CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2022

Early Moderns - The (very) first Viennese School

Klik hier voor de inhoudsopgave

Quicksilver: Robert Mealy en
Julie Andrijeski (viool en artistieke leiding), David Morris (viola da gamba), Greg Ingles (trombone), Dominic Teresi (dulciaan), Avi Stein orgel en klavecimbel), Charles Weaver (theorbe)
Gems • 83' •
Opname: aug. 2016, Drew University Concert Hall, Madison, New Jersey (VS)

https://www.gemsny.org/online-store/quicksilver-early-moderns

 

Er schuilt een interessant en tevens belangrijk wapenfeit achter dit album: het ontstaan van de allereerste Weense School, die – hoewel 'allereerst' taalkundig onjuist is – de periode aanduidt van vóor die van Haydn en Mozart. Het is een onderscheid dat qua naamgeving niet of nauwelijks vaste grond onder de voeten heeft gekregen, zoals dat ten aanzien van de Eerste (de Weense Klassiek van Haydn, Mozart en Beethoven) en Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern) wel het geval is geweest. Maar het belang ervan is evident, waardoor ik er wat langer bij wil stilstaan.

Aan deze beide ‘hoofdaders' ging dus de 'aller'eerste Weense School vooraf, ontstaan en tot bloei gebracht onder de heerschappij van keizer Ferdinand II (1578-1637), de zoon van Karel II van Oostenrijk (1540-1590). Ferdinand II maakte deel uit van het huis Habsburg en was van 1619 tot zijn dood Rooms-Duits koning en keizer.

Het huwelijk van Ferdinand II met prinses Eleonora Gonzaga van Mantua in 1622 bracht de Italiaanse muziek binnen het bereik van de Weense hofkringen, een ontwikkeling die door zijn zoon Ferdinand III (1608-1657) onverdroten werd voortgezet. Toen in 1658 de troonwisseling plaatsvond, had de muziek aan het hof maar ook daarbuiten al een ongekende bloei doorgemaakt, waaraan door Ferdinands opvolger, de net zo muziekminnende Leopold I (1640-1705), nog een belangrijke dimensie kon worden toegevoegd. De schone kunsten waren in het bestaan van de keizer zelfs zo belangrijk dat die ondanks de alsmaar voortdurende oorlogen met de Fransen en de Ottomaanse Turken (die ook de schatkist al behoorlijk hadden uitgeput) toch nog een zeer belangrijke rol bleven vervullen. Ook de muziek kon aldus uitstekend gedijen in een klimaat waarin het kunstzinnige vermaak hoog op de ranglijst stond.

De vele Italiaanse musici die een plek aan het Weense hof wisten te bemachtigen, slaagden daarin vooral doordat ze uit hun thuisland muziek meebrachten die bij de hofadel bijzonder in de smaak viel: de sonate. Niet dat sprake was van een min of meer uniforme vorm (de verbeeldingskracht van de componist was nog steeds leidend), maar het ‘converserende 'karakter ervan (het inventief geven en nemen, gehuld in instrumentale schittering) sprak zeer aan. Het duurde dan ook niet lang alvorens ook de plaatselijke virtuoze musici aan het keizerlijk hof zich van de sonate meester maakten en drastisch uitbreidden.

Toen Leopold in 1705 stierf, beschikte Wenen over een Oostenrijkse ‘Kapellmeister': Johann Schmelzer* (1623-1680) met als zijn voorgangers een aantal invloedrijke Italianen, waaronder Giovanni Valentini en Antonio Bertali (zij komen later nog aan bod). In 1679 had Schmelzer het voor elkaar gekregen om aan het Weense hof de positie van kapelmeester in de wacht te slepen, al had het meerdere decennia van hard werken (en misschien wel de nodige kuiperijen en vleierijen) gekost om het zover te brengen. Lang heeft het feestje evenwel niet geduurd, want al enige maanden later viel de nieuwbakken kapelmeester ten prooi aan de alom heersende pest die ook Wenen en Praag in zijn greep had. Dat hij in Praag stierf was niet toevallig: de gehele keizerlijke familie met vrijwel de complete hofhouding was voor de gevreesde ziekte op de vlucht geslagen en dacht in Praag veilig te zijn, wat echter niet het geval bleek te zijn.

