CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

De Wert: Divine Theater - Sacred Motets

Gaudete in Domino a 5
Hoc enim sentite in vobis a 5
Saule, Saule a 8
Vox in Rama audita est a 5
Amen, amen dico vobis a 5
Egressus Jesus a 7
Peccavi super numerum a 6
O Crux ave, spes unica a 5
Ascendente Jesu in naviculam a 6
Virgo Maria hodie ad coelum a 6
Quiescat vox tua a ploratu a 6
Deus iustus, et salvans a 6
O altitudo divitiarum a 6

Stile Antico: Helen Ashby, Kate Ashby, Rebecca Hickey (sopraan), Emma Ashby, Eleanor Harries, Katie Schofield (alt), Jim Clements, Andrew Griffiths, Benedict Hymas, Ashley Turnell (tenor), Will Dawes , Thomas Flint, Matthew O’Donovan (bas)

Harmonia Mundi HMM807610 • 68' •

Opname: maart-april 2016, All Hallows' Church, Gospel Oak, Londen

   

We weten weinig van Giaches de Wert. Zijn geboortejaar staat vast, 1535, maar niet waar hij levenslicht zag, in Antwerpen of in Gent, maar mogelijk ook een klein plaatsje daar ergens tussenin. Een rasechte Vlaming, dat wel, maar hij was nog maar een kind toen hij door een korist van de markies (marchesa) van Padulla meegenomen werd naar Italië en zijn geboorteland nooit terug zou zien. Deze niet geringe ingreep in zijn jonge leven moet iets te maken hebben gehad met zijn toen al geopenbaarde zangtalent en muzikaliteit. Of hij ermee ingenomen was blijkt nergens uit, maar zijn ouders zullen die stap zeker hebben aangemoedigd, zo niet bewerkstelligd. Het heeft hem in zijn verdere leven evenwel geen windeieren gelegd. Hij was nog geen adolescent toen het volgende levensstation zich alweer aandiende: Novellara, waar de welgestelde familie Gonzaga huisde en over Mantua heerste. Daar, maar ook in in het nabijgelegen Ferrara maakte hij kennis met de grandioze kerkmuziek, die door de jaren heen zowel financieel als muzikaal sterk was gestimuleerd door het puissant rijke Huis van Este. Zo was het in die tijd, met de vele vorstenhuizen en andere prinsdommen die een ware steunpilaar vormden voor de schone kunsten en zowel beeldende kunstenaars als componisten en musici van heinde en verre aantrokken. In Ferrara was het ook de madrigalist Cipriano die een belangrijk stempel zou drukken op de ontwikkeling van de madrigaalkunst van De Wert. Cipriano (zijn oorspronkelijke naam luidde Cyprien De Rore) was De Werts landgenoot. Hij was vanuit het Vlaamse Ronse naar Italië gegaan om daar zijn kunstzinnnige polyfonie te beproeven. Hij gold als een belangrijke representant van de typisch Nederlandse polyfonisten waarvan een aantal zich na Josquin Desprez over Italië hadden verspreid en die tijdens de renaissance van grote invloed waren op de madrigaalstijl, met Cipriano als een van de belangrijke exponenten. Het was Cipriano die de jonge De Wert inwijdde in het ravissante karakter van de madrigaalkunst.
De Wert bleef, op een incidenteel wat langer uitstapje naar Milaan na, tot zijn dood in 1596 trouw aan het hof van Mantua. In 1565 werd hij daar door hertog Guglielmo Gonzaga benoemd tot 'maestro di cappella'. Zijn werkterrein werd de zojuist gebouwde kapel van Santa Barbara. De Wert onderhield vanaf het midden van de jaren tachtig echter ook nauwe muzikale banden met het hof van Ferrara, waar het bruisende attistieke leven hem een uiterst welkome afwisseling bood. En zeker vergeleken met het nogal drukkende sociale klimaat in Mantua: de Gonzaga's stonden niet te boek als ruimdenkende werkgevers.

