CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2020

The Long 17th Century - A Cornucopia of Early Keyboard Music

CD 1: Intimation and Imitation - Dance
CD 2: Variation - Depiction and Evocation

Klavierwerken van Alfonso Ferrabosco I, António Correa Braga, António de Macedo, Bernardo Pasquini, Dietrich Buxtehude, Élisabeth Jacquet de La Guerre, Francisco Correa De Arauxo, Gaspard le Roux, Georg Muffat, Giles Farnaby, Giovanni Gabrieli, Giovanni Maria Radino, Giovanni Maria Trabaci, Giovanni Picchi, Girolamo Frescobaldi, Heinrich Scheidemann, Jacques C. de Chambonnières, Jan Pieterszoon Sweelinck, Jean–Henri D’anglebert, Johann Caspar Kerll, Johann Jakob Froberger, Johann Kuhnau, John Bull, John Coprario, Juan Bautista Cabanilles, Louis Couperin, Matthew Locke, Matthias Weckmann, Melchior Schildt, Michael Praetorius, Pablo Bruna, Peter Philips, Tarquinio Merula, Thomas Tomkins, William Byrd, William Tisdale

Daniel-Ben Pienaar (piano)
Avie AV2415 • 156' • (2 cd's)
Opname: maart en juli 2018, Duke's Hall, Royal Academy of Music, Londen

   

In de toelichting wordt de zeventiende eeuw vanuit muzikaal perspectief aangeduid met termen als karakteristiek vooruitdenken, individualisme en inventie, naast door sterke nationalistische gevoelens aangestuurde spanningsvelden. Dat daarin ook de melancholie een belangrijke rol zou hebben gespeeld waag ik echter te betwijfelen. Uit de voorliggende muziek blijkt dat in ieder geval niet. Hoewel het tijdperk van de Verlichting nog even op zich wachten, zij het dat die eerst in de achttiende eeuw tot volle ontwikkeling kwam, had deze Eeuw van de Rede zich in de tweede helft van de zeventiende eeuw al wel schoorvoetend aangediend.

Europa was vanaf de laatste drie decennia van de zestiende eeuw in een stroomversnelling van veranderingen geraakt en natuurlijk gold dat evenzeer voor de kunsten, waaronder de muziek. De muzikale genres en de deels daarmee verwante technieken maakten belangrijke nieuwe ontwikkelingen door, zoals dat ook gold voor expressie en klank. Wat overigens niet betekende dat componisten zomaar afstand deden van al die beproefde stilistische kenmerken uit het verleden. Wel deed men alle mogelijk moeite om het oude met het nieuwe te verbinden, een proces dat weliswaar met horten en stoten verliep, maar waarin wel degelijk bakens werden verzet.

Herkennen we dit beeld ook in termen van ‘modern'? Toen ongetwijfeld wel, maar de hedendaagse mens, inmiddels vierhonderd jaar na dato, zal dat begrip niet zo gemakkelijk in de mond nemen. Immers, de langgerekte geschiedenis heeft er in perceptief opzicht een grijze deken over gelegd. Bovendien is het uiteraard uitgesloten dat we die ver achter ons liggende tijd zouden kunnen herbeleven. Nee, we moeten het doen met wat ons aan historische bronnen ten dienste staat: de (helaas schaarse) berichten van tijdgenoten, de theoretische geschriften, de verhandelingen over de toenmalige muziekpraktijk en, vanzelfsprekend het meest belangrijk, het overgeleverde notenschrift. Hoe gebrekkig of onvolledig soms ook, samen vormen ze de belangrijkste hulpmiddelen om tenminste enige inzicht te verwerven en - zij het met nodige voorzichtiheid - daaraan bepaalde conclusies te verbinden. Waarbij we ons steeds weer moeten realiseren dat het onvermijdelijk conclusies zijn vanuit ons hedendaagse perspectief. Het is en blijft het essentiële onderscheid tussen zoals het toen was en zoals we het nu ervaren.

