CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, mei 2019

Albert Roussel Edition

Suite op. 14 (1)
Sonatine op. 16 (1)
L'accueil des Muses, L. 27 (1)
Prélude et fugue, op. 46 (1)
Trois pièces op. 49 (1)
Segovia, op. 29 (2)
Impromptu, Op. 21 (3)
Joueurs de flûte, op. 27 (4)
Sonate voor viool en piano nr.2, op. 28 (5)
Sérénade, op. 30 (6)
Trio, op. 40 (6)
Strijktrio, op. 58 (6)
Strijkkwartet, op. 45 (7)
Pianoconcert, op. 36 (8)
Concertino voor cello en orkest, op. 57 (9)
Résurrection, op. 4 (10)
Symfonie, nr. 1 op. 7 (11)
Évocations, op. 25 (12)
Le festin de l'araignée, op. 17 (complete
ballet) (13)
Symfonie nr. 2, op.23 (13)
Pour une fête de printemps op. 22 (14)
Fanfare pour un sacre païen, L. 28 (15)
Suite in F, op. 33 (16)
Concert, op. 34 (17)
Le Bardit des Francs, L. 40 (18)
Madrigal aux muses, op. 25 (19)
Psalm 80, op. 37 (20)
Petite suite, op. 39 (13)
Symfonie nr. 3, op. 42 (16)
Bacchus et Ariane, op. 43 (13)
A Glorious Day, op. 48 (21)
Sinfonietta, op. 52 (22)
Symfonie nr. 4, op. 53 (16)
Aenaes, op. 54 (23)
Les Rêves, L. 82 (24)
Quatre poèmes, op. 31 (25)
Quatre poèmes, op. 8
Adieux (24 en 26)
Invocation (26 en 27)
Nuit d'automne (24)
Odelette (28)
Flammes, op. 10 (24)
La Menace, op. 9 (25)
Deux poèmes chinois, op. 12
Ode à un jeune gentilhomme (28)
Amoureux séparés (25 en 26)
Deux mélodies, op. 19
Light (26 en 28)
A Farewell (25)
Deux mélodies, op. 20
Le Bachelier de Salamanque (27)
Sarabande (25 en 26)
Deux poèmes de Ronsard, op. 26 (28)
Odes anacréontiques, op. 31 (27)
Odes anacróntiques, op. 32 (27)
Deux poèmes chinois, op. 35 (28)
Vocalise nr. 1, L. 45c (27)
Ô bon vin, L. 47 (27)
Vocalise, L. 48 (24)
Jazz dans la nuit, op. 38 (26 en 29)
A Flower given to my daughter, L. 55 (25)
Deux idylles, op. 44 (28)
Deux poèmes chinois, L. 47 (28)
Deux mélodies, op. 55
L'Heure du retour (24)
Coeur en Péril (25)
Padmâvati, op. 18 (30)
Le festin de l'araignée, op. 17 (suite) (31)
La Naissance de la lyre, op. 24 (32)
Le jardin mouillé, op. 3 nr. 3 (26)

