CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2019

 

Ysaÿe: Sonates voor viool solo op. 27 nr. 1-6

Sonate nr. 1 in g (Joseph Szigeti) - nr. 2 in a (Jacques Thibaud) - nr. 3 in d (George Enescu) - nr. 4 in e (Fritz Kreisler) - nr. 5 in G (Mathieu Crickboom) - nr. 6 in E (Manuel Quiroga)

Ysaÿe: Étude poème op. 9* (opnamepremière)

Noé Inui (viool), Mario Häring (piano)*
Ars Produktion ARS 38 269 • 68' • (sacd)
Opname: november 2018, Kulturzentrum Immanuel, Wuppertal (D)

 

Het is niet overdreven om de Belgische componist en violist Eugène Ysaÿe (1858-1931) op het podium de rol van de twintigste-eeuwse Nicolò Paganini (1782-1840) toe te dichten, de Italiaanse duivelskunstenaar (afbeeldingen van hem lijken het eveneens te bewijzen) op de viool die zijn publiek in vervoering bracht met de meest onwaarschijnlijke technische hoogstandjes. Met dien verstande dat anders dan zijn grote voorganger Ysaÿe van zijn overvloedige muzikale talenten nooit een circusact maakte. Wel een uiterst creatieve musicus die fonkelende virtuositeit tot een belangrijke hoeksteen van zijn artisticiteit maakte. Geen wonder dat hij ook in composities het technisch raffinement tot een ware kunst verhief.

 
 
Eugène Ysaÿe

Kinderviool
Het valt nauwelijks voor te stellen dat hij al op zijn zevende werd toegelaten tot het conservatorium in Luik. Als volwaardige leerling welteverstaan, ondanks zijn dan nog veel te korte armpjes en te kleine handjes die hem het spelen op een volwassen viool onmogelijk maakten. Men zal daar dus raar hebben opgekeken van die dreumes met zijn kinderviool, maar lang zal die verbazing niet hebben geduurd, want zijn grote talent was net zo onmiskenbaar als de prijzenregen die daarvan het gevolg was. In 1876 kwam voor Eugène een belangrijk vervolg, toen hij als inmiddels achttienjarige in Parijs ging studeren bij niemand minder dan Henri Vieuxtemps, de befaame Franse violist en componist. Het duurde niet lang alvorens zijn eerste professionele aanstelling volgde: concertmeester bij het Bilse-Orchester in Berlijn. Daar hoort een andere beroemde violist, Joseph Joachim, een goede vriend van Brahms, hem voor het eerst en raakte prompt van Ysaÿe's grandioze spel ondersteboven.

Kentering
Een belangrijke plaats in het muzikale leven van Eugène Ysaÿe werd jarenlang ingenomen door de Russische componist en pianist Anton Gregorjevitsj Rubinstein, met wie hij een duo vormde dat overal in Europa en met groot succes optrad. Later zou hij zeggen dat het niet zijn leraren waren die hem de weg naar de meest uitgelezen vertolkingskunst wezen, maar uitgerekend een pianist…

Het virtuoze karakter van zijn muziek is weliswaar gebleven, maar toch tekende zich een belangrijke kentering af in de vorm van een verdieping zoals hij die had aangetroffen bij collega's als D'Indy, Fauré, Chausson en Franck. Ysaÿe had het zich vast voorgenomen: hij wilde aan het diepere wezen van de muziek raken. Zo voelde hij het tenminste en mogelijk bracht dit ook een zekere mate van wederkerigheid op gang. Immers, Chausson droeg zijn Poème aan hem op, Franck zijn Vioolsonate en Debussy zijn strijkkwartet. Een belangrijke uiting van waardering door vakcollega's zogezegd, maar ongetwijfeld ook voor zijn spel, dat Carl Flesch eens betitelde als dat van de ‘meest persoonlijke' violist.

Bach
De zes sonates voor viool solo droeg Ysaÿe op aan een aantal andere grote violisten: respectievelijk Joseph Szigeti, Jacques Thibaud, George Enescu, Fritz Kreisler, Mathieu Crickboom en Manuel Quiroga. Dat was de uiterlijke kant, want er was ook een innerlijke en misschien wel de belangrijkste drijfveer voor deze composities: de sonates en partita's voor viool solo van Bach, een componist waarvoor Ysaÿe grote bewondering had.

