CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2008


 

Wagner/De Vlieger: The Ring, an orchestral adventure (1992).

Wagner: Siegfried-Idyll.

Royal Scottish National Orchestra o.l.v. Neeme Järvi.

Chandos CHSA 5060 • 76' • (sacd)

www.henkdevlieger.nl

 


Henk de Vlieger (Schiedam, 1953) studeerde aan het Rotterdamse conservatorium slagwerk bij Willem Heesen en compositie bij Theo Loevendie en Klaas de Vries. In 1976 volgde zijn benoeming als slagwerker 'in algemene dienst' bij onze diverse omroeporkesten. Van 1987 tot 2002 was hij eerste slagwerker bij het Radio Filharmonisch Orkest, waaraan hij nog steeds verbonden is.

Als soloslagwerker was hij onder meer te horen in 'Concerto pour batterie et petit Orchestre' van Darius Milhaud, in Olivier Messiaens 'La transfiguration de notre seigneur Jésus Christ' en 'Saint François d'Assise', Toru Takemitsu's 'From me flows what you call time' and het 'Manhattan Concerto' van Siegfried Matthus.

De Vlieger heeft een groot aantal composities en arrangementen op zijn naam staan, waaronder veel theater- en filmmuziek, allerhande bewerkingen voor slagwerkgroepen (ronduit spectaculair is zijn instrumentatie van Modest Moesorgski's 'Schilderijententoonstelling' voor uitgebreid slagwerkorkest). Hij is de auteur van het 'Handbook for the orchestral percussion section', waarin het aandeel en de opstelling van het slagwerk in zo'n 2000 orkestwerken wordt beschreven. Het in 2003 verschenen boek (gebonden, 266 pagina's) kan desgewenst worden besteld bij verkoop@albersen.nl of anders via de website www.albersen.nl.

Hij componeerde ook typische gelegenheidswerken, zoals het orkestwerk 'De overwinning' voor de opening van het stadion De Arena in Amsterdam (1996) en 'Finale Festivo' voor carillon en orkest ter gelegenheid van het jubileumconcert voor koningin Beatrix op 29 april 2005 op de Dam in Amsterdam.

Op verzoek van het Radio Filharmonisch Orkest en zijn toenmalige chefdirigent Edo de Waart stelde De Vlieger een aantal 'orchestral adventures' samen van opera's van Richard Wagner, zoals ook de op de nieuwe Chandos-uitgave uitgebrachte uit 1991 stammende compilatie van de tetralogie Der Ring des Nibelungen.

Op zijn site www.henkdevlieger.nl is o.a. een discografiisch overzicht te vinden van de op cd vastgelegde bewerkingen als een indrukwekkende lijst met opnamen waaraan De Vlieger als slagwerker heeft meegewerkt.

 
  Henk de Vlieger

Het orkestrale avontuur

Zowel de Ring-tetralogie als Parsifal en Tristan und Isolde lenen zich uitstekend voor een 'opera zonder woorden', mits de nadruk niet komt te liggen op de spectaculaire delen. Het gaat immers om een zinvolle symfonische structuur die wordt opgebouwd vanuit het symfonische karakter van de desbetreffende opera of, zoals in dit geval, van Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: Wagners veelvuldige gebruik van 'Leitmotive' lijken voldoende houvast te bieden, maar toch is dat niet het geval. Immers, de 'Leitmotive' worden door de gehele Ring heen pluriform toegepast, ze worden voortdurend verder ontwikkeld én ze breiden zich uit. Vanuit hun kiemcel, hun oorsprong worden ze als het ware steeds weer opnieuw bevrucht, zowel in melodisch en harmonisch als in ritmisch opzicht. Dat de Ring uiteindelijk uit vier opera's bestaat is vanzelfsprekend geen toeval, maar het hadden er evengoed vijf of zelfs nog meer kunnen zijn: Wagner bewees met zijn Ring dat hij een alsmaar uitdijend muziekdramatisch universum kon scheppen waarover hij in ieder denkbaar opzicht volledig heer en meester was. Het ligt voor de hand dat het voornaamste kenmerk van dat meesterschap gezocht moet worden in het alles overheersende symfonische fundament waarop deze muziek uiteindelijk rust. Wagners 'Gesamtkunstwerk' heeft grootse symfonische allure, die onafhankelijk van de gebeurtenissen op het toneel volledig overeind blijft, wat van bijvoorbeeld Webers Der Freischütz, Verdi's Il trovatore, Puccini's La fanciulla del West of Donizetti's L'Elisir d'amore met geen mogelijkheid kan worden gezegd. Sommige visueel statische monologen en dialogen in de Ring (en niet alleen daar) leveren in dit opzicht minder spanning op dan de muziek zelf. De kracht van Wagners epische muziekdrama's schuilt in het abstracte en denkbeeldige dat in symfonische proporties verankerd is, maar anderzijds geheel open ligt.