(1) Jean Doyen, piano
(2) Turibo Santos, gitaar
(3) Lily Laskine, harp
(4) Jonathan Snowden, fluit, Andrew Litton, piano
(5) Pierre Doukan, viool, Thérèse Cochet, piano
(6) Trio à cordes français m.m.v. Patrick Gallois (fluit) en Frédérique Cambreling (harp)
(7) Quatuor Via Nova
(8) Danielle Laval (piano) met Orchestre de Paris o.l.v. Jean-Pierre Jacquillat
(9) Albert Tétard (cello) met Orchestre de Paris o.l.v. Jean-Pierre Jacquillat
(10) Orchestre National du Capitole de Toulouse o.l.v. Michel Plasson
(11) Orchestre National de France o.l.v. Charles Dutoit
(12) Orchestre National du Capitole de Toulouse o.l.v. Michel Plasson met koor en solisten
(13) Orchestre National de l ‘ORTF o.l.v. Jean Martinon
(14) Orchestre de Paris o.l.v. Jean-Pierre Jacquillat
(15) Ensemble de cuivres de Paris o.l.v. Jean-Pierre Paillard
(16) Orchestre des Concerts Lamoureux o.l.v. Charles Munch
(17) Orchestre Colonne o.l.v. Pierre Dervaux
(18) Orchestre de la Société des Concerts du Conservatoire o.l.v. Georges Tzipine met koor
(19) Ensemble vocal Jean-Paul Kreder
(20) John Mitchinson (tenor), Orchestre de Paris o.l.v. Serge Baudo met koor
(21) Musique des Gardiens de la Paix o.l.v. Desiré Dondeyne
(22) Orchestre de la Société des Concerts du Conservatoire o.l.v. André Cluytens
(23) Orchestre National de l'ORTF o.l.v. Jean Martinon met koor
(24) Colette Alliot-Lugaz (sopraan) en Dalton Baldwin (piano)
(25) Kurt Ollmann (bariton) en Dalton Baldwin (piano)
(26) Claire Croiza (sopraan) en Albert Roussel (piano)
(27) José van Dam (bariton) en Dalton Baldwin (piano)
(28) Mady Mesplé (sopraan) en Dalton Baldwin (piano)
(29) Claire Croiza (sopraan) en Georges Reeves (piano
(30) Orféon Donostiarra, Orchestre National du Capitole de Toulouse o.l.v. Michel Plasson met solisten
(31) Onbekend orkest o.l.v. Albert Roussel
(32) Onbekend Orkest o.l.v. Piero Coppola

Erato 0190295489168 (13 cd's)
Opname: 1929-1988, Parijs, Toulouse, Newbury

   

Albert Roussel (1869-1937) was een uitstekende componist, maar hij had de pech in zijn tijd in zijn land te moeten leven naast twee ongenaakbaren: Debussy en Ravel. En probeer je in tijden van ongekend nationalisme maar eens te onttrekken aan de muziek van die twee collega's die jouw land muzikaal resoluut op de internationale kaart zetten en de artistieke hegemonie van de aartsvijand grondig onderuit halen. Dat lukte hem dan ook niet helemaal. Zijn oeuvre is grofweg te verdelen in drie perioden. In de eerste (tot ongeveer 1910, toen hij zijn opus 14 schreef) staat hij nog merkbaar onder invloed van Debussy. Hoe meer hij eraan toegeeft, hoe meer hij in staat is er een persoonlijk commentaar op te geven. Zijn beste werken uit deze fase zijn de Eerste symfonie, het Divertissement voor blazers, het symfonisch gedicht Résurrection en de Suite voor piano opus 14. De symfonie en het symfonisch gedicht zijn geslaagde pogingen elementen uit Debussy's taal te verenigen met de grote, Duits aandoende symfonische vorm. Het zijn ambitieuze meesterwerken en ze verdienen veel meer aandacht dan ze nu krijgen. Enigszins anders is het met het Divertissement en de Suite. Het Divertissement maakt zijn titel waar en laat horen dat in Roussels vroege idioom, dat meestal verbonden is met gewichtige vaagheid, ook een relatief luchtige en heldere toon mogelijk is. Bij de Suite opus 14 doemt een probleem op dat Roussels muziek vaker teistert: zijn muziek lijdt snel onder een minder dan puike uitvoering. Bij deze suite is het probleem nog klein omdat men als vertolker met het werk weinig andere kanten aankan. De uitvoering in de box is strak Frans klassiek zoals dat in de dagen voor de globalisering bon ton was: zeer transparant in de klank en met het primaat bij de puls, het ritme en de frasering. In dat soort is Jean Doyens uitvoering van de Suite in dit soort misschien niet de ultieme (die is voor mij nog steeds die van Jean Boguet, nu te horen op youtube), maar de afstand tot de volmaaktheid is klein.

