CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2022

Fastes de la Grande Écurie

Inhoudsopgave: zie 1 & 2

Syntagma Amici & Giourdina
Ricercar RIC 439 • 70' •
Opname: juni 2021, Auditorium de Conservatoire de Caen (F)

   

Dit album staat niet alleen in het teken van de muziek uit het Grand Siècle, het tijdvak waarin met name de beide Lodewijken, XIII en XIV, het voor het zeggen hadden, maar ook in dat van twee samenwerkende ensembles die volkomen thuis zijn in dit zo bijzondere repertoire: Syntagma Amici en Giourdina.

De klemtoon van dit muzikale spektakel (want dat is het, van begin tot eind!) ligt op de bonte verzameling instrumenten, perfect passend als muzikale omlijsting bij zowel de exuberante hoofse feesten in die tijd als wat de militaire echelons – met veel muzikaal wapengekletter! – op dit punt te bieden hadden. Er werd toen al wat afgemarcheerd, onder de begeleiding van luidkeelse houten en koperen blaasinstrumenten, waaronder hobo's, trompetten, kornetten, sackbuts en trombones, en – even onmisbaar – de feestelijke tamboers en snerpende pijpers (nog steeds in gebruik, ook in ons land). In paradetenu uiteraard. Dat kon allemaal, met alle daarbij behorende pracht en praal, dankzij de uit vier afdelingen bestaande Grand Écurie, het muzikale ‘wapenarsenaal' aan het hof van Versailles. In 1651 kwam er nog een vijfde afdeling bij: met daarin de ‘cromorne' (een typisch Frans houten blaasinstrument van onbekende herkomst dat wordt gezien als voorloper van onze fagot) en de ‘trompette marine', een strijkinstrument met slechts één snaar (monochord) dat qua klank enigszins leek op die van de trompet (vandaar de benaming). De herkomst van ‘marine' is overigens ongewis.
De uitvoeringen op dit album, dat de passende titel Fastes de la Grande Écurie, de pracht van de Grande Écurie meekreeg, laten het pompeuze karakter van deze – deels ook ceremoniële – muziek uitstekend tot hun recht komen.

De eerste sporen ervan zijn terug te vinden tijdens het regiem van François I (reg. 1515-1547) en vervolgens van Henri III (reg. 1574-1589), om ten slotte tot volle luister te komen tijdens de regeerperiode van de Zonnekoning, Louis XIV (reg. 1643-1715), met als belangrijkste plaats van handeling het hof van Versailles. In een tijdspanne van twee eeuwen had het zich ontwikkeld zich van een eenvoudig muziekkorps tot een uiterst complexe organisatie die werd geleid door de Grand Écuyer de France, zeg maar de opper-opper-muziek-en-stalmeester. Dat kon ook niet anders, want ten tijde van de Zonnekoning was de écurie uitgegroeid tot twee aparte entiteiten. Daar was de Grand Écurie die bestond uit officieren (de meeste van hen afkomstig uit adellijke kringen) en de beroemde pages van de Écurie, met hun gevechts-, parade- en jacht paarden met de onvermijdelijk daarbij behorende stallen, foerageurs, voetknechten, kwartiermakers, enz.; en de Petite Écurie met als voornaamste taak de zorg voor de paarden, koetsen en andere rijtuigen die dienst deden aan het hof.

De van heinde en verre aangetrokken musici maakten deel uit van de Grand Écurie. Ze gingen in de verschillende steden het vorstelijk gezelschap vooruit om met hun muziek alvast de entrée van de koning de nodige luister bij te zetten. Ze bliezen vaak letterlijk hoog van de (stads)toren en vervulden daarbij de functie van muzikale herauten, maar ook bij allerlei andere gelegenheden en ceremonieën lieten ze van zich horen. Als het hof een of ander groot feest organiseerde, maakte de Grand Écurie daarvan onlosmakelijk deel uit. Zoals ook een rouw- of andere plechtigheid zonder de Grand Écurie ondenkbaar was. Die musici die met hun spel boven het maaiveld uitkwamen wisten zich bovendien verzekerd van een plek bij de Musique de Chambre of de Vingt-quatre Violons (du Roi). Ze waren eveneens van de partij als sprake was van bijzondere, meestal zeer omvangrijke festiviteiten waarbij ook de Musique de la Chapelle was betrokken.

De omvang van de Musique de l'Écurie is gedocumenteerd en telde op het hoogtepunt van haar bestaan zo'n veertig musici, alle voorzien van de officiersrang en ingedeeld in verschillende categorieën die op zich weer verschillende bands vormden. Aan de hand van de overgeleverde bronnen, met name het beschikbare archiefmateriaal en de vanaf 1644 gepubliceerde boekwerken van L'Était de la France geven ons inzicht in de samenstelling van de verschillende bands zoals die, afhankelijk van de gelegenheid, werden ingezet. Het moet een bont gezelschap zijn geweest, veelkleurig uitgedost en met trompetten, allerhande verschillende hobo's, fagotten, sackbuts, kornetten, violen, pijpers, musettes, trommels, enz. Dat bracht een hele organisatie met bijbehorende logistiek met zich mee!. Een deel van dit gezelschap trok standaard met de koning mee als hij op reis ging.

