CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, september 2020

Sir John Barbirolli - The Complete Warner Recordings

Warner 0190295386085 (109 cd's)

Opname: 1928-1970 (London, Manchester, Wenen, New York)

Klik hier voor het complete overzicht

 

Sir John Barbirolli (1899-1970) is in Nederland een naam en in Engeland een begrip. Geen wonder dat aan de overkant uitgebreid wordt stilgestaan bij zijn vijftigste sterfjaar. Gezien de kwaliteit van zijn oeuvre is daar ook alle reden toe: van meet af aan was hij een van de besten. Met de box van meer dan 100 cd's die het label Warner Classics, de voortzetter van EMI, enige maanden geleden uitbracht, heeft men nog niet eens zijn complete discografie. RCA en Columbia kwamen met een box met opnamen uit zijn Amerikaanse jaren (1937-1943) en daarnaast circuleren talrijke live-opnamen op onder meer Testament en van de Barbirolli Society. (Een van de cd's op Testament bevat de opname van zijn enige optreden met het Concertgebouworkest in 1969 met merendeels werken die hij niet op de plaat vastlegde.) Zelfs dan is het beeld niet volledig. Zijn carrière en de inhoud van al deze collecties is niet los te denken van de omstandigheden waarin hij werkte. Tegelijk was hij baanbrekend en liet hij opnamen na, te goed om te missen en te persoonlijk om na te volgen.

Barbirolli was zoals de naam al doet vermoeden van Italiaanse afkomst. Hij was er trots op dat zijn vader en grootvader gespeeld hadden onder Verdi en opera's van hem en Puccini waren een deel van zijn thuisbasis (hij maakte opnamen van Puccini's Madama Butterfly en Turandot, Verdi's Otello en Requiem en dirigeerde ook Aida met onder meer Maria Callas). Barbirolli had altijd oog voor het vocale karakter van een melodie dat hij zoveel mogelijk wilde laten uitkomen, mits dat de structuur en de overzichtelijkheid van een frase maar niet in gevaar zou brengen. Die houding is al te horen op zijn vroegste opnamen in de box uit de jaren twintig en dertig toen hij vooral opnamen maakte als begeleider van beroemde vocalisten, onder wie Frieda Leider, Maartje Offers, Fjodor Sjaljapin, Beniamino Gigli, Lauritz Melchior, Elisabeth Schumann en Richard Crooks. (Niet-Engelse teksten werden vertaald in het Engels.) Toen ik die vroeger hoorde, lette ik vooral op de zangers die musiceerden met een onverschrokkenheid en muzikaliteit alsof hun leven ervan afhing. Nu hoorde ik vooral Barbirolli's vermogen mee te buigen met de solisten terwijl de opbouw van de muziek glashelder bleef, zowel duidelijk in de details als in de structuur. Het orkest is weliswaar enigszins op de achtergrond maar altijd meer dan dienend.

In dezelfde jaren dirigeerde hij in de studio vele korte orkestwerken van destijds redelijk bekende maar daarna volstrekt in de vergetelheid geraakte componisten (vooral Engelsen als Stephen Adams, Henry Bishop, George Butterworth, Ethelbert Nevin, Roger Quilter, Frederick Rosse en William Wallace) en in Covent Garden vele complete opera's. Vandaar was het geen grote stap begin jaren dertig naar Barbirolli als begeleider van beroemde instrumentalisten als Rubinstein (in concerten van Mozart, Tsjaikovski en Chopin), Cortot (Chopin), Backhaus (Grieg), Schnabel en Fischer (Mozart), Elman (Bach en Tsjaikovski), Kreisler (Beethoven en Brahms), Heifetz (onder andere Tsjaikovski en Glazoenov) en Menuhin en Piatigorsky (Schumann). Zij spelen zoals de vocalisten zingen, of, zoals de Gramophone ooit onverbeterbaar over de jonge Rubinstein schreef, ‘with an outrageous disregard for safety'. Het enige verschil voor Barbirolli was niet de stap van vocalisten naar instrumentalisten maar van kleine naar grote vormen. Barbirolli was geen onopvallende begeleider, wel kneedbaar maar nooit onpersoonlijk.

Voordat Barbirolli begon te dirigeren, speelde hij cello in kamergezelschappen en orkesten; hij kende het orkest van binnenuit en genoot het respect van de orkestleden. Het Celloconcert van Elgar heeft hij uitgevoerd als orkestlid (onder de componist), als solist (volgens een recensent niet perfect maar wel plezierig) en als dirigent (met Jacqueline du Pré en André Navarra). In zijn naoorlogse opnamen met solisten (concerten van Brahms met Barenboim, van Beethoven met Katz, Tsjaikovski met Ogdon, liederen van Ravel en Berlioz met Baker, hoboconcerten met zijn vrouw Evelyn Rothwell en opera's en andere grootschalige vocale werken) is het orkest veel sterker aanwezig, al blijft hij een dirigent voor solisten, ook als de solist minder goed is dan hij. Zijn stempel was sterk genoeg om hen, minder goed dan hij, bijvoorbeeld Barenboim, beter te laten spelen dan gewoonlijk. Werkte hij met gelijken, dan is het resultaat superieur.