Weerbarstig
Natuurlijk zijn de zes sonates van Ysaÿe uitermate weerbarstige materie door de vele buitengewoon lastige dubbelgrepen, parallellen, akkoorden, octaafsprongen en wat al niet meer, wat zich op het concertpodium nog veel moeilijker laat realiseren dan in de rust van de opnamestudio, waar de musicus zich bovendien verzekerd weet van de mogelijkheid tot correctie; desnoods vele malen achtereen. Dat biedt een vorm van zekerheid die interpretatief vleugels kan geven. Deze sonates zijn ware 'vechtstukken' die zich qua moeilijkheidsgraad kunnen meten met de capriccio's van Paganini, de sonates en partita's van Bach en natuurlijk de solosonate van Bartók. Hoewel sommige eigentijdse componisten het in dit opzicht nog bonter hebben gemaakt…

Verdieping
Hoe technisch ook, Ysaÿe heeft wel degelijk naar muzikale verdieping gestreefd, mede door het exploreren van de meerstemmige eigenschappen van het instrument, een heel aparte 'kunst' die we al bij Bach aantreffen. Ysaÿe moet hebben beseft dat zeker in solostukken het technische aspect, de dominantie ervan, nooit en te nimmer voldoende muzikale bevrediging kan geven en dat zeker de kenner (daaronder in de eerste plaats de uitvoerende musicus zelf!) diepere expressieve lagen willen aanboren. Dat is Ysaÿe met vlag en wimpel gelukt, maar wat deze sonates nog eens extra aantrekkelijk maakt is de door de componist ongetwijfeld bewust ingevlochten suggestie van de improvisatie, waardoor de muziek zich als het ware aan haar gegeven vorm lijkt te willen onttrekken.

Afwisselend
Het onderscheid tussen gekunsteldheid en ware kunst is meestal niet zo moeilijk te maken en daar maken deze zes sonates geen uitzondering op: ze vallen in de laatste categorie door hun afwisselend episch en lyrisch, uitbundig en introvert karakter, met de spanningsbogen meesterlijk gedoseerd en contrastrijk door de tegenstelling tussen virtuositeit en ragfijne finesse. Waarbij het geen verschil maakt of in de hoofdvorm of in de vorm van een ballade (op. 27 nr. 3) is gecomponeerd: het is de bekoring van het discours die haar eigen kleurrijke taal spreekt.

Betovering
Hoe bijzonder is dat vaak niet in de muziek: dat eerst grote technische obstakels moeten worden overwonnen alvorens de weg vrij komt naar de betovering, die dan prompt boekdelen spreekt! We vinden het niet alleen in deze zes sonates, maar ook in de ‘Étude poème', een ware oefening in geconcentreerde dichterlijkheid, in een miniatuur van niet meer dan vier minuten, waarvoor speciaal de (uitstekende!) pianist Mario Härring werd aangetrokken.

Belangrijke toevoeging
Deze ‘Étude poème' blijkt ondanks de korte speelduur wel degelijk van belang. Ysaÿe schreef er in totaal vier, tussen juni 1900 en september 1901, waarvan er na zijn dood drie in druk verschenen. De vierde, het in dit album voor het eerst opgenomen op. 9, door de componist opgedragen aan Louis Siegel, bleef echter om nog steeds onopgehelderde redenen ongepubliceerd. Wel staat vast dat Ysaÿe het werk in de zomer van 1900 heeft gecomponeerd en samen met de pianist Raoul Pugno enige maanden later voor het eerst ook heeft uitgevoerd, op 17 oktober in Kopenhagen. Een maand later noteerde de componist bij de openingsmaten van het werk: ‘Le mesure n'est pas la vie dans la musique. La vie, c'est le rythme est la négation de la mesure rectiligne' (‘de maat is niet de levensader in de muziek. De levensader is ritme, en ritme is de ontkenning van het strikt gehoorzamen aan de maat'). Misschien ligt dit een tipje van de sluier op van de reeds genoemde suggestie van improvisatie, van vrijheid die de vastgelegde vorm lijkt te overstijgen. Het is hoe dan ook tevens een belangrijke aanwijzing voor iedere interpreet die zich met deze stukken bezighoudt.

