CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2020

Cecilia Bartoli - Farinelli

Porpora: Nell attendere mio bene (Polifemo) - Vaghi amori, grazie amate (La festa d’Imeneo) - Lontan ... Lusingato dalla speme (Polifemo) - Come nave in ria tempesta (Semiramide) - Alto Giove (Polifemo)*

Hasse: Morte col fiero aspetto - Signor, la tua speranza ... A dio trono, impero a Dio (Cleopatra)

Broschi: Chi non sente al mio dolore - Si, traditor tu sei / La Merope (Epitide)

Giacomelli: Mancare o Dio mi sento (Farnaspe)

Caldara: Questi al cor finora ignoti (Abel)

Cecilia Bartoli (mezzosopraan), Il Giardino Armonico o.l.v. Giovanni Antonini; Les Musiciens du Prince-Monaco o.l.v. Gianluca Capuano*
Decca 4850214 • 75' •
Opname: januari 2017, Institut Le Rosey, Rolle; augustus 2019, Odeïon, Salzburg*

   

Het is alweer meer dan een decennium geleden dat Paul Korenhof het album Sacrificium besprak. U kunt zijn recensie hier lezen. Kort samengevat was het door hem geschetste beeld dat '[...] geen andere hedendaagse zangeres met zo'n enorme precisie alle nootjes in werkelijk de langste en meest virtuoze roulades weet te realiseren en daarbij ook nog verstaanbaar te blijven. In Giovanni Antonini en Il Giardino Armonico heeft Bartoli hier de ideale partners en het is vooral de combinatie met een breed scala aan instrumentale kleuren waardoor het gevaar van eentonigheid veel minder op de loer ligt dan men zou verwachten. [...] Eigenlijk kan ik maar één ding constateren: met deze uitgave heeft Cecilia Bartoli geschiedenis geschreven'.

Dat beeld herhaalt zich onverkort op het album Farinelli, al zullen Bartoli cuim suis er zeker niet in die mate geschiedenis mee schrijven: het klinkt vooral door het gekozen repertoire als meer van hetzelfde, al blijft haar coloratuuracobratiek ook op dit nieuwe album een klasse apart.

Ook in deze uitgave draait het om de achttiende-eeuwse castraatstem met veelal de diep gewortelde misère die dat stemtype voor de vaak ongelukkige bezitter ervan met zich meebracht. Dat gold vooral voor hen die zich niet mochten koesteren in grote publieke belangstelling, de top niet hadden weten te bereiken en zich in de schaduw van de allergrootsten maar moesten zien te handhaven, bovendien ontdaan van datgene dat hen tot man had gemaakt. Castratie vond menigmaal niet eens plaats uit vrije wil, maar op aandrang van de ouders die hoopten op een flitsende vocale loopbaan voor hun kind. Wat meestal niet uitkwam, waardoor de gecastreerde jongeling zich verder maar moest zien te redden als doorsneezanger, koorlid of muziekleraar. Geen wonder dus dat het aantal zelfmoorden in deze groep vrij groot was, niet in de laatste plaats omdat zij in maatschappelijk en sociaal opzicht niet voor 'vol' werd aangezien.

Maar met Farinelli liep het gelukkig anders.

Farinelli was de artiestennaam van Carlo Maria Michelangelo Nicola Broschi, de grote Italiaanse castraatzanger (1705-1782) die door zijn tijdgenoten werd gerekend tot de grootste operazangers van zijn generatie. Hij had veel steun van zijn broer, de componist Riccardo Broschi, die speciaal voor Farinelli een groot aantal virtuoze aria's schreef.

