CD-recensie

 

© Harry-Imre Dijkstra, november 2021

Zigeunerweisen

Doppler: Fantaisie pastorale hongroise

Sarasate: Zigeunerweisen

Ravel: Tzigane

Monti: Csárdás

Brahms: Hongaarse dansen nr. 5 en 6

Bartók: Duo's (selectie) - Roemeense dansen

Ligeti: Balada

Peter Verhoyen (piccolo), Thomas Fabry, Anke Lauwers, Ilonka Kolthof (piccolo); Stefan de Schepper (piano); Ann-Sofie Verhoyen (harp)
Et'cetera KTC 1701 • 51' •
Opname januari/juni-2020, Galaxy Studios in Mol (B)

   

Peter Verhoyen bewijst een buitengewoon goede en virtuoze piccolospeler te zijn, maar het zigeunerbloed woedt niet door zijn aderen. Hoe sympathiek het idee voor dit programma ook is en hoe duizelingwekkend Verhoyens techniek en zijn beheersing van het instrument ook zijn, het spel dient in deze context zeker passie en grilligheid uit te drukken. Dat lukt niet voldoende. Het openingswerk van Doppler, oorspronkelijk voor fluit geschreven, overtuigt door de brandschone weergave van de partituur en de uitstekende voordracht. Idiomatisch ligt het arrangement voor piccolo natuurlijk zeer nauw bij het origineel. Maar in de werken van Sarasate, Ravel en Monti stapelen de problemen zich op, zelfs als we de piccoloversies niet willen vergelijken met de originele vioolwerken.

In Zigeunerweisen van Sarasate kan geen diepe klank in de melancholische passages gecreëerd worden en wordt in de zinsbouw rubato achterwege gelaten. Daarnaast vallen extreem hoge noten in snelle gedeelten ernstig op. Ook het brede vibrato dat Verhoyen toepast en nauwelijks varieert zorg voor eenvormigheid in de klank.

Pianist Stefan de Schepper weet in zijn bijdrage geen potten te breken, al begeleidt hij wel accuraat. Tzigane van Ravel kent een lange inleidende solo die, juist omdat deze zich nu drie minuten lang in hoge piccoloregisters bevindt, moeilijk kan boeien. De inzet van de piano komt als een verlossing. Verhoyen speelt vervolgens al zijn virtuoze troeven uit en de geslaagde halsbrekende toeren die hij uithaalt zijn fascinerend, maar van de muziek zelf raken we op deze wijze niet ondersteboven. De meeste indruk ontstaat bij de puurste stukjes muziek, duetten van Bartók en Ligeti, waarin twee piccolo's in eensgezind samenspel uitstekend gedijen. Zelfs in de Roemeense dansen van Bartók, met harpbegeleiding, etaleert de piccolo zich gepast.

Met de toevoeging van meer instrumenten zoals een strijkje of al was het maar een contrabas had de totaalklank van het ensemble zeker aan diepte gewonnen en had de piccoloïst tenminste een 'primás (!) inter pares' kunnen zijn. Ook had het geholpen als er een origineel (nieuw) werk was toegevoegd aan het programma. Nu drijft de verzameling te gemakkelijk op evergreens. Componisten mogen dankbaar zijn voor een dergelijk begaafde solist te kunnen schrijven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links