Noé Inui
Een van die hedendaagse vertolkers (de rij wordt steeds langer!) is Noé Inui, in 1985 in Brussel uit Grieks-Japanse ouders geboren, op 16 juli, de geboortedag van Ysaÿe. Inui is prijswinnaar van onder meer het Sibelius Concours (Helsinki, 2005), de Young Concert Artists International Auditions (New York, 2009) en de Prix d'Excellence Julius Bär (Verbier, 2012). Wie zijn spel nog niet eerder heeft gehoord moet dan wel denken: dat moet een zeer getalenteerde violist zijn en jal, dat is ook zo.

Eigenzinnig
De door de voortschrijdende globalisering bijna vloeibaar geworden muziekwereld heeft er dus een belangrijk talent bij. Hij bewees dat wat mij betreft al eerder in een Navis-opname met vioolsonates van Robert Schumann en Richard Strauss (hier besproken), toen begeleid door de pianist Vassilis Varvaresos. Inui behoort tot de kleine groep topmusici die weinig opheeft met de diep gewortelde uitvoeringstradities zoals die worden doorgegeven door de oudere generatie docenten. Terwijl ze evenmin iets moeten hebben van het stilistisch allegaartje dat op de conservatoria tot norm is verheven. Tonen van het eigen (muzikale) karakter, van een zekere mate van eigenzinnigheid, daar gaat het ze om, overigens – hoe kan het ook anders – met wisselend resultaat (dat is nu juist de aantrekkelijkheid ervan). Al moeten we anderzijds wel de waarheid onder ogen zien: dat nog steeds veel opnamen worden uitgebracht van volkomen plat gespeeld repertoire door jonge musici die zich niet serieus genoeg lijken te hebben afgevraagd wat ze met hun nieuwe album nu eigenlijk toevoegen aan datgene wat er allang is; in een kwaliteit die op zijn best geëvenaard kan worden, laat staan te overtreffen valt. Voor mij valt het lastig te begrijpen waarom – ik noem een willekeurig voorbeeld – een jonge pianist voor de zoveelste keer het platgetreden pad bewandelt terwijl bijvoorbeeld solowerken van Midden-Europese componisten nog steeds braakliggend terrein zijn (waar wonderbaarlijk mooie werken tussen schuilen).

Eigen visie
Dat ligt bepaald anders met deze solowerken van Ysaÿe, die weliswaar bepaald niet voor het eerst zijn vastgelegd, maar waarvan (nog) een nieuwe opname zeker meer dan welkom is en eens te meer als deze zeer facetrijke stukken worden gepresenteerd door een musicus die slaafse navolging uit de weg gaat.

Dat blijkt niet alleen uit de manier waarop Inui de door de componist gesuggereerde, improvisatorische kanten van deze muziek belicht, maar ook uit zijn aanstekelijke spiritualiteit en verbeelding, gevat in een uiterst transparante, soepele speelstijl. Het gevarieerde, uitgelezen klankpalet suggereert menigmaal dat meerdere instrumenten aan het woord zijn. Maar er is meer, zoals de scherp aangezette contrasten, de fenomenale afbeelding van het expressieve discours en daarbij de bereidheid om risico's te nemen. Het is meer dan bewonderenswaardig. Inui maakt deze prachtige stukken zonder meer het hof, hij maakt diepe buigingen, maar zorgt ook voor opwinding en diep gevoelde lyriek. Vertolkingen ook die ver boven de techniek staan (waarvan hij bij zijn leraren Jacques Dupriez en Carlo Van Neste veel moet hebben opgestoken). Hier munt alles tezamen uit in een naadloos samenspel tussen geest en materie in een opname om de vingers bij af te likken.

Tot slot nog een historische bijzonderheid: naast een replica van de E-snaar 'Ysaÿe' ('chanterelle') is voor deze opname een strijkstok gebruikt uit Ysaÿe's privécollectie, vervaardigd door Eugène Nicolas Sartory (1871-1946). De speciaal gegraveerde strijkstok was een kerstgeschenk van de Belgische koningin Elisabeth aan haar vioolleraar Ysaÿe. Er staat de datum van 24 oktober 1929 in gegraveerd, met de toevoeging 'Elisabeth à son cher Maître'. Van de viool zelf wordt in het boekje geen melding gemaakt, maar Nui speelt op een Tomasso Balestrieri uit 1764.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links