Die kleine afstand is er ook in veel uitvoeringen in de box van werken uit Roussels derde periode, vanaf ongeveer 1925, het jaar waarin hij zijn Serenade opus 30 schreef. In de beste stukken uit deze jaren verenigt Roussel zijn klassieke inborst, die hij deelde met Ravel, met een soms bijna expressionistische harmonie die hem verbindt met de neoclassicisten op hun beste momenten. Zijn beste werken uit deze jaren (de Derde en Vierde symfonie, het ballet Bacchus et Ariane en het Pianoconcert) zijn de stukken waarin de twee in optima forma in spanning verkeren; zijn mindere stukken zijn die stukken waarin één van de twee zegeviert of waarin hij lijkt te willen terugkeren naar een eerdere creatieve fase. Ook in deze fase is niet alles zeer sterk, ook nu lijden de mindere stukken snel onder een minder dan ideale uitvoering en ook hier is die ideale uitvoering er één waarin de strijd tussen de twee polen van Roussels kunst op het scherpst van de snede wordt uitgevochten zonder een winnaar. Die beste stukken verdienen in de concertzaal veel meer aandacht dan ze nu krijgen. Daarom is het een uitstekend initiatief van Astrid in 't Veld, de programmeur van de AVROTROS-vrijdagconcerten in het Utrechtse TivoliVredenburg om in het komend concertseizoen Roussel extra aandacht te geven middels uitvoeringen van enkele van zijn beste werken: uit zijn eerste fase de Évocations (zodat ook het Groot Omroepkoor een aandeel kan leveren) en de suite uit Le festin de l'araignée (die sterker is dan het complete werk) en uit de derde zijn Derde en Vierde symfonie. Van mij hadden daarbij gemogen Bacchus et Ariane (bij de uitvoering onder Dutoit begrijpt men waarom) en het Pianoconcert, maar welke levende pianist kan dit zo overtuigend brengen als ooit Claude Helffer?

De tweede fase is achteraf gezien een tussenfase en verenigt elementen van de eerste en de derde: van de eerste de liefde voor verfijnde klanken, van de derde de affiniteit met het expressionisme en de ritmische energie. Ook voor deze periode geldt dat niet alle werken zeer sterk zijn, maar ze heeft wel twee meesterwerken voortgebracht: de eerste twee delen van zijn Tweede symfonie en de eerste acte van zijn opera Padmâvatî. Wellicht door de grote lengte van de stukken (het zijn Roussels twee langste werken) zit het niveauverschil hier ook sterk binnen de composities. Roussel was over het algemeen op zijn best in relatief korte overzichtelijke klassieke vormen.

Hoewel Roussel ook buiten Frankrijk terecht geldt als een groot componist, is hij in Frankrijk bekender dan daarbuiten en is zijn muziek vooral een prooi geworden voor Franse musici van nu en vooral vroeger die vast wilden houden aan een stereotiepe Franse wijze van musiceren. (De enige opname in de box gemaakt buiten Frankrijk, van de Joueurs de flûte, is ook de meest recente, gemaakt in Amerika door twee Amerikanen.) Dat heeft voor- en nadelen. Net als in elk land zijn er in Frankrijk goede en minder goede musici. De goede zijn in het beste geval in staat de muziek beter te maken dan ze is. Dat geldt met name voor het Quatuor Via Nova in het strijkkwartet, het Trio à cordes Paris in het strijktrio en de dirigenten Jean Martinon (een oud-leerling van Roussel), Charles Munch en Michel Plasson. De iets minder goede en hier iets minder bekende dirigenten laten zich enigszins intimideren door Roussels aanschurken tegen het destijds als on-Frans te boek staande expressionisme waardoor de puls iets verliest van zijn dwingende werking. Martinon is van deze dirigenten het grootste theaterdier, maar de beste is Dutoit omdat bij hem de spanning tussen een ijzige ritmische strengheid en een liefde voor impressionistische klankkleuren het sterkst is. Dutoit staat daarmee zeer dicht bij de historische opnamen in deze box. Ze fascineren niet alleen omdat een componist eigen werk uitvoert (al was Roussel als vertolker zeker geen Bernstein of Boulez) maar ook omdat er een zeer duidelijke visie uitspreekt; de uitvoeringen van Roussel als pianist en dirigent hebben de nadruk op de strakke, swingende puls waaraan de instrumentatie dienstbaar is gemaakt, maar zonder de ijzigheid die Dutoit heeft en zonder de lichte vlakheid die Jean Doyen soms heeft in de pianowerken. Tegelijk moet worden gezegd dat, als gevolg van die stereotiepe Franse werkwijze in deze box met een grote nadruk op een strak keurslijf het niveauverschil tussen de besten (Dutoit, Martinon, Munch, Plasson, Gallois, Laskine, Croiza en Coppola) en de overigen erg klein is. Anders is het in die vroege stukken waarin Roussel nog op zoek is naar een eigen stijl waarop musici reageren door eveneens op zoektocht te gaan. De meeste vroege liederen zijn boeiend, maar onduidelijk; de vertolkers zijn goed, maar sommigen lijken mij meer op dreef in ander repertoire. Mady Mesplé maakt ‘haar liederen' theatraler dan ze zijn en Kurt Ollmann is meer thuis in het Duitse lied. Roussel vind ik over het algemeen minder sterk in vocale dan in instrumentale muziek. Bij het instrumentale ballet Bacchus et Ariane komt het verhaal op mij sterker over dan in zijn vocale ballet Aenaes; de beste delen van zijn opera Padmâvatî zijn de instrumentale. (Jean Fournet behandelde de opera toen hij die in Utrecht in 1987 dirigeerde zo leek het als een symfonie met toegevoegde zang en liet een flink deel van de tweede acte achterwege – wat mij betreft het zwakste deel van de opera.)