De Werts grote kracht was de vocale polyfonie. Dat werd niet alleen door zijn tijdgenoten herkend, maar het vestigde ook zijn reputatie tot ver na zijn dood. Ook Claudio Monteverdi moet ervan onder de indruk zijn geweest. Tijdens De Werts latere jaren aan het hof van Mantua was daar ook Monteverdi, die De Wert later met name noemde als lichtend voorbeeld voor de 'seconda prattica' (of 'stile moderno'). Evenals De Wert eerder werden ook de Gonzaga's uit Mantua Monteverdi's broodheren. En ook Monteverdi moet moeite hebben gehad met het sociale klimaat in Mantua, getuige een aantal brieven waaruit blijkt dat favoriete hofzangers zelfs aanzienlijk beter werden betaald dan de 'maestro di cappella'.

De ontwikkeling van vocale polyfonie en dan met name de madrigaalkunst ging terug naar het Italië van de twaalfde eeuw, toen reeds sprake was van meerstemmige muziek. De rijkdom van de polyfonie in zowel liturgische als seculiere muziek kwam echter pas tussen 1300 en 1600 tot volle bloei. Het was de Italiaanse componist en muziektheoreticus Marchetto da Padova (Marchettus van Padua) die rond 1315 de notatie van tijdwaarden in het muziekschrift introduceerde en zowel de verschillende modi nader definieerde als de stemming verfijnde. Het was ook Marchetto die voor het eerst de chromatiek aan de orde stelde. Zijn theoretische werken Lucidarium in arte musice plane en Pomerium in arte musice mensurate uit circa 1318 vormen daarvan weerslag.

Men mag van een kruisbestuiving spreken toen het centrum van de liturgische polyfonie zich geleidelijk naar de Nederlanden verplaatste en aldus Nederlandse componisten en kapelmeesters nieuwe inspiratiebronnen bracht. Zij op hun beurt manifesteerden zich met hun doorwrochte en complexe polyfone bouwsels aan de grote Italiaanse hoven (onder andere die van Florence, Mantua, Rimini en Milaan), maar ook in de Vaticaanse Sixtijnse kapel. Daarbij stond de kunst van het polyfone componeren centraal en niet de goede verstaanbaarheid van de gezongen (liturgische) tekst, hetgeen vooral van kerkelijke zijde tot forse kritiek leidde: het ingewikkelde stemmenweefsel verhulde de liturgische boodschap. Dit zette de accentuering in gang, het benadrukken van de liturgische tekst middels ten minste één stem, waardoor de verstaanbaarheid was gewaarborgd. Deze ontwikkeling zette zich ook voort in de seculiere muziek en daarvan is dan het madrigaal het uitgelezen voorbeeld, een muziekvorm die in de zestiende eeuw door de grootmeesters op dit gebied, waaronder ook Gesualdo da Venosa en Claudio Monteverdi, tot grote hoogte werd gevoerd. Madrigalen waren er in alle maten en soorten, van erotisch getint tot verheven.

Hoezeer De Wert als componist door zijn omgeving op juiste waarde werd geschat blijkt eveneens uit de grote hoeveelheid kerkmuziek die tijdens zijn leven werd gepubliceerd, waaronder in 1581 drie verzamelingen motetten, waarvan er twee uitsluitend bestaan uit vijf- en zesstemmige a capella werken. Zij vormden de bron voor deze schitterende cd, met als voornaamste thema vreugde en verdriet, in een vernieuwend discours en in rijk getoonzette afwisseling, hier door Stilo Antico werkelijk voorbeeldig gepresenteerd. Aan de al in voorgaande recensies bezongen kwaliteiten van dit vocale ensemble kan ik nauwelijks nog iets toevoegen. De stilistische kenmerken getuigen van een diepgaand inzicht in deze spirituele materie, de stemvoering is exemplarisch strak en streng (de expressie moet niet worden aangedikt maar dient vooral te komen van de harmonische verschuivingen en niet van de quasi diepzinnigheid die ten onrechte voor 'muzikaliteit' wordt versleten) en van een bijzondere schoonheid, terwijl de geprofileerde retoriek getuigt van sublieme tekstbeleving. De akoestische eigenschappen van All Hallows' Church bewijzen zich wederom als ideaal voor deze schitterende a capella zang. Al met al een groots panorama dat zich ontvouwt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links