CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2012

 

 

Poulenc: Mis in G (1937) - Sept Chansons (1936): La Blanche neige(Apollinaire); A peine défigurée (Éduard); Par une nuit nouvelle (Éduard); Tous les droits (Éduard); Belle et ressemblante (Éduard);
Marie (Apollinaire); Luire (Éduard) - Un Soir de Neige (Éduard) (1944): De grandes cuillers de neige;
La bonne neige; Bois meurtri; La nuit la froid la solitude; Figure Humaine (Éduard) (1943): De tous les printemps du monde; En chantant les servantes s'élancent; Aussi bas que le silence; Toi ma patiente; Riant du ciel et des planètes; Le jour m'étonne et la nuit me fait peur; La menace sous le ciel rouge; Liberté

Zweeds Radiokoor o.l.v. Peter Dijkstra

Channel Classics CCS SA 31411 • 62' •

(Opname: Musikaliska, Stockholm, 11-2010)


Francis Poulenc (1899-1963) was een welgestelde Parijzenaar die kon componeren wat hij maar wilde want er waren geen broodheren of opdrachtgevers van wie hij afhankelijk was of die hem op de nek zaten. Een bohemien die het nachtelijke Parijs als zijn broekzak kende en die zich vaak en vol overgave in het frivole nachtleven stortte. Een man ook die dankzij zijn charmes zelfs dichtgetimmerde deuren nog wist te openen en die net zoveel van de grote klassieken hield als van jazz en de gamelan kon genieten.

Misschien heeft een gebeurtenis in in augustus 1936 het leven van Poulenc op zijn kop gezet. Een auto schepte een voetganger in de Hongaarse stad Debrecen. Het slachtoffer, de Franse componist en muziekcriticus Pierre-Octave Ferroud, overleefde het niet. Een van zijn beste vrienden was door deze gebeurtenis dusdanig uit het lood geslagen dat hij een soort pelgrimsreis ondernam naar de antieke schrijn van de Zwarte Madonna in Rocamadour. Die vriend was Francis Poulenc: “Toen ik over de breekbaarheid van de (menselijke) geest nadacht, trok het spirituele leven mij opnieuw aan. Rocamadour bracht het geloof van mijn kindertijd weer terug,” herinnerde Poulenc zich later. Een stroom religieuze composities – vrijwel tot aan zijn dood, bijna dertig jaar later - was het gevolg. De eerste ervan ontstond nog in 1936: de ‘Litanies à la Vierge Noire’.

Heeft het zin om te speculeren over Poulencs terugkeer naar zijn katholieke wortelen, juist door dat ongeluk? Zou de ‘monnik’ Poulenc daardoor zijn opgestaan? De Franse musicoloog en muziekcriticus Claude Rostrand omschreef in 1950 Poulenc als de man met twee gezichten: ‘le moine’ et le voyou’, de halfslechte jongen, de halve monnik. Als uitsluitend de muziek mag spreken geeft slechts dat ene feit de doorslag: Poulenc schreef de mooiste, indrukwekkendste Franse kerkmuziek van de twintigste eeuw.

 
  Francis Poulenc (r.) en Pierre Bernac
 
  Francis Poulenc (l.) en Jean Cocteau (1958)

Dan was er de bariton Pierre Bernac, met wie Poulenc in 1935 aan een samenwerking begon die een kwarteeuw zou duren en die ook zijn levenspartner werd. De bariton en de componist/pianist gaven wereldwijd recitals waarin ook composities van Poulenc aan bod kwamen: in die periode ontstond ook een groot aantal liedercycli op teksten van o.a. Guillaume Apollinaire, Paul Éduard en Jean Cocteau. Het was lyrische maar ook dramatische muziek die ver afstond van wat hem eens zo werd verweten: dat hij toch vooral oppervlakkig componeerde, met de serieuze aspecten van de kunst een regelrecht loopje nam. In die liederen streefde Poulenc niet naar vernieuwing in de harmonie en de ritmiek. Integendeel, hier was een pure melodicus aan het woord die 'het hart liet spreken'. Poulencs genadeloze zelfkritiek (“ik ben een geniale tweederangscomponist”) leek even op een zijspoor te zijn gezet, want later zou hij opmerken dat zijn werk uit de laatste decennia van zijn leven gedateerd klonk, als geschreven in een stijl uit een voorbije periode.

Poulenc mag zich dan als componist niet goed genoeg hebben gevoeld (een verzoek van de beroemde Russische cellist Mstislav Rostropovitsj om een werk voor cello te schrijven wees hij resoluut van de hand), gemakkelijk is zijn muziek allerminst. Bovendien is het belang ervan groot genoeg om opgenomen te worden in de canon van de twintigste-eeuwse koormuziek. Volgens Peter Dijkstra is Poulencs twaalfstemmige Figure Humaine uit 1943 het mooiste en indrukwekkendste a cappella-koorwerk dat hij kent. Het is volgens mij in ieder geval het mooiste twintigste-eeuwse koorwerk en dat is al indrukwekkend genoeg. Misschien heeft Poulenc extra inspiratie geput uit de inderdaad surrealistische, veelal schrijnende en lugubere gedichten van Paul 'Eduard.

Het Zweedse Radiokoor, in 1925 opgericht door de Zweedse Omroep, is een topensemble waarvoor tussen 1952 en 1982 de basis werd gelegd door de wereldvermaarde koorrepetitor Eric Ericson (1918) en waarop verder kon worden gebouwd door achtereenvolgens Anders Öhrwall, Gustaf Sjökvist, Tönu Kaljuste, Stefan Parkman en sinds 2007 Peter Dijkstra, die ook op deze opname laat horen dat het koor naadloos de weg weet in Poulencs harmonische en ritmische wonderwereld, waarin individuele en collectieve klankkleuren in hoge mate de reikwijdte van de expressie bepalen. De kwaliteit van dit koor is zo goed dat men heeft aangedurfd om nogal direct op te nemen, wat zegenrijk heeft uitgepakt voor de differentiatie: naast de mengkleuren is er nu tevens ruimte voor de individuele karakterisering waar dit vereist is. Dat geeft aan deze muziek het naar mijn smaak essentiële, persoonlijke karakter. Met de negen sopranen, negen alten, acht tenoren en negen bassen (in totaal dus vijfendertig koorleden) waarborgt Dijkstra een altijd transparante, strikt heldere koorklank die - al naar gelang dat geboden is - soms uitmondt in een uitgesproken ruwe spreektrant. Het etherische, ijle wordt echter evenmin onderbelicht, getuige de hemels gezongen sopraanpartij in samenhang met en het bijna stamelende koor in het Agnus Dei (Mis in G). Zeer aangrijpend is het slotkoor in Figure Humaine, dat begint als een 'chant d'amour' maar uiteindelijk uitmondt in een gepassioneerd loflied op de vrijheid: “Pour te nommer Liberté!”


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links