Fournet dirigeerde ook de eerste uitvoering die ik ooit van Roussels muziek hoorde: de Vierde symfonie met het Radio Filharmonisch Orkest. De uitvoering vormde de opening van ‘De nacht van Andriessen', een urenlange manifestatie in het kader van het Holland Festival 1981 met muziek van Louis Andriessen waar de Nederlander ook muziek liet horen van door hem bewonderde componisten, onder meer Roussel die hij bij die gelegenheid typeerde als 'de meest Duitse onder de Franse componisten'. Ruim twintig jaar later vertelde Andriessen mij dat hij daar niet meer achter staat. Al komen andere Franse componisten wat mij betreft inderdaad ook in aanmerking voor dit predicaat, Andriessen raakte wel een snaar. Roussel werd gevormd in een periode waarin de strijd tussen Franse en Duitse cultuur een hoogtepunt beleefde en vlak na de periode (tot 1880) waarin de Duitse muziek nog het grote voorbeeld was voor Franse componisten. Die Duitse muziek liet bij Roussel diepe sporen na, zeker vanaf het moment dat hij een eigen stijl had, rond 1910. De genoemde stereotiepe Franse musiceerwijze gaat in wezen terug tot de Franse omgang onder componisten van voor1880 met Mozart en Beethoven. Die nadruk op puls en frasering combineerde Roussel met ten eerste een liefde voor klankkleur zonder dat die kleuren altijd clichématig Frans impressionistisch werden en ten tweede met een nadruk op contrapunt die hij geleerd had bij zijn compositiedocent Vincent d'Indy. In zijn eerste fase is de invloed van het impressionisme óf veel te sterk (zoals in de Eerste symfonie dat soms lijkt op La Mer van Debussy) óf halfhartig, waardoor zijn programmatische stukken klinken als Duitse muziek met een Franse façade; in zijn derde fase is het contrapunt minder demonstratief aanwezig waardoor het meer een onderdeel en verrijking is van de Duits-Franse traditie waaruit hij voortkwam. Zo bezien is het een voordeel dat de meeste opnamen in deze box stammen uit de tijd dat de Franse musici de globalisering nog buiten de deur wisten te houden. (Dat het ook anders kan, bewijzen de recente uitvoeringen van de pianisten Michiels en Armengaud, de dirigenten Janowski, Denève en Eschenbach en het Schönberg-ensemble.) De keuze voor deze oudere opnamen was ook een noodzaak, omdat van veel stukken in de box weinig of geen andere opnamen bestaan – en zeker niet zulke goede. Ook die recente opnamen verklaren enigszins waarom op de AVROTROS-concerten volgend jaar slechts vier werken tot klinken komen (ook de stukken waarvan de meeste opnamen bestaan), maar gezegd mag ook worden: elk podium heeft zijn eigenschappen, er zijn vele podia en Roussel schreef meesterwerken. Luister maar naar deze box.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links