Uiteraard was het voor De Vlieger zoals voor iedereen een onmogelijke opgave om vier volwassen opera's (al is Das Rheingold in deze context niet meer dan een eenakter, de vooravond van de tetralogie) in ongeveer een uur samen te vatten. Nee, het ging hem erom een vloeiend exposé in fascinerende orkestrale kleuren te gieten. Dus geen moeizaam geconstrueerde lappendeken die geen recht doet aan Wagners geniale conceptie. De Vlieger werd daarbij door Wagner zelf geholpen: de componist behandelde het vocale en het orkestrale discours immers gelijkwaardig, hetgeen het voor De Vlieger gemakkelijker maakte om de noodzakelijke overgangen daarvan af te leiden.

Zeventien uren Ring kan niet worden omgezet naar ruim één uur. Uiteraard heeft De Vlieger dat ook niet nagestreefd. Zijn uitgangspunt was een symfonie waarvan de vier delen zonder merkbare onderbreking aan elkaar moesten worden 'gesmeed' en waarbij iedere schijn van een potpourri moest worden vermeden. Wie vindt dat Wagners Ring op deze wijze ten offer is gevallen aan De Vliegers fileermes mist de pointe van deze exercitie: het is een zelfstandig orkestwerk dat in de concertzaal en niet in het theater thuishoort. De ingrediënten zijn weliswaar rechtstreeks uit Wagners keuken afkomstig, maar de door De Vlieger gebrouwen maaltijd staat desondanks geheel en al op zichzelf. Misschien is het wel het grootste compliment voor De Vlieger dat hij erin is geslaagd een samenvatting te concipiëren die van begin tot eind een ijzersterke indruk maakt, zowel op degenen die de Ring niet als op degenen die de Ring wèl kennen. Dat was al zo toen de eerste opname van dit 'avontuur' verscheen (Radio Fil o.l.v. Edo de Waart op RCA 74321 47842).

Collega Maarten Brandt verzorgde de tekst voor het cd-boekje (hulde aan Chandos dat deze ook in het Nederlands is afgedrukt!). Hij merkte o.a. op: "Muziek uit Das Rheingold - beginnende met het imposante uit de diepte opborrelende voorspel en culminerend in 'Einzug der Götter in Walhall' - kan worden gezien als het uitgebalanceerde openingsdeel. De muziek uit Die Walküre - met vanzelfsprekend elementen uit de 'Walkürenritt' en uitmondend in 'Feuerzauber' - doet voor een belangrijk deel aan de opzet van een scherzo denken, terwijl de drie episodes uit Siegfried - met 'Waldweben' en 'Brünnhildes Erwachen' - het lyrische langzame gedeelte opleveren. De Vlieger heeft zich voorts gerealiseerd dat Götterdämmerung behalve de dramatische ontknoping een immense recapitulatie van al het voorgaande behelst. Daarom is de muziek die hieruit afkomstig is, het meest uitgebreid. Niet alleen omvat de grandioze finale van deze Ring-symfonie 'Siegfrieds Rheinfahrt' en de befaamde 'Trauermarsch', ook heeft De Vlieger de grote liefdesscène uit de proloog, het neersteken van Siegfried door Hagen en 'Brünnhildes Opfertat' (het eigenlijke slot van de tetralogie) in zijn meeslepende Adventure betrokken. Het zowel paradoxale als fenomenale is nu dat De Vliegers adaptatie in weerwil van Wagners openvorm-concept uiteindelijk toch een gesloten impressie achterlaat." Eigenlijk valt daaraan niets meer toe te voegen.