De Zuid-Afrikaanse pianist Daniel-Ben Pienaar speelde niet alleen deze dubbel-cd vol met werken uit de zeventiende eeuw, maar zorgde ook voor een passende toelichting die zeker in historisch opzicht hout snijdt. Die staat dan weer haaks op het door hem gekozen instrument: de hedendaagse vleugel, een anachronisme dat zich als fenomeen niet zo gemakkelijk laat verklaren. Dat het wringt moet hij zelf ook hebben aangevoeld, wat niet betekent dat er wat dit betreft een bevredigende oplossing voorhanden is. Enerzijds is hij van mening dat qua speelaard een aantal werken het op de piano prima doen, maar andere (die eveneens op dit album vertegenwoordigd zijn!) weer niet. Het is altijd hachelijk om vanuit die optiek te bepalen dat het ene muziekstuk wel en het andere niet geschikt is voor de piano, en dat dus niet de periode waarin het is ontstaan leidend is. Waar uiteraard nog bijkomt dat in veel gevallen het volstrekt duidelijk is voor welk specifiek instrument een compositie is geschreven.
Hij noemt zelf een aantal voorbeelden: de Allemande van William Tisdale uit het Fitzwilliam Virginal Book of de Tiento XI van Pablo Bruna kan volgens hem prima op de piano, Sweelincks Mein Junges Leben hat eind End echter weer niet: dat is muziek die juist thuishoort op orgel of klavecimbel. Een nogal merkwaardige redenering.

Pienaar ziet in een groot aantal zeventiende-eeuwse werken de piano als het instrument dat recht doet aan niet alleen de virtuositeit, maar ook de grote verscheidenheid aan gemoedsstemmingen, reikend van basale soberheid tot culminerende extase. Het argument doet vreemd aan. Hij noemt twee voorbeelden: Walsingham van William Byrd en La Capricciosa van Dieterich Buxtehude. Hoewel het niet altijd duidelijk is voor welk(e) instrument(en) een bepaalde compositie is bedoeld. Ook daarvan twee voorbeelden: de Canzon (een ricercar) van Giovanni Gabrieli en Gagliarda van Giovanni Maria Trabaci zouden op grond van het echo-effect zowel voor koperensemble als voor orgel bestemd kunnen zijn geweest. Dat is overigens niet iets dat specifiek aan de zeventiende eeuw moet worden toegerekend: we zien dergelijke ongewisheden ook bij bijvoorbeeld Johann Sebastian Bach (wiens instrumentale oeuvre er overigens niet onder lijdt, maar dit terzijde).

Als we dergelijke bespiegelingen geheel en al buiten beschouwing laten en ons concentreren op de muziek en op Pienaars pianospel (in het boekje overigens geen letter over het gebruikte instrument), dan zijn beide van uitstekend gehalte. Pienaar is bovenal geen musicus die 'zomaar iets doet' (dat blijkt al uit zijn goed geschreven, zij het mij niet overtuigend genoeg onderbouwde toelichting), maar die wel degelijk in staat is om de zeventiende-eeuwse retorica met de speltechnische en interpretatieve mogelijkheden van de hedendaagse vleugel te verbinden (niet associëren: dat is iets volstrekt anders). En al is het dan een voortdurend hinken op twee gedachten, hij doet dat – met inbegrip van de ornamentatie - wel op zeer smaakvolle wijze. Wat - het wordt ten overvloede vermeld - uiteraard de kloof tussen het klavecimbel, clavichord of orgel en de vleugel niet wegneemt.

Maar er staat wel tegenover dat verreweg het merendeel van het door Pienaar voor dit album gekozen repertoire zeker in discografisch opzicht zelf tot heden nog maar nauwelijks aandacht heefr gekregen en alleen al daarom best gesproken mag worden van een regelrechte aanwinst, zeker in deze zo smaakvolle, fraai gestileerde uitvoeringen. Wat mij betreft is het glas dus aanmerkelijk meer dan halfvol. Blijft alleen het instrument over dat voor ditzelfde repertoire nooit bedoeld is geweest. Maar als u daarover heen kunt stappen wacht u een fascinerende ontdekkingstocht.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links