De muziek van Giovanni Legrenzi (1626-1690) maakt eveneens deel uit van dit album, hoewel hij niet kan worden gerekend tot de de componisten van die allereerste Weense School. Al heeft hij wel zijn best gedaan om zich in de muziekmetropool een naam en daarmee een belangrijke positie te verwerven. Het grootste deel van zijn loopbaan speelde zich echter af in Bergamo en Ferrara. De Weense connectie bestaat uitsluitend uit wat hem in 1665 lukte, met steun van zijn broodheren in Ferrara: de Weense uitvoering van een van zijn opera's. Pogingen van de hertog van Mantua, die in de Weense hofkringen de nodige contacten had, om hem aan de baan van kapelmeester te helpen bleven evenwel vruchteloos: het was Antonio Bertali (1605-1669) die tot zijn dood 1669 de begeerde post bezette.

Ook de rol van Johann Rosenmüller (1617-1684) is binnen de contouren van de allereerste Weense School beperkt gebleven. Misschien niet in de zin van muzikale ontwikkeling, maar wel als typisch Weense exponent. Zijn levensgeschiedenis heeft in ieder geval niets Weens, want hij maakte als Thomascantor eerst furore in Leipzig, tot hij wegens (wel of niet vermeende) homoseksualiteit door de politie werd opgepakt. Hij kon na zijn arrestatie de wijk nemen naar Venetië, waar hij zich niet alleen aan de kapel van de San Marco verbond, maar ook lesgaf aan de Pietà (waar Antonio Vivaldi een halve eeuw later in dienst zou treden). In Wenen is hij bij mijn weten nooit geweest, hoewel zijn sonates wel - zoals blijkt uit de overgeleverde verzameling manuscripten - aan het keizerlijk hof werden uitgevoerd. Ze moeten er ongetwijfeld in de smaak zijn gevallen, en niet in de laatste plaats door hun veelal dramatische karakter.

We kennen vanuit onze rijke westerse muziekgeschiedenis de vele kruisbestuivingen zoals die ontstonden door de van hot naar her reizende musici (waarvan de meeste tevens componist waren). Het motief was simpel: wie in eigen land of stad onvoldoende brood op de plank had of zich in zijn verdere loopbaan beperkt of anders wel gehinderd zag, trok naar (hopelijk) lucratiever oorden, terwijl daarnaast het verbreden van de eigen muzikale horizon daarin een belangrijke rol kon spelen. Weer andere musici maakten gebruik van een opgebouwd netwerk in adellijke kringen en konden ze zodoende vrij gemakkelijk de overstap maken van het ene naar het andere (meer belovende) hof. Zeker in Italië, met zijn vele minuscule staatjes en lokale of regionale machtsconcentraties, werd aldus vaak van positie gewisseld. Maar er waren ook Italiaanse musici die dankzij zo'n netwerk de vleugels wilden uitslaan, zich in een ander land wilden vestigen. Zo bracht menigeen het zelfs aan het Weense hof tot hoog gewaardeerd musicus annex componist. Een goed voorbeeld daarvan is Giovanni Battista Buonamente (1595-1642), die als ‘musicista da camera' in dienst trad van en zich van een uitstekende carrière verzekerd wist. Zij het dat het in dit geval Eleanora Gonzaga, de kersverse echtgenote van Ferdinand II, was die Buonamente hoog op haar muzikale verlanglijstje had staan en hem in 1626, vier jaar na de huwelijksinzegening, de aanstelling in Wenen bezorgde.

Wie binnen het netwerk over de juiste connecties beschikte had als uitvoerend musicus en componist al snel toegang tot de Weense hof- en andere adellijke kringen, een verschijnsel van alle tijden.

Daarin past ook de naam van Johann Caspar Kerll (1627-1693), die tot 1673 een zeer geziene kapelmeester in München was (hij had eerst bij Valentini en later in Rome bij Carissimi gestudeerd), tot een behoorlijk uit de hand gelopen conflict met Italiaanse operazangers hem het verder werken onmogelijk maakte. Hij trok aan het kortste eind en beproefde noodgedwongen zijn geluk vervolgens in Wenen, waar hij eerst vijf jaar later de positie van hoforganist in de wacht wist te slepen. Hij overleefde de pest van 1679 en de Ottomaanse invasie in 1683, waarna hij terugkeerde naar München om daar zijn laatste jaren te slijten. Zijn muziek vormt de weerslag van wat in die tijd populair was: een mengsel van de Italiaanse toccata- en canzonastijl, en de Franse danssuites. Jammer dat slechts een klein deel van zijn productie het heeft overleefd (o.a. zijn 11 opera's moeten als verloren worden beschouwd), een lot trouwens dat veel muziek uit die tijd heeft getroffen.

