CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, april 2020

Philharmonia Orchestra- Birth of a Legend

Klik hier voor het complete programmaoverzicht

Warner 295349516 24 cd's)
Opname: 1948-1964, 2018, Londen (diverse locaties)

 

Het Londense Philharmonia Orchestra bestaat dit jaar 75 jaar en viert dat met de verschijning van deze cd-box. Op de eigen website presenteert het orkest zich als een orkest voor de 21ste eeuw, maar de box is vrijwel uitsluitend gewijd aan de beginjaren. De enige opname erin van na 1964 is een concertopname van Schönbergs Verklärte Nacht uit 2018 onder leiding van de huidige chef-dirigent Esa Pekka Salonen. Die uitvoering maakt duidelijk hoezeer de faam van het orkest vooral gebaseerd is op de verrichtingen uit zijn begintijd en niet op recente prestaties. Dat ligt maar voor een deel aan Salonen: hij moest groeien in de romantiek terwijl het moderne repertoire zijn thuisbasis is. Een veel belangrijkere oorzaak is dat het eigen geluid van het orkest ontstond door musici in de studio (dus zonder publiek) te laten spelen met de perfectie van een streng pantser waarachter het 'animale' temperament dat op concerten meer naar buiten komt in fantastische banen moest worden geleid.

Die identiteit had alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van het orkest. Het was opgericht door platenproducer Walter Legge van EMI (klik hier) ten behoeve van opnamen voor zijn merk en daardoor gaf het in de eerste jaren niet zoveel concerten. Vandaar dat de eerste foto in het tekstboekje gewijd is aan hem, stoer met sigaret. De grote en snelle faam ontstond doordat Legge van meet af aan werkte met de beste dirigenten (bijna geen van alle uit het Verenigd Koninkrijk) die een Britse hang naar het formele en onberispelijke combineerden met een ongekende intensiteit, door Legge gepresenteerd in een voor die tijd uitzonderlijke opnamekwaliteit. Legge wilde een orkest dat zich kon meten met de beste orkesten van het continent en reeds binnen enkele jaren had hij zijn doel bereikt. Hoe hij dat deed is zeer summier beschreven in het boeiende boekje bij deze box.

Van meet af werden de grootste dirigenten aangetrokken die aan het orkest de hoogste eisen stelden: Strauss, Dobrowen, Susskind, Kletzki. Beecham, die in oktober 1945 het allereerste concert dirigeerde, werd afgewezen als chef-dirigent: hij werd niet goed genoeg bevonden. Alleen de beste solisten kwamen in aanmerking, zoals Schnabel, Solomon, Moiseiwitsj en Neveu. Solomons uitvoering van Brahms' Tweede pianoconcert met Dobrowen uit april 1947, helaas niet in deze box vertegenwoordigd, geldt nog steeds een van de beste van dit concert.

Die houding betaalde zich uit. Vanaf eind jaren veertig stonden de best denkbare dirigenten voor het orkest dat inmiddels een dusdanig eigen klank had ontwikkeld dat zij daarmee duchtig rekening hadden te houden. Waarschijnlijk verklaart dat waarom de opnamen uit die vroege jaren en doorlopend tot 1960 zoveel op elkaar lijken. Hoezeer de dirigenten ook hun stempel op het orkest wilden drukken, de eigen klank is duidelijk herkenbaar: zeer ritmisch en energiek, grote nadruk op frasering, vol maar niet vet, sierlijk maar met mate, gepaard gaande met een grote transparantie in de details en met veel nadruk op de melodie. Dit eigene valt extra op als men het vergelijkt met twee andere toporkesten uit dezelfde tijd: de Berliner Philharmoniker had een vettere klank, het Concertgebouworkest speelde onder Van Beinum lichter en zwieriger. Robert Casadesus verklaarde in die jaren off the record dat Frankrijk destijds zo'n toporkest niet had.

Tegelijk konden de beste dirigenten het orkest wel naar hun hand zetten. Cantelli was de meest hectische, Karajan strak en relatief dansant, Fürtwängler het meest onberekenbaar in zijn omgang met de puls, Klemperer de meest majestueuze en Toscanini de meest extatische. Karajan was feitelijk de chef-dirigent in de jaren vijftig, Klemperer in de eerste helft van de jaren zestig. Daarnaast zijn er in hun repertoire duidelijke overeenkomsten. Allen richten zich op het gecanoniseerde repertoire van Centraal-Europese componisten dat EMI wilde vastleggen in exemplarische uitvoeringen. Franse en Italiaanse muziek daarentegen klonk slechts in bescheiden mate. De cd met muziek van en met Walton lijkt meer te zijn ingegeven door chauvinisme dan door de wens een representatief beeld van het moderne repertoire te geven (ook al was Walton een eigentijdse componist, al zijn stukken in deze box behalve het Altvioolconcert ademen de sfeer van het Empire en Brexit avant la lettre.)

