CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Alla virtù della sig. Maria Pignatelli - Unpublished Italian Baroque Cantatas

Monza: Poiché più dell’amore

Gasparini: E che più far poss’io

Porsile: Arianna infelice - Ch’io t’adori o mia Clori - Necessità di fato

Mancini: Non voglio più catene -Va sospirando il core

(A.) Scarlatti: Lontananza non risana - Ch’io da te mi divida

Juliette de Banes Gardonne (mezzosopraan), Bruno Cocset (cello), Emanuele Forni (teorbe), Paolo Corsi (klavecimbel)
Claves 50-3001 • 64' •
Opname: september 2019, Cité de la Voix, Vézelay (F)

Dit album is vanaf 18 december a.s. beschikbaar

www.claves.ch

 

De Antonio-bibliotheek in het Italiaanse Padua bevat een manuscript met de intrigrerende titel Cantate alle virtù della Sig.(nora) Pignatelli: 48 seculiere cantates uit de vroege achttiende-eeuw door zeventien componisten uit de verschillende artistieke epicentra van rond 1700: Rome, Bologna, Ferrara, Ravenna, Milaan, Napels, Sicilië en Venetië. Wonderlijk genoeg is er geen een van ooit in druk verschenen, hoewel de kwaliteit ervan zonder meer hoog genoemd mag worden. Van enigerlei verspreiding lijkt aldus geen sprake te zijn geweest: manuscripten gingen doorgaans niet van hand tot hand, al werden ze vaak wel gekopieerd. Edoch, de collectie in de bibliotheek bestaat niet uit afschriften maar uit originelen.

De ‘deugdzame' signora Pignatelli is voor zowel historici als muziekwetenschappers overigens geen onbekende. Ze stamde van de illustere familie Pignatelli die, zoals zoveel families van stand een groot aantal vertakkingen kende aan zowel de Spaanse als Italiaanse kant.

Maria Anna Pignatelli (1689-1755), afkomstig uit Alcudia, is vooral bekend geworden door haar heftige liefdesrelatie met de dichter en librettist Pietro Metastasio. Een relatie die buiten het boekje viel, want in 1709 trouwde ze in Barcelona met graaf Johann-Michael Von Althann. Toen deze vervolgens werd benoemd aan het Weense hof trok ze uiteraard met hem mee . Daar maakte ze onder meer kennis met aartshertog Karel V, die bijzonder onder de indruk van haar was en onder haar invloed kwam. Dat zal ongetwijfeld de belangrijkste reden zijn geweest dat zij haar buitenechtelijke liefje Metastasio zonder al te veel moeite in de Weense hof- en adellijke kringen wist te introduceren, voor hem de eerste stap op de weg naar succes in de Oostenrijkse metropool. Welke intriges er precies aan ten grondslag hebben gelegen verhaalt de geschiedenis niet, maar wel dat Metastasio er dankzij deze betoverende en tegelijkertijd daadkrachtige gravin Von Althann zelfs in slaagde om in 1729 Apostolo Zeno, de zeer vooraanstaande Venetiaanse dichter, librettist, journalist en literator, bijna letterlijk van zijn troon aan het Weense hof te stoten.

Zeno was zeker niet de minste. Tot dan had hij al een groot aantal libretti op zijn naam gebracht, gewijd aan historische en mythologische thema's, waaronder Gli inganni felici en Odoardo (1695), Farmondo (1698), Lucio Vero (1700), Griselda en Temistocle (1701), Merope (1711), L'Ambleto (1712),  Alessandro Severo (1716),  T'Euzzone (1719),  Ormisda (1721), Artaserse (1724), Semiramide (1725) en Il Valdemaro (1726). Zijn productie zou uiteindelijk 36 opera-libretti omvatten, nog afgezien van een groot aantal literaire werken. En dat dan bovendien deels tussen andere bedrijven door, want Zeno was vanaf 1718 aan het Weense hof aangesteld als (enige bekroonde) hofdichter.

Hieruit volgt dat die ‘deugdzame' mevrouw Pignatelli in adellijke kringen dus heel wat mans was! Nadfat Metastasio de macht had overgenomen was er voor Zeno in Wenen geen plaats meer. Hij trok zich terug en keerde terug naar Venetië, waar hij zijn tijd vooral doorbracht met erudiete werken en zijn verzameling oude munten.

De muziek op dit nieuwe album kan niet in alle gevallen precies worden gedateerd, maar moet aan de hand van de titel van het manuscript (wel ‘signora' maar geen ‘contessa' of enige verwijzing naar Von Althann en slechts aangeduid met haar meisjesnaam, Pignatelli) worden gedateerd van vóór 1709, dus het jaar van het huwelijk van Johann-Michael Von Althann met Maria Anna Pignatelli.

Van Giuseppe Porsile besprak ik al eerder een aantal cantates (klik hier). Hij is op deze nieuwe cd met drie cantates het meest vertegenwoordigd. Van zijn vroege Napolitaanse periode kennen we helaas alleen het ‘dramma per musica' Il ritorno d'Ulisse alla patria (1707). In 1708 trad hij in Barlona aan als kapelmeester aan het Spaanse hof en toevallig genoeg verhuisde hij evenals Maria Anna later naar Wenen om daar zijn muzikale geluk te beproeven. Er is geen hard bewijs voor, maar het ligt voor de hand dat Porsile speciaal voor Maria Anna kort voor haar huwelijk een‘canzoniere' heeft geschreven.

Naast de drie cantates van Giuseppe Porsile (1680-1750) zijn er op dit album twee van Francesco Mancini (1661-1737) en Alessandro Scarlatti (de vader van Domenico, 1660-1725), en een cantate van Carlo Antonio Monza (1685-1739) en Francesco Gasparini (1661-1727).

De uitvoering van dit negental mag exemplarisch heten, met in de hoofdrol uiteraard de Italiaans-Franse mezzo Juliette de Banes Gardonne, die voor deze cantates naar mijn smaak precies het juiste stemtype heeft om in een zeer geslaagde combinatie van fraai afgewogen expressie en vocale strakheid te zorgen voor een optimale presentatie van deze prachtige muziek, daarin bijgestaan door de drie eveneens bijzonder fraai kleurende instrumentalisten. De opname laat bovendien niets te wensen over. Bedenk wel dat deze uitgave van het Zwitserse label Claves pas op 18 december a.s. beschikbaar komt!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links