De laatste belangrijke aanvulling vond nog plaats in 1651 met de komst van de reeds genoemde vijfde groep, bestaande uit zes 'cromornes' en 'trompettes marine', speciaal bedoeld voor het begeleiden van de hoofse balletten, bals, toneelvoorstellingen en ter ondersteuning van de Musique de la Chapelle .

Naarmate er meer musici werden aangetrokken kon ook de uitwisseling tussen de verschillende groepen en het uitwaaieren naar allerlei feestelijke en ceremoniële activiteiten (en dat waren er jaarlijks heel wat) gemakkelijker gestalte krijgen. Ook het te spelen repertoire onderging , daardoor aangezet, een aanzienlijke uitbreiding, mede ook dankzij de vele arrangementen die werden gemaakt van onder meer instrumentale delen uit opera's en theatervoorstellingen, terwijl de instrumenten bovendien steeds beter werden. Voorbeelden daarvan zijn de verschillende bands die groot prestige genoten en die bestonden uit Grand Hautbois (vier hobo's: 2x dessus, 2x taille, twee kornetten, twee sackbuts en twee fagotten) en de Vingt-quatre (violen). Het was een ontwikkeling die zich vooral voordeed in de overgangsperiode van de Renaissance naar de regeringsperiode van Louis XIV.

Hoewel het een beeld oproept uit lang vervlogen tijden zijn er we degelijk sterke raakvlakken met het muziekleven zoals wij dat ruim driehonderd jaar, dus nu ervaren, met de vele militaire, harmonie- en fanfareorkesten, en natuurlijk de talrijke brassbands. Ensembles die zich zowel in zalen als in buitenruimten van hun beste kant laten zien en horen, en net als toen bij evenementen van de meest uiteenlopende soort en maat present zijn. Neem bijvoorbeeld de uitsluitend uit beroepsmilitairen bestaande Marinierskapel (er bestaan veel opnamen van) die, zowel met als zonder strijkers, van vele markten thuis is, variërend van klassiek en romantisch tot modern repertoire, met inbegrip van genres als jazz en dansmuziek.

We mogen van geluk spreken dat van die oude muziek veel bewaard is gebleven, wat vooral te danken is aan Anne Danican Philidor, de jarenlang aan het hof verbonden muziekbibliothecaris. Al weten we veelal niet wie de muziek heeft geschreven (dat werd niet altijd consequent genoteerd). Gelukkig zag meer leden van de niet alleen muzikaal vooraanstaande familie Philidor het belang van een ‘bewaarplicht' en wisten ze een groot deel van de collectie voor de ondergang behoeden. Daarvan hebben we nog steeds het volle profijt, zoals ook dit album bewijst.

Waarna ik weer terug bent bij het begin van deze recensie. Opgenomen in juni van het vorig jaar in het Auditorium van het conservatorium in Caen mag dit luisterfeest zeker spectaculair worden genoemd. Niet alleen zoals het qua geluidskwaliteit uit de luidsprekers (én hoofdtelefoon!) komt, maar ook het bijzondere instrumentarium en zeker niet in de laatste plaats de vertolkingen die net zo fabuleus zijn. De 29 stukken op dit album duren kort tot zeer kort, van nog geen halve minuut tot vijf minuten, wat een overmaat aan cesuren tussen de deeltjes zou hebben opgeleverd als er - terecht! - niet was gekozen voor een meer suite-achtige benadering.

Van vier stukken weten we niet met zekerheid wie de componist is, al word wel de naam van André Danican Philidor genoemd. De namen van de overige toondichters komen we regelmatig in het barokrepertoire tegen, met uitzondering van die van Charles Desmazures (1669-1736), organist in Marseille, die is vertegenwoordigd met zijn Pièces de Symphonie á quatre parties, oorspronkelijk gezet voor (blok)fluiten, hobo's en viool, maar hier gespeeld op vier blokfluiten en gitaar.

Het boekje is rijk gedocumenteerd en onmisbaar bij het beluisteren, zowel wat betreft de achtergronden van de muziek als het gebruikte instrumentarium (per werk wordt bovendien keurig de bezetting aangegeven). Treffend is ook (hoewel, wie had anders verwacht?) dat alle aan dit project meewerkende musici zich hebben toegelegd op het bespelen van deze historische instrumenten, waarvan dus uiteraard alle ins en outs kennen. Maar ook het gespeelde repertoire kennen ze op hun duimpje, kortom specialisten op hun vakgebied, wat tevens inhoudt dat zij individueel verantwoordelijk waren voor de keuze van zowel de muziek als het daarbij passende instrument(arium).

Een geweldig album dat ons laat kennismaken met de typisch Franse blaasmuziek uit de zeventiende eeuw. Een fascinerende en tegelijkertijd betoverende ervaring!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links