Een zeer bekende naam is die van Johann Joseph Fux (1660-1741). Van hem stamt het bekende leerboek ‘Gradus ad Parnassum', dat bij zijn tijdgenoten grote waardering vond, maar ook na zijn dood nog veel werd gebruikt (er verschenen bovendien vertalingen in het Frans, Italiaans en Engels). De latere leerboeken van onder meer Cherubini en Albrechtsberger zijn op Fux' standaardwerk gestoeld. Niet iedereen dacht er overigens zo over: de grote muziektheoreticus Friedrich Mattheson vond het juist hopeloos ouderwets, wat vooral moest worden toegeschreven aan de barokke contrapuntische stijl die weliswaar nog de eerste helft van de achttiende eeuw had 'gehaald', maar al spoedig daarna aan aanzien en belangstelling inboette. Het was het tijdvak van de opkomst van de ‘Style Galant', de ‘preklassieke' stijl, waarin de ingewikkelde meerstemmigheid gaandeweg plaatsmaakte voor de relatief simpele melodie begeleid door met name het basso continuo. Ook deze nieuwe ontwikkeling ging aan Wenen, een van de belangrijkste centra van het Europese muziekleven, bepaald niet voorbij.

Fux' belangrijkste bijdragen zijn misschien niet zozeer zijn composities (hij begon voortvarend als nieuwlichter maar verzandde uiteindelijk in een ouderwets aandoende stijl) als wel zijn pedagogische talenten. Menige componist werd door hem opgeleid en die later een min of meer belangrijke rol zou spelen in de Weense Klassiek, waaronder bekende namen als die van Gottlieb Muffat en Georg Christoph Wagenseil.

Fux heeft - al duurde het even - een belangrijke rol gehad binnen de muren van de Weense Hofburg. We weten dat hij rond 1690 in dienst was van de aartsbisschop van Hongarije, die op zijn beurt weer hecht bevriend was met de reeds genoemde keizer Leopold. Niet toevallig dus dat Fux in 1695 een mis aan deze keizer opdroeg. Deze moet ervan onder de indruk zijn geweest, want kort daarop kon Fux alsnog als componist aan het Weense hof aan de slag. Het bleek een blijvertje: hij overleefde in die functie maar liefst drie keizers en schreef onder dit gelukkige gesternte veel kamermuziek, missen, oratoria en opera's. Tussendoor vond hij als en passant aangestelde 'ambtenaar' nog tijd voor het hem opgedragen, stevig uitdijend bureauwerk. Van zijn muziek mag gezegd worden dat zij eerst deel uitmaakte van de in de zeventiende eeuw gangbare sonatestijl, en later van die van de typische triosonate en de Franse ouverturestijl.

Het is wellicht nuttig om als ‘intermezzo' hier te vermelden dat er in die tijd geen strikte scheidslijn was tussen manuscript (autograaf) en gedrukte uitgave, eenvoudigweg omdat in sommige regio's of zelfs landen een ‘drukcultuur' niet of nauwelijks bestond. Dat gold ook voor Italië, wat erop neerkwam dat manuscripten met de hand werden gekopieerd en vervolgens her en der gedistribueerd; om vervolgens weer te worden gekopieerd. Dit perpetuum mobile had meerdere negatieve gevolgen: dat het overschrijven niet (geheel) correct verliep, er door vreemde hand aan werd toegevoegd (of gewoon weggelaten) wat in het oorspronkelijke handschrift onduidelijk was. Een ander probleem is het auteurschap van menige bron: veelal ontbreekt op manuscript of kopie de naam van de componist en valt er hoogstens aan de hand van bepaalde stilistische kenmerken de naam van een mogelijke componist uit te destilleren; en dan uiteraard met de nodige slagen om de arm. Wat we uit de historie ook kennen is dat een bepaald werk aan zelfs meerdere componisten werd toegeschreven.

Een vergelijkbaar probleem doet zich ook voor in de Sonate à 3 (voor twee violen en trombone), doorgaans toegeschreven aan Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704), niet te verwarren met diens eveneens zeer getalenteerde muzikale zoon Carl Heinrich (1681-1749). Heinrich Ignaz Franz die we onder meer kennen van zijn Rozenkranssonates en zijn in Salzburg gecomponeerde, voor de plaatselijke Dom bestemde missen, is, wat deze sonate betreft, slechts één van de mogelijke kandidaten, maar te oordelen naar stijl en kwaliteit ligt de keuze wel voor de hand. Biber bracht het merendeel van zijn werkzame leven in Salzburg door, maar zijn muziek was aan het Weense hof wel degelijk bekend. Vandaar dat hij op dit album eveneeens een plaatsje heeft gekregen.