Nog maar net zeventien kreeg Farinelli, Il ragazzo, de jongen, zoals hij overal in Italië werd genoemd, zijn eerste grote rol in Porpora's Flavio Anicio Olibrio. Stormen van enthousiasme bracht de jonge zanger teweeg, niet alleen in zijn vaderland maar ook buiten Italië. Johann Joachim Quantz, de Duitse fluitist en componist, karakteriseerde Farinelli als een sopraan met een vol, rijk, en helder helder geluid, vlekkeloze intonatie, superieure ademtechniek en een ongekende trefzekerheid. Maar ook het enorme stembereik dwong grote bewondering af: vanaf de A (links van het sleutelgat van de piano) tot maar liefst twee octaven boven de centrale C. Wat er in de praktijk op neerkwam dat Farinelli ook als tenor zeker geen gek figuur sloeg! Niet minder belangrijk was dat Farinelli's stem duidelijk instrumentale kwaliteiten had, want wervelende toonladders gingen hem net zo gemakkelijk af als de lastigste trillers en versieringen. Dat Farinelli overigens echt een sopraan was blijkt niet alleen uit de observatie van Quant maar ook uit de vele sopraanrollen in zijn zo succesvolle loopbaan als castraatzanger. Daarbij mag worden aangetekend dat Farinelli niet alleen maar met zijn vocale virtuositeit wilde behagen of epateren: hij stond tevens bekend om zijn grote interpretatieve raffinement en de wijze waarop hij een rol een eigen ‘gezicht' gaf. Geen wonder dat de theaterdirecteuren om hem vochten. Van een van zijn grote concurrenten, de castraat Gioacchino Conti (‘Gizziello'), werd gezegd dat die uit pure wanhoop in katzwijm viel toen hij Farinelli voor het eerst hoorde zingen. Maar ook de grote Georg Friedrich Händel was zo diep onder de indruk van Farinelli's zangtalenten dat hij hem terstond wilde engageren voor zijn eigen operagezelschap in Londen. In de Belgische film Farinelli, Il Castrato van de Belgische regisseur Gérard Corbiau, vertolkt Jeroen Krabbé de rol van Händel en Stefano Dionisi de rol van Farinelli, wiens sopraanstem in een mix van de sopraan Ewa Malas-Godlewska en de countertenor Derek Lee Ragin wordt voorgesteld. Het is eerder uitzondering dan regel dat dergelijke ‘biografische' films bij de feiten blijven en zo wordt ook hier het een en ander aangedikt, afgevlakt, verkeerd voorgesteld of in het geheel niet vermeld. Zo wordt Händel ten tonele gevoerd als een niets en niemand ontziende schurk, waarvoor geen enkel bewijs kan worden aangevoerd. Natuurlijk moest Händel het opnemen tegen allerlei concurrerende theaters, maar dat maakt hem nog geen, bij wijze van spreken over lijken gaande bedrieger. En natuurlijk is daar het bekende verhaal, opgetekend door Charles Burney, van de ‘strijd' tussen Farinelli en een trompettist die, hoezeer hij ook zijn best deed op zijn instrument, linea recta door Farinelli's stem werd overtroefd. De muzikale begeleiding in de film is overigens wel dik in orde, met het fameuze, door Christophe Rousset geleide Les Talens Lyriques.

Was Farinelli in Europa een gevierd zanger, in Spanje, waar hij maar liefst bijna een kwarteeuw bleef, kreeg hij zelfs politieke macht. De koningin die leed onder de hevige depressies van haar gemaal Filips V, was niet alleen zeer op Farinelli gesteld, maar liet zijn stem zelfs door de koninklijke privévertrekken schallen in de hoop dat de koning daardoor zou worden genezen. Maar liefst twintig jaar lang zong Farinelli, inmiddels opgeklommen tot Spaans premier, bijna iedere avond dezelfde aria's van de Duitse componist Johann Adolf Hasse. Later, nadat Ferdinand VI aan de macht was gekomen, werd Farinelli benoemd tot de leider van alle theaters in Madrid en Aranjuez.
Toen Karel III in het koninklijke zadel was gehesen, achtte Farinelli de tijd gekomen om terug te keren naar zijn geboorteland. Hij stierf in Bologna, maar niet nadat hij was opgezocht door een groot aantal beroemdheden, waaronder Gluck en Mozart.

