CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, april 2014

 

Solomon: Clarity and Mystery

Beethoven:

Pianoconcerten nr. 1 en 3 (Philharmonia Orchestra/Menges) - Cellosonates nr. 2 en 5 (Piatigorsky) - Pianosonates nrs. 3, 8, 23 en 32.

Bliss: Pianoconcert (Liverpool Philharmonic Orchestra/Boult)

Brahms: Pianoconcert nr. 1 (Philharmonia Orchestra/Kubelík) - Pianosonate nr. 3 - Rapsodie op. 79 nr. 2 - Intermezzo op. 117 nr. 2

Chopin : Ballade op. 52 - Études op. 10 nr. 3 en 8 - Études op. 25 nrs. 1-3 - Fantasie op. 49 - Nocturne op. 9 nr. 2 - Polonaise op. 53 - Wals op. post.

Grieg : Pianoconcert (Philharmonia Orchestra/Menges)

Liszt : Hongaarse fantasie (Philharmonia Orchestra/Süsskind)

Mozart : Pianoconcert KV 450 (Philharmonia Orchestra/Ackermann); Pianosonate KV 576

Schumann : Pianoconcert (Philharmonia Orchestra/Menges)

Membran 233360 • 8.20 •

Opname: 1943-1956

 

 
 
Solomon Cutner

Het merk Membran brengt al enige tijd cd-dozen op de markt gewijd aan grootheden uit de oude doos, weliswaar zonder informatie over musici en componisten, maar ook voor bijna geen geld. Bijna alle, zo niet alle opnamen zijn eerder uitgebracht op cd, en de Membran-verdoekingen zijn qua klank helaas niet de beste, maar hier staan tegenover de zeer lage prijs en een breed aanbod aan opnamen waarmee van de musicus in kwestie een zeer representatieve bloemlezing wordt geboden.

Eén deel is gewijd aan de pianist Solomon (Cutner), geboren in 1902. Hij overleed in 1988, maar moest al in 1956 zijn carrière beëindigen als gevolg van een hersenbloeding. Voor 1956 en zeker erna stond hij te boek als een 'pianist's pianist', daarmee suggererend dat andere pianisten meer zouden kunnen gelden als 'publieksmusici'. Die term is niet helemaal terecht. Waarschijnlijk gaf Solomon evenzeer om het publiek als het andere type pianist. Hij was geen pianist die het muzikale experiment belangrijker vond dan kijk- en luistercijfers (het modernste werk in zijn repertoire was voor zover ik weet het pianoconcert dat Arthur Bliss voor hem componeerde en dat Solomon in 1939 ten doop hield). Hij meende het publiek het beste te kunnen dienen door het superieure uitvoeringen voor te zetten van werken die terecht tot de canon worden gerekend. Hij excelleerde in het ijzeren repertoire, was ondanks enige opnamen met Bach en Debussy, het meest in zijn element in de Duitse meesters van Mozart tot en met Brahms en was ondanks zijn Engelse nationaliteit geen nadrukkelijke pleitbezorger van muziek van eigen bodem.

Die internationale gerichtheid (hij speelde ook in Nederland) spreekt ook uit enkele anekdotes, te vinden in de pas verschenen biografie van zijn landgenoot de pianist John Ogdon (1937-1989). Die biografie bevat onder meer twee uitspraken van Solomon. Toen hij de 18-jarige Ogdon hoorde spelen, zei Solomon: hij is bestemd voor een internationale carrière (wat meer is dan alleen spelen in buiten- en binnenland). Een jaar later was Solomon jurylid bij een concours waaraan Ogdon deelnam. Ogdon verdiende, vonden alle andere juryleden, de eerste prijs, maar kreeg van Solomon de tweede, want: 'he lacks refinement'. Even later stelde een Engelse criticus de twee pianisten qua niveau aan elkaar gelijk, maar zag hij ook het verschil: 'Ogdon lacks serenity'.

Die anekdotes zeggen ook veel over Solomon. Zijn spel bezat een enorme kracht en structuurzin (net als da van Ogdon), maar tevens een ongekende verfijning en sereniteit. Hij was geen publiekspianist in die zin dat hij in de muziek demonstratief zijn hart uitstortte, zijn ongekende virtuositeit de vrije loop liep, zijn intensiteit ventileerde met sterke rubati en ritenuti en de toehoorders wilde bereiken met sensationele momenten. Charles Rosen, die hem één keer in levende lijve hoorde spelen (in Parijs in de jaren vijftig), noemde zijn spel een openbaring: ogenschijnlijk deed hij niets, maar uiteindelijk bereikte hij alles, door een maximum aan enerzijds transparantie en onnadrukkelijke polyfonie (in werken van Bach en Mozart) en anderzijds energie in ritme en verfijning in klank (in Chopin en Debussy). Die combinatie van vaak moeilijk te verenigen eigenschappen ('publiekspianisten' neigen ertoe een van de twee te cultiveren ten koste van de ander) maakte hem tot een pianist voor pianisten. Sensationeel was hij in zijn onopvallend gebrachte uitzonderlijke en constante niveau en intensiteit .

Met die instelling is het te begrijpen, dat Mozart, Beethoven en Brahms de kern van Solomons repertoire vormden. De Membran-selectie maakt nieuwsgierig naar een hopelijk ooit te verschijnen box met al zijn Beethoven-opnamen (circa 20 van de 32 sonates, alle cellosonates met Piatigorsky, het Aartshertogtrio en alle concerten met verschillende dirigenten) en al zijn Brahms-opnamen (beide concerten, de Händelvariaties plus enkele korte werken). Zijn opname van Brahms' tweede concert (helaas niet in deze box, gelukkig wel in de EMI-box in de serie Icons) is glorieus titaans en de ultieme ondermijning van het idee als zou dit concert apollinisch in de zin van verheven en rustig zijn. Alle niet-teutoonse werken in de Membran-box (de concerten van Grieg en Bliss, de Hongaarse fantasie van Liszt plus solowerken van Chopin) behandelt hij als gestaalde kaders met achter de schermen een ongekende delicatesse. In Mozarts Concert KV 450 en Sonate KV 576 staat die delicatesse iets meer op de voorgrond, maar het verschil is gradueel. Hoe Duits de Engelsman in wezen was, tonen de opnamen van twee van de vijf cellosonates van Beethoven (de tweede en de vijfde). Gregor Piatigorsky speelt als een veramerikaanste Rus (ondanks de meegenomen verfijning) en is in dit duo minder in zijn element dan in het beroemde trio met twee andere, net als hij zeer extravert ingestelde musici Rubinstein en Heifetz (zijn uitvoering van de cellosonates van Brahms met Rubinstein is veel beter geslaagd).

In zekere zin is de Solomon-box ook bedoeld als tijdsdocument (de Membran-doos gewijd aan het Franse chanson kreeg trouwens de ondertitel mee 'existentialisme', alsof een toekomstige doos gewijd aan Lang Lang de titel zal krijgen 'neoliberalisme'). De opnamen verklanken een tijd waarin een emotioneel keurslijf niet gold als remming, beheersing en misschien wel onderdrukking van expressie en emotie, maar integendeel als sublimatie en superieure kracht. Rosens kwalificatie 'feitelijk alles bereiken door zogenaamd niets te doen' gold voor hem evenzo als voor Dinu Lipatti en Clara Haskil en was bedoeld als het hoogste compliment dat een musicus van hem kon krijgen. Daar valt slechts één ding op af te dingen: het kan wel anders, maar niet beter.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links