Hoe het precies met die manuscripten in Wenen moet zijn toegegaan weten we helaas niet voldoende, maar wel dat veel zeventiende-eeuws repertoire zoals we dat vandaag kennen ijverig werd verzameld door Pavel Josef Vejvanovsky (ca. 1633-1693), oorspronkelijk afkomstig uit Moravië en zich in de Oostenrijkse muziekmetropool al snel ontwikkelend tot componist, trompettist en … kopiist van allure. In die laatste hoedanigheid heeft hij een enorme hoeveelheid manuscripten, afkomstig uit de bekende Kromeriz muziekbibliotheek, niet alleen voor zichzelf en zijn tijdgenoten, maar gelukkig ook voor het nageslacht gekopieerd. Hoe groot die collectie toen moet zijn geweest valt niet te achterhalen, maar vaststaat wel dat rond het tijdstip van overlijden van zijn broodheer, prins-bisschop Karl, het rond de 1400 composities waren. En alsof dat nog niet voldoende was: Vejvanovsky hield er ook nog een eigen manuscriptarchief op na...

Vejvanovsky en Biber moeten elkaar overigens goed gekend hebben, want beiden waren in dezelfde periode in dienst van de prins-bisschop. Het ligt voor de hand dat ook Schmelzer zich in die kringen bevond en dat ook diens muziek voor gebruik aan het prins-bisschoppelijke maar ook het keizerlijke hof werd gekopieerd.

Dat brengt me dan tevens op het grote belang van de reeds genoemde Kromeriz-bibliotheek, die vrijwel geheel en bovendien ongeschonden de tand des tijds wist te doorstaan en gerekend mag worden tot een van de belangrijkste bronnen van de late zeventiende-eeuwse muziek in Zuid-Duitsland.

Voor Giovanni Valentini (ca. 1582-1649) begon diens loopbaan pas goed in 1614, toen hij werd aangesteld als de ‘nieuw benoemde organist uit Polen' (hij was er als zodanig in dienst geweest van Zygmunt III). Zijn talenten moeten hoog zijn geschat, want in 1626 bracht hij het zelfs tot kapelmeester, een functie van een behoorlijke statuur. Na de dood van Ferdinand II hoefde hij zijn biezen evenwel niet te pakken, want voor zoon Ferdinand III bleef hij een belangrijke raadgever in zowel muzikale als literaire kwesties (Valentini was ook zeer belezen). Volgens verschillende bronnen was deze zeer getalenteerde Italiaan een groot virtuoos op onder andere het enharmonische ‘clavicythe­rium universalis', met maar liefst 19 toetsen per octaaf...

Tot slot dan Antonio Bertali (1605–1669), die omstreeks 1624 vanuit Italië in Wenen arriveerde en in 1649 tot kapelmeester aan het keizerlijk hof werd benoemd. Het belang van zijn muziek moet toen groot zijn geweest, wat een (gekopieerd) deel ervan werd in Uppsala bewaard, in de verzameling van Gustav Düben, aangelegd ten behoeve van de muziek aan het Zweedse hof.

Quicksilver
Wat dezer uitgave zo waardevol maakt zijn zowel de vele dwarsverbindingen als de kruisbestuivingen zoals die - u heeft het hierboven kunnen lezen - zijn voortgevloeid uit het werk van de componisten die in het zevengtiende-eeuwse Wenen actief zijn geweest of wier muziek daar is uitgevoerd.

Het Amerikaanse Quick Silver heeft zich binnen de kaders van de historiserende uitvoeringspraktijk tot een toonaangevend ensemble op het gebied van de Barok tot de Vroeg-Klassiek ontewikkeld, getuige ook de eerder verschenen twee albums: 'Fantasticus', gewijd aan de 'extravangte en virtuoze' muziek uit het Duitsland van de zeventiende eeuw, en 'Stile Moderno', met muziek uit het zeventiende-eeuwse Italië.

Nu dan dus het derde album, dat geen enkele twijfel laat aan het het engagement, het evocatieve spelkarakter en het technisch arsenaal van deze zeven musici. met bovendien de fraaist denkbare klankkleuren die zij uit hun instrument weten te toveren, met in het middelpunt daarvan de drie strijkers (twee violen en viola da gamba), aangevuld door trombone, dulciaan, klavecimbel, (kist)orgel en theorbe, alle replica's met uitzondering van een viool uit de Amati-familie, gedateerd 1634 en bespeeld door Julie Andrijeski. De opname is eveneens zeer geslaagd.

_________________
* In het cd-boekje wordt de naam 'Schmeltzer' gehanteerd, maar dat is niet de gangbare spelling.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links