Dan de orkestbezetting van Adventure: 3 fluiten, 3 hobo's, Engelse hoorn, 3 klarinetten, basklarinet, 3 fagotten, 8 hoorns (incl. 4 Wagner-tuba's), 3 trompetten, bastrompet, 3 trombones, contrabastrombone, bastuba, uitgebreid slagwerk (2 paukenisten en 3 slagwerkers), 6 (2) harpen, eerste en tweede violen, altviolen, celli en contrabassen.

De idylle

Dat moet het geweest zijn, op de zonnige ochtend van de Eerste Kerstdag 1870, op de trappen van het prachtige buitenverblijf van de Wagners, 'Wahnfried' in Tribschen, aan de oevers van het meer van Luzern. Dirigent Hans Richter, Wagners assistent, had de Siegfried-Idyll in het geheim met een bij elkaar getrommeld ad hoc orkestje van 13 musici (ze speelden in het Tonhalle Orchester in Zürich) ingestudeerd en zo kwam het dat de milde klanken de vroege ochtend vulden en de echtelijke slaapkamer bereikten.

Het was Wagners dankbetoon aan zijn kersverse eega Cosima (die op 25 december jarig was), de dochter van Franz Liszt, die in 1869 het leven had geschonken aan Siegfried, hun eerste zoon en het derde kind. Toen was Cosima nog getrouwd met de dirigent Hans van Bülow, maar in 1870 was de scheiding een feit en trouwde zij met Richard Wagner.

Aan het slot van deze serenade voor 13 musici (hobo, 2 klarinetten, fagot, 2 hoorns, trompet, 2 violen, 2 altviolen, cello en contrabas) had de componist een korte passage voor een tweede altviool ingelast. Het lijkt onwaarschijnlijk dat voor die basale zeven maten een aparte altviolist (aldus de dertiende musicus van het ensemble) zal zijn aangetreden. Eerder ligt het voor de hand dat dat Richter, die met de hoorn, de trompet en de viool goed overweg kon, zelf de trompetpartij voor zijn rekening heeft genomen. Het stuk is zo gecomponeerd dat hij zijn blaasinstrument tijdig voor de altviool kon inruilen.

Wagner leefde op nogal grote voet en dat had zijn financiën behoorlijk aangetast. Geen wonder dus dat hij deze eigenlijk alleen voor zijn Cosima bestemde manuscript door zijn muziekuitgever liet publiceren. Eerst toen kreeg het de titel Siegfried-Idyll (de Wagners hadden het stuk steevast 'Treppenmusik' genoemd). Het opus bevat een citaat uit de gelijknamige opera (het 'ewig' motief uit de derde akte), maar er zijn ook fragmenten uit het onvoltooid gebleven strijkkwartet uit 1864 in terug te vinden. Meestal wordt het in grote bezetting uitgevoerd, wat het intieme karakter ervan vrijwel geheel teniet doet.

Uitvoering

Wat de Adventure betreft haalt zowel de uitvoering onder Edo de Waart als die onder Neeme Järvi niet het uiterste uit deze kleurrijke partituur. Bij De Waart is het belangrijkste manco de onscherpe profilering door de diffuus klinkende opname, bij Järvi de wel erg bezadigde opbouw van de climaxen en de te snelle tempi (zoals in Brünnhildes 'Opfertat'). De 'Trauermusik' mist spanning, in 'Brünnhildes Erwachen' is Järvi's aanpak uitgesproken nuchter.

De Siegfried-Idyll lijdt eveneens onder de vlotte tempi. Bij Järvi is het al na vijftien minuten voorbij, terwijl bijvoorbeeld Bruno Walter met het Columbia Symphony Orchestra (Sony) drie (hier kostbare!) minuten meer nodig heeft. Järvi differentieert onvoldoende tussen 'ruhig bewegt' en 'leicht bewegt'.

De opname werd begin augustus 2007 gemaakt in Glasgow, in the Royal Concert Hall, en biedt een geweldige, presente orkestklank, zowel in surround als in stereo. Producer Brian Couzens en geluidstechnicus Ralph Couzens slagen er steeds opnieuw in prachtige opnamen af te leveren.

Wie in de partituur van Adventure is geïnteresseerd: die is verkrijgbaar bij Schott in Mainz.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links