De weinige vooroorlogse opnamen in de box van orkeststukken geven aan waar zijn hart lag: een nadruk op het melodieuze, op een mooie orkestklank die best even in het zonnetje mag worden gezet en een precisie in ritme zonder dat het metronomisch wordt. In die vroege orkestopnamen domineert de Engelse muziek, om diverse redenen. Barbirolli was vóór 1940 nog een relatieve nieuwkomer, het Centraal-Europese repertoire was meer voor Beecham en dirigenten van het continent en Barbirolli was, misschien vanwege zijn Italiaanse afkomst en zijn poging te wortelen in Engeland, Engelser dan de Engelsen. Dat zou hij tot zijn dood blijven. Ook nadat hij zijn discografie van EMI mocht verbreden, bleef de Engelse muziek hoeksteen van zijn vastgelegde repertoire, met behalve aandacht voor de bekendere figuren als Elgar, Delius en Vaughan Williams ook voor componisten die vooral in eigen land een naam hebben zoals Bax, Balfe and Rubbra. In zijn jaren bij EMI, zeker na de oorlog (tot aan zijn dood vrijwel ononderbroken), was hij met Sir Adrian Boult de aangewezen dirigent voor dit repertoire.

Sir John Barbirolli in 1965

Zijn loopbaan speelde zich grotendeels af in Engeland (van 1943 tot zijn dood was hij dirigent bij het Hallé Orchestra in Manchester en soms stond hij voor andere orkesten). In deze fase van zijn carrière nam hij relatief veel korte werken op met een sterk populair en melodieus karakter, zoals die van Chabrier, Bizet, Rimsky-Korsakov, Suppé, Strauss, Mendelssohn en Tsjaikovski. Sommige stukken van deze en Engelse componisten nam hij meerdere malen op. Werken met buitenlandse orkesten na de oorlog deed hij pas goed in zijn laatste vijftien jaar; toen legde hij voor EMI werken vast die hij al zijn leven lang dirigeerde maar slechts zelden in de studio, zoals enkele symfonieën van Beethoven (met het Philharmonia) en alle symfonieën van Brahms (met de Wiener Philharmoniker). Mahler, een vrij late liefde van Barbirolli, kon hij opnemen omdat hij in de studio nauwelijks concurrenten had (zijn Vijfde en Zesde symfonie met het Philharmonia en vooral de Negende met de Berliner Philharmoniker zijn hoogtepunten in elke Mahler-discografie).

Al eerder kreeg hij de gelegenheid zijn levenslange liefde voor Sibelius te vereeuwigen. Diverse symfonieën en enkele korte orkestwerken nam hij meerdere malen op en de cyclus met alle symfonieën, gemaakt vlak voor zijn dood, is een van de hoogtepunten van de box (ook elders uitgebracht). Het is van deze uitgave ook een van de meest persoonlijke opnamen. In alles wat hij dirigeerde (en in Sibelius kon hij zich wat dat betreft helemaal uitleven) zocht hij de weidsheid, de sensualiteit van de klank zonder wulps te worden, het vocale in de instrumentale lijn en het vermogen details te belichten binnen de vorm. Vandaar was het geen grote stap naar die laat-romantici die wel worstelden met zichzelf en de klassiek-romantische stijl (Nielsen, Strauss en de nog tonale Schönberg) maar de fundamenten ervan in wezen intact laten; vrijwel al deze opnamen dateren uit zijn laatste decennium, evenals al zijn opnamen van complete opera's (Otello, Madame Butterfly en Dido and Aenaes).

Muziek van na Schönbergs Pelleas und Melisande heeft hij vrijwel niet opgenomen; het modernste niet-Engelse werk in de box is Stravinsky's Concert in D voor strijkorkest, een van zijn meest gematigde en schijnbaar zeer klassieke werken. De vertegenwoordigde recente Engelse componisten zijn meer Engels dan eigentijds. Volgens vrienden van de dirigent bleef JB, zoals zij hem noemden, tot aan zijn dood een overtuigd Edwardian (Edward VII overleed in 1910).

Barbirolli had de opvatting dat in elke compositie sprake is van één hoogtepunt naast eventueel ook kleinere. Die opvatting lichtte hij niet toe, maar ze doet denken aan de vergelijkbare uitspraak van Bernard Haitink die zich daarbij liet inspireren door de muziektheoreticus Heinrich Schenker. Of Barbirolli ook iets met Schenker had weet ik niet (het tekstboekje bij de cd-box laat weinig los over zijn voorbeelden; hoe Barbirolli ermee omging is ook veel interessanter). In ieder geval verklaart het waarom net als bij Haitink alle opnamen van Barbirolli getuigen van een rijke klank in de details en een magistrale greep op het geheel, ook als hij afwijkt van de voorschriften van de componist.

Het nadeel van ware grootsheid is dat het onnavolgbaar is. Met zijn liefde voor Mahler was hij destijds in Engeland vrijwel een uitzondering (er bestaan helaas nauwelijks opnamen van Mahler met Boult), al was hij daarin wel een voorbeeld voor Sir Simon Rattle. In zekere zin dirigeerde hij Mahler zoals hij de Engelsen dirigeerde: zonder opgelegde pathetiek , met een ijzeren greep en de prachtigste orkestrale kleuren. Met zijn liefde voor Sibelius stond hij niet alleen (Beecham en Davis deelden zijn voorkeur), maar zelden klonken de symfonieën zo sensueel, een kwaliteit die men nauwelijks hoort in zijn vertolkingen van Mozart en Beethoven. Ook in de symfonieën van Brahms, de orkestwerken van Debussy en de muziek van Grieg en Nielsen was hij veel zwieriger en voluptueuzer dan de meeste van zijn collega's. Waarschijnlijk was zijn repertoire in de zaal breder dan in de studio (al zijn Bruckner-opnamen zijn ‘live', vooral de Achtste deed hij geweldig).

Het voordeel van ware grootsheid is dat men zich op een gegeven moment niet meer bekommert om iemands plaats in de geschiedenis.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links