CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2020

Schubert: Pianosonate in G, D 894 - in c, D 958

Adam Laloum (piano)
Harmonia Mundi HMM 902660 • 73' •
Opname: oktober 2019, Église luthérienne du Bon Secours, Parijs

   

Het valt niet alleen in de muziek van Schubert op: dat pas in de latere werken het ware meesterschap wordt bereikt. De voor de hand liggende voorbeelden zijn de groots opgezette ‘Wanderer-Fantasie' en natuurlijk de ‘Onvoltooide' symfonie. En Schuberts pianosonates? Daarvoor geldt hetzelfde. Sterker nog: de in de periode 1822-1828 gecomponeerde pianowerken (en daar horen de impromptu's, de ecossaises, de Ländler en Klavierstücke uitdrukkelijk bij!) zijn een zeldzaam voorbeeld van Schuberts expressieve waaghalzerij, zijn verkenningen in een bij aanvang nog onbekend gebied. Daar lijkt het tenminste sterk op. Welke machtige krachten daaraan ten grondslag hebben gelegen weten we niet, maar dat die er voortdurend zijn is onmiskenbaar.

Van de uitvoerder mag, nee moet worden verwacht dat hij zich verre houdt van rechtlijnigheid en dat hij de – niet voorgeschreven! - subtiele tempowisselingen die rechtstreeks verband houden met het door de componist uitgezette expressieve discours niet schuwt. Dit is muziek waarin dramatiek en lyriek gezamenlijk optrekken, niet zelden naast en niet achter elkaar. Zeker in de laatste drie sonates lijkt het een kwestie van expressief buigen of barsten en dan ook nog binnen een raamwerk van epische proporties. Nee, dit is geen muziek waarin structureel vastgelegde continuïteit een belangrijk deel van de dienst uitmaakt. Hier gaat veelmeer om een betoverende caleidoscoop van hoofdmotieven en doorwerkingsfragmenten in de meest uiteenlopende tussentinten, maar ook van gedurfde harmonische ontwikkelingen die het schematische ver achter zich laten. Daar is plotsklaps een kiemcel die de aanzet blijkt te zijn tot uiterst facetrijke metamorfoses en daar is het rechterpedaal als naklank van een onuitsprekelijk verlangen. Muziek ook die aan de oppervlakte haar diepste wezen reeds kenbaar maakt.

Schuberts pianowerken bieden de interpreet de mogelijkheid tot een zekere mate van vrijheid: er kan op dit vlak zelfs meer dan bij andere componisten. Er is ruimte voor een onvervalst eigen stempel omdat het muziek betreft die rijk geschakeerde expressieve verkenningen mogelijk maakt, waarin kan worden afgedaald zonder daarbij Schuberts intenties geweld aan te doen. Dat maakt uit dien hoofde iedere nieuwe Schubert-interpretatie extra interessant.

De Franse pianist Adam Laloum (Toulouse, 1987) nam al eerder een Schubert-sonate op, de laatste, D 961, in 2015, toen voor het label Mirare. De combinatie met Schumanns ‘Davidsbündlertänze' bleek toen niet alleen een gelukkige, maar ook het spel maakte diepe indruk (klik hier voor de recensie). Dat laatste herhaalt zich in zijn vertolking van deze twee sonates, waarvan D 894 overigens eerder de kenmerken heeft van een fantasie dan van een vormvaste sonate. De naam die er vroeger aan werd gegeven paste er ook beter bij: Fantasie, Andante, Menuet en Allegretto, samen ondergebracht onder op. 78.

Wat Laloums spel in het bijzonder kenmerkt zijn de vele kleurschakeringen en het daaraan inherente, geraffineerde pedaalgebruik (ze horen bij elkaar). Onder zijn handen heeft D 894 ook iets van het ‘wandern', het zwerven, van de vagebond zonder vaste woon- of verblijfplaats. Hij exploreert bijna intuïtief maar met een feilloos gevoel voor proportie zowel de innigheid als de exuberantie die erin besloten ligt, en passant afrekenend met het cliché van Schubert als de naïeve biedermeier. In D 958, de eerste van groep van drie sonates uit Schuberts sterfjaar, kantelt het beeld en wordt letterlijk een andere toon aangeslagen. De uitvoering heeft visionaire trekken en zijn het de schimmige structuren en het onrustige, onbestendige discours dat het geheel zo'n grote dramatische lading meegeeft, soms zelfs op het impulsieve af. Mogelijk geholpen door de opname getuigt de dynamische bandbreedte binnen dit uitermate vitale ‘model' van een indrukwekkende gelaagdheid en spankracht. In de zachtste passages behoudt de toon zijn kern, in de luidste uitbarstingen blijft hij nobel.

Laloums uitgesproken elastische benadering hangt mede samen met de zowel intelligente als intuïtieve oplossingen die hij meent te hebben gevonden. Door de grote verscheidenheid in de ingezette expressieve middelen spreekt het organische karakter van deze muziek, waarin zich niets zich herhaalt en ieder deel een volkomen nieuw organisme blijkt te zijn. Dat maakt iedere sonate ook veel groter dan de som der delen. Dat heeft Haloum heel goed begrepen. De Steinway is briljant en sonoor vastgelegd. Dat kan dus ook in een kerkakoestiek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links