Dat op dit album de muziek van de Italiaanse componist Nicola Porpora (1686-1768) rijk s vertegenwoordigd mag zeker geen verwondering wekken, want Porpora schreef ook voor zijn gevierde leerling Carlo Maria Broschi alias Farinelli. Er kan weinig twijfel over bestaan dat het Porpora was die aan de wieg heeft gestaan van de ontwikkeling van Broschi's buitensporige zangtalent. Eenmaal toegelaten tot Porpora's muziekschool (die alleen toegang bood voor speciaal uitgezocht talent), maakte Farinelli al snel kennis met Porpora's bijzondere pedagogische kwaliteiten. Gevoegd bij Carlo's natuurlijke aanleg en het gemak waarmee hij de leerstof tot zich nam, was er al snel sprake van grote vorderingen. Dat het niet gratis was, laat zich raden, maar Porpora had daarvoor een goed werkend ‘business plan' in het leven geroepen. Porpora trainde niet alleen het nieuwe talent, maar zorgde ook voor voedsel, kleding en onderdak in ruil voor een ‘donatie' van de (altijd) rijke, welgestelde familie van de pupil. Dat neemt niet weg dat Carlo regelmatig de straten afstruinde op zoek naar eten voor zijn rammelende maag.

Voor zowel Porpora als voor de pupillen sneed het mes aan twee kanten: als leermeester werd hij voor zijn diensten goed betaald en als operacomponist kon hij het nieuw gekweekte talent im zijn eigen werk laten schitteren, terwijl de alumni de kans kregen om zich in het operavak te bekwamen en in hogere adellijke en artistieke kringen te verkeren, als springplank voor hun verdere loopbaan. Eenvoudig gezegd, voor wie eenmaal was toegelaten tot de privéschool van Porpora was het kostje gekocht. Mogelijk is de band tussen Porpora en Carlo nog verder versterkt na de dood van Carlo's vader. De toen twaalfjarige zal in Porpora bijna zeker een nieuwe vaderfiguur hebben gevonden.

We weten wat een castraatzanger inhoudt, maar hoe klinkt hij eigenlijk? Om daarvan een scherp, zuiver beeld te krijgen verwijs ik u graag naar de uitgave van Virgin Classics onder de titel Altus, van castraat naar countertenor, drie cd's gevuld met kostelijk materiaal, waarop u de vele verschillen en nuances kunt horen tussen zangers als James Bowman, Michael Chance, David Daniels, Alfred Deller, Paul Esswood, René Jacobs, Philippe Jaroussky, Gérard Lesne, Derek Lee Ragin, Christopher Robson, Andreas Scholl en nog vele anderen. Bijzonder interessant is bovendien een fragment uit Rossini´s Petite messe solennelle in een opname uit 1902(!) met de castraat Alessandro Moreschi, aangeduid als de laatste castraat van de Sixtijnse Kapel.

Maar terug naar Bartoli's album Farinelli, waarin zij als mezzo in een rijk geschakeerd parcours de verschillende aria's een zeldzaam gecultiveerde glans verleent, daarbij de typisch aan haar intepretatie klevende, sterk expressief getinte 'maniertjes' niet schuwend. Ook dat laatste hoort gewoon bij haar zangkunst, al zal niet iedereen ervan geporteerd zijn, al maakt haar voortdurend sprankelende lyriek veel goed. En niet minder belangrijk: de stem en voordracht van Bartoli worden, evenals bij bijvoorbeeld een Callas, op slag herkend, wat van de meeste hedendaagse vocalisten echt niet kan worden gezegd. A propos, wie komt overigens wel in de buurt van deze zo bijzondere zangkunst? Twee bekende namen springen in de gedachte: Joyce Didonato en ... Philippe Jaroussky. Wat ze gedrieën in ieder geval met elkaar delen is het hoogst bereikbare stadium in termen van muzikale dichtkunst.

Dat Bartoli op de cd-hoes staat afgebeeld als een vrouw met baard getuigt bepaald niet van goede smaak. Waarom heeft zij hiermee ingestemd? Het doet sterk denken aan de Oostenrijkse zanger Tom Neuwirth die onder de artiestennaam Conchita Wurst door het muzikale leven gaat en in 2014 namens Oostenrijk het Eurovisie Songfestival won.

Bartoli's verwrongen beeltenis wordt in het cd-boekje verder uitgediept, maar waarom eigenlijk? Alsof het met huid en haar moest worden ingewreven dat drie eeuwen geleden de castraat half man en half vrouw was; wat absoluut niet het geval was. Een historische vervorming dus die beter achterwege had kunnen blijven en al helemaal in onze tijd waarin het begrip 'gender' door allerlei connotaties is omgeven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links