Toscanini dirigeerde de symfonieën van Brahms en Cantelli de orkestwerken van Ravel, Debussy en Dukas als waren het sterk verhevigde ouvertures van Rossini in een niet-Italiaanse jas. De als lichtvoetig bedoelde Duitse en Oostenrijkse werken namen Henry Krips en Otto Ackermann, de laatste nota bene afkomstig uit de sfeer van de Weense walsen, uitermate ernstig. Cd 17 in de box waarop Giulini werken dirigeert van Fransen en Russen (Bizet, Moesorgski, Tsjaikovski, Franck en Ravel) is de eerste, althans in deze box, waarin de dirigent erin slaagt het orkest anders te laten klinken: nog slanker en verfijnder. Deze opnamen stammen dan ook uit de jaren 1956-1958.

Boxen als deze bevatten vaak veel bijzonder, niet eerder gepubliceerd materiaal 'uit de oude doos' (schitterende voorbeelden daarvan zijn de Anthologie-serie van het Concertgebouworkest en de box van het New York Philharmonic met Amerikaanse muziek). De Philharmonia-box daarentegen bevat vrijwel uitsluitend bekend materiaal. Sommige opnamen waren al bekend, maar nog niet eerder op cd verschenen. Niet eerder gepubliceerd (buiten die van Salonen) zijn er slechts twee die echter zo uitzonderlijk goed zijn dat iemand met geld en smaak alleen al daarom meteen deze box zal willen kopen: live-opnamen van Klemperer uit 1958 met twee werken van Richard Strauss: Don Juan en Till Eulenspiegel. Dit gebeurt er als het gedrilde beest de ruimte krijgt! Het verschil met de studio-opnamen (niet alleen die van Klemperer in deze stukken maar van alle opnamen in de box) is groot, maar ook gradueel. In de kern is alles aanwezig in de opnamen in deze uitgave die het orkest terecht beroemd maakten: symfonieën van Beethoven door Karajan en Klemperer, Strauss' Vier Letzte Lieder en Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen met Furtwängler, symfonieën van Brahms door Toscanini, Franse muziek door Cantelli, Mahlers Vierde door Klemperer, Verdi's Requiem door Giulini en Le sacre du printemps door Markevitch. Zo'n pakket is vragen om legenden. De overige, minder bekende en minder legendarische opnamen geven een indruk van de breedte van het orkest (met ook hier onder alleen de beste dirigenten): Weense lichte stukken door Mackerras, Berlioz's Symphonie fantastique door Cluytens, Russische repertoire door Malko. Ook minder bekende dirigenten stonden echter voor het orkest, zoals Robert Irving en George Weldon. Een enkel minder geslaagd stuk zoals de Suite van Dohnányi is de uitzondering op de regel dat merendeels gecanoniseerd repertoire aan bod kwam. De bonus-cd bevat herinneringen van oud-orkestleden aan vier dirigenten: Klemperer, Karajan, Cantelli en Giulini. Toen die werden vastgelegd, lag dit verleden ongeveer veertig jaar achter hen en was er alle ruimte voor een zeer genuanceerde geschiedschrijving vol sprekende anekdotes, grote scherpzinnigheid en typsch Britse humor. Het is een blik in andere tijden: reuzen bestonden echt, helden in de hoge kunst werden bejubeld en het Britse beschaafde was een vanzelfsprekendheid. Er was nog geen sprake van de globalisering die maakte dat toporkesten steeds meer op elkaar gingen lijken.

Misschien komt er ooit een box gewijd aan de laatste vijftig jaar van het orkest. Dat zou terecht zijn. Tegenover de gegroeide uniformering als gevolg van die globalisering staat het onbetwistbare feit dat het niveau van orkesten de afgelopen halve eeuw enorm is gestegen. Een korte blik in de overzichten leert dat ook in die periode geweldige dirigenten voor het orkest stonden die fantastische dingen deden in een gevarieerd repertoire. Helaas zijn die uitvoeringen minder legendarisch, niet omdat ze minder indrukwekkend zijn, maar omdat pioniers altijd een streepje voor hebben op grootheden die op hun schouders klimmen. Bovendien: het Philharmonia Orchestra had in zijn eerste twintig jaar al een niveau dat nog steeds enorme bewondering afdwingt. En als daar reuzen voor stonden, dan gebeurde er iets geweldigs.

______________
Zie ook EMI-producer Walter Legge (1906-1979): Gedreven perfectionist.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links