CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2022

Elegie - Trio Arriaga

Tsjaikovski: Pianotrio in a, op. 50

Sjostakovitsj: Pianotrio nr. 2 in e, op. 67

Trio Arriaga: Daniel Ligorio (piano), Juan Luis Gallego (viool), David Apellániz (cello)
Eudora EU-SACD-2201 • 73' •
Opname: aug. 2020, Sala Mozart, Auditorio de Zaragoza (Spanje)

   

Tsjaikovski componeerde slechts één pianotrio, maar het mondde wel uit in een kolossaal werk. Het openingsdeel (Pezzo elegiaco, moderato assai) neemt door de bank genomen maar liefst zo'n achttien minuten (in deze Spaanse uitvoering twintig) in beslag, terwijl het tweede en tevens laatste deel (Tema con variazioni ) op zo'n halfuur (hier zevenentwintig minuten) wordt geklokt.

De componist schreef het tweedelige opus in Rome, in de winter van 1881/82, postuum opgedragen aan de op 23 maart 1881 in Parijs aan zijn vriend, de aan tuberculose gestorven componist en pianist Nikolaj Grigorjevitsj Rubinstein, de jongere broer van Anton Rubinstein. Het bijschrift luidde: À la mémoire d'un grand artiste.

Vijftien jaar eerder had Nikolaj Grigorjevitsj de vijf jaar jongere Tsjaikovski vanuit Sint-Petersburg naar Moskou gehaald om aan het pas in het leven geroepen conservatorium muziektheorie en harmonie te doceren. Tsjaikovski trok bij Rubinstein in, wat het begin inluidde van een warme en intieme vriendschap. Over de bijzetting van zijn vriend in de kelders van de Russisch-Orthodoxe kerk aan de Parijse Rue Daru schreef Tsjaikovski aan zijn patronage en mecenas Nadesjda von Meck: 'De Kerk was tjokvol. Toen droeg men de kist naar de benedenkapel, waar ik hem voor de laatste keer zag. Hij was absoluut niet meer te herkennen. Mijn God, wat vreselijk zijn zulke minuten!' Het Pianotrio werd voor het eerst uitgevoerd op 23 maart 1882, precies op de dag dat Rubinstein een jaar eerder was overleden. De bijval in het Moskouse conservatorium moet volgens de overlevering enorm zijn geweest.

Sjostakovitsj' Tweede pianotrio dateert uit de oorlogsjaren 1943/44 waarin behoudens het sardonisch-bijtende en uiterst virtuoze tweede deel (een scherzo, allegro con brio) de gemoedsstemmingen binnen de perken blijven, al is de sombere ondertoon onmiskenbaar. Ook dit werk werd opgedragen aan een overleden vriend: Ivan Sollertinski, de artistiek leider van het filharmonisch orkest van Leningrad (het huidige Sint-Petersburg), docent aan het plaatselijk conservatorium en vooraanstaand muziekcriticus. De uiteindelijk in ongenade gevallen Sollertinski, door de Russische krant Pravda spottend betiteld als de ‘troubadour van het formalisme', overleed op 11 februari 1944 in het verafgelegen Novosibirsk. Waarom Sjostakovitsj in het slotdeel - en bepaald niet besmuikt - de typisch joodse klezmer heeft ingeweven, kan ik niet verklaren want Sollertinski had geen joodse achtergrond. Zijn vader, Ivan Ivanovitsj, stamde uit een familie van Russisch Orthodoxe priesters, terwijl zijn moeder Ekaterina Iosifovna Bobasjinskaja, voortkwam uit het adellijk geslacht van het Huis van Sas. Niet minder duidelijk spreekt uit deze muziek en de datering ervan dat de jobstijding van het overlijden van Sollertinski de componist moet hebben bereikt toen hij aan het slotdeel van dit Pianotrio werkte. Een andere belangrijke vriend van Sjostakovitsj, de schrijver Isaak Glikman, wijdde veel later nog speciaal een bundel ter nagedachtenis aan Sollertinski (in zowel Moskou als Sint-Petersburg gepubliceerd in 1974), waarin tevens een brief was opgenomen van Sjostakovitsj aan de auteur, speciaal gewijd aan ‘onze geliefde overleden vriend'.

Het is een al lang en breed achterhaalde gedacht dat niet-Russische musici zich in de Russische muziek minder goed thuis zouden voelen, idiomatisch steken zouden laten vallen, maar mogelijk zou toch nog hier en daar de gedachte kunnen postvatten dat dit idioom voor Spaanse musici (vraag me overigens niet waarom) niet of veel minder is weggelegd. Het Trio Arriaga (genoemd naar de jong gestorven Spaans-Baskische componist en violist Juan Crisóstomo Jacobo Antonio de Arriaga y Balzola, 1806-1826) rekent in ieder geval met een dergelijke gedachte overtuigend af, want als er al iets te duiden valt als ‘Russische (of Slavische) gloed', dan is dat in deze beide uitvoeringen, hoezeer de tijdvakken van het ontstaan van beide trio's ook uit elkaar mogen liggen, zonder meer manifest. Met daarbij de onmisbare toevoeging dat met overdreven passie, het onnodig aanzetten van accenten, frases of dynamiek, meestal het tegendeel wordt bereikt van wat de muziek in haar diepste wezen be(t)oogt. Een dergelijk ‘verwijt' valt het Trio Arriaga zeker niet te maken, nog eens aangevuld door de door dit drietal getoonde vormbeheersing (alleen al het openingsdeel van Tjaikovski's Pianotrio stelt wat dit betreft extreem hoge eisen). Terwijl die sterk Slavische ondertoon er wel degelijk is en de lyriek zich bijzonder fraai mag nestelen (wat van bijvoorbeeld het fameuze Beaux Arts en zelfs ‘ons' Storioni helaas toch niet in die mate gezegd kan worden). Ook de vereiste lichtheid wordt niet veronachtzaamd (zoals in de derde variatie in het tweede deel van Tsjaikovski's op. 50) De warme en transparante, door Gonzalo Noqué in de Mozart-zaal in het Spaanse Zaragoza gemaakte, opname is meer dan voortreffelijk, zoals in stereo als in surround. Altijd een lastige opgave bij het vastleggen van een pianotrio.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links