woorden, de tweede versie uit 1725 stelt vooral de strijd en het lijden in het middelpunt, de oerversie uit 1724 - en de grotendeels aan laatstgenoemde editie gelijk zijnde revisie uit 1749 (wat abusievelijk op het doosje staat vermeld, maar dit moet natuurlijk 1724 zijn) - de zin er van: namelijk dat dit alles culmineert in de overwinning van het immateriële Licht over de duisternis. De muziek uit 1724 laat hier geen twijfel over bestaan. Of, om Jacobs het laatste woord te geven: "Diese stimmungsmäßig so andere Johannes-Passion - dus de 1725 versie MB - verdient es im Ganzen angehört zu werden. Vielleicht brauchen wir diese unbekanntere Fassung in unserer trostbedürftigen Zeit mehr als die uns vertraute."


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links