CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2010

 

 

Schreker: Kammersymphonie für 23 Soloinstrumente - Intermezzo für Streichorchester op. 8 - Vorspiel zu einem Drama (Die Gezeichneten) - Romantische suite - Die dunkelheit sinkt schwer wie Blei; In einem Lande ein bleicher König (Der Ferne Klang) - Vorspiel zu einer großer Oper (Memnon).

Thomas Hampson en Dietrich Fischer-Dieskau (bariton), Aribert Reimann (piano), Camera Academia Salzburg o.l.v. Franz Welser-Möst, Gürzenich-Orchester Köln o.l.v. James Conlon, Münchner Rundfunkorchester o.l.v. Fabio Luisi.

Schmidt: Variaties op een huzarenlied.

Philharmonia Orchestra o.l.v. Hans Bauer.

Busoni: Twee studies voor Doktor Faust op. 51.

Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. Daniell Revenaugh.

EMI Classics • 73' + 76' • (2 cd's)


Drie componisten in de nadagen van de romantiek: Franz Schreker (1878-1934), Franz Schmidt (1874-1939) en Ferruccio Busoni (1866-1924).

Van Busoni kan in ieder geval worden gezegd dat hij met zijn vele briljante essays de discussies over de eigentijdse muziek op scherp zette. Misschien moeten we achteraf constateren dat die epistels een meer revolutionaire toon aansloegen dan zijn muziek zelf, die uiteindelijk toch is blijven steken in een van de laatste wervelstormen van de laatromantiek. Misschien heeft het er ook wel mee te maken dat Busoni zich als de enige opvolger van Franz Liszt beschouwde. Zijn verdiensten voor de verspreiding van de zeker toen bepaald niet gemakkelijk in het oor liggende muziek van met name Arnold Schönberg en Béla Bartók sloot in feite aan bij hetgeen hij in zijn »Entwurf einer neuen Ästhetik der Tonkunst« uit 1906 belichaamde: dat ruim baan moest worden gemaakt voor een nieuwe manier van muzikale expressie, voor andere methoden, waaronder uiteraard de seriële techniek. Het denken en schrijven in reeksen, dàt moest het worden. Daar moesten de romantici in hart en nieren zoals Hans Pfitzner (1869-1949) niets van hebben. Reeksen? Dat was vloeken in de kerk. Dat Busoni bijna drie jaar, in 1909, zelf de proef op de som nam met zijn Berceuse élégiaque horen we er misschien vandaag de dag iets minder vanaf, want Busoni stopte zijn reeksen in elegische vergezichten die eerder tot doel leken te hebben om het gemoed van de luisteraar stevig in beweging te zetten. Schönbergs 'nuchterheid' was hierin ver te zoeken. Een stapje verder gingen zijn Neue Klavierstücke, die hij een jaar eerder, in 1908 al had voltooid. Maar toch leek het voor zijn (vele!) tegenstanders vlees noch vis. Later gaf Busoni's vermeende kleurloosheid in zijn muzikale expressie menigeen reden om hem als 'der Mann ohne Eigenschaften' te betitelen, naar het gelijknamige boek van Robert Musil. Waarbij we overigens de kanttekening mogen maken dat Musils hoofdfiguur nu juist wèl een man met eigenschappen was! Busoni heeft die 'degradatie' evenwel niet meegemaakt, want Musil begon aan het boek toen Busoni al zes jaar dood was. Desalniettemin! Maar niet kan worden ontkend dat Busoni wel erg sterk in het verre verleden wroette. Zoals in zijn Fantasia contrappuntistica uit 1910, waarin Busoni Bachs pen oppakte waar die hem had laten liggen, in diens Kunst der Fuge. Busoni en Bach, ze leken onafscheidelijk. Denkt u bijvoorbeeld maar aan Busoni's bewerking voor piano van een aantal koraalvoorspelen van Bach. .

Franz Schreker, de zoon van een fotograaf, begon vooruitstrevend met zijn opera Der ferne Klang (1909), wortelend in een nieuw Duits impressionisme (Schreker was een groot bewonderaar van Claude Debussy) . Het werk viel bij de meeste critici in zeer goede aarde. Kort na de première werd Schreker zelfs aangemerkt als de belangrijkste dramatische componist na Wagner. Maar Schreker de vernieuwer hield geen stand. Die Gezeichneten uit 1915 bood volgens velen meer van hetzelfde (waarmee op de Der ferne Klang werd gedoeld) en na de eerste uitvoering van Der Schatzgräber (1919) werd het er niet beter op. Waar in Duitsland de 'neue Sachlichkeit' werd gepredikt en de Berlijnse Kroll Oper daarmee furore maakte bleef Schreker steken in de inmiddels uitgemolken laatromantiek.

Ook Franz Schmidt bleef hangen in de laatromantiek. Hoewel geboren in Hongarije woonde en werkte hij het grootste deel van zijn leven in Oostenrijk. De vele kruisbestuivingen die hij in Wenen opsnoof vinden we overdadig in zijn muziek terug. We horen er Bruckner, Schubert, Brahms en Liszt in, met een monumentaliteit die niet zo ver afstaat van die van zijn grote leermeester Bruckner. Dat Berg, Schönberg en Webern zich in de Oostenrijkse hoofdstad volop in de weer waren met hun reeksen lijkt aan Schreker althans muzikaal voorbij te zijn gegaan want zijn idioom was en bleef tonaal, stevig wortelend in het o zo solide tooncentrum, waarmee alle draden uiteindelijk verbonden bleven. En áls er dan invloeden van Schönberg in Schmidts muzie te vinden waren, dan kwamen die toch vooral van stukken als Verklärte Nacht. Waar niet over hoeft te worden gestreden is de consistent hoge kwaliteit van Schmidts werk, waarin inspiratie en structuur voortdurend hand in hand gaan. Dat deze EMI-set tevens zijn Variaties op een huzarenlied bevatten lijkt mij een curiosum te zijn, want een andere opname ken ik er niet van.

Het valt te prijzen dat EMI een aantal werken van deze drie belangrijke vertegenwoordigers van de laatromantiek op twee cd's bijeen heeft gebracht in uitstekende uitvoeringen en opnamen, die dertig jaar omspannen (1967-1997). Van de bijgevoegde documentatie hoeft u niet al te veel te verwachten, maar het internet biedt uitkomst!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links