CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2022

Pettersson: Symfonie nr. 15 (1978) - Fantasie voor altviool (1936) - Altvioolconcert (1979)

Ellen Nisbeth (altviool), Norrköping Symphony Orchestra o.l.v. Christian Lindberg
BIS-2480 • 68' • (sacd)
Opname: jan. & mei 2020, Louis de Geer Concert Hall, Norrköping (Zweden)

   

De Zweedse componist (Gustav) Allan Pettersson (1911-1980) heeft zwaar geleden onder het niet geringe juk van chronische artritis dat hem in het componeren aanzienlijk bemoeilijkte. Daar kwamen eind jaren zestig nog eens ernstige nierproblemen bij die hem negen maanden lang aan het ziekenhuisbed gekluisterd hielden en hem zelfs dichtbij de dood brachten. Alles bijeen genomen verklaart dit waarom hij afgezien van zijn zestien voltooide symfonieën (de zeventiende bleef onvoltooid) aan andere genres slechts een bescheiden bijdrage leverde, waaronder op dit nieuwe album de Fantasie voor viool solo (1936) en het Altvioolconcert (1979). Zoals het ook verklaart waarom Pettersson in Zweden maar ook daarbuiten vooral werd gezien als een symfonicus (zoals begin jaren zeventig in een Noorse krant, waarna een Amerikaanse krant hem het etiket ‘master symphonist' opplakte). Hij was echter al rond de zestig toen zijn echte doorbraak kwam, met de Zevende symfonie, wat hem tevens het erelidmaatschap van het filharmonisch orkest van Stockholm opleverde. Het was onder andere met dit werk waarmee het orkest op Europese tournee ging en er een opname van maakte die in 1970 zelfs met twee Grammy Awards werd gehonoreerd.

Het zal je maar overkomen dat je vader een alcoholist is en straalbezopen de boel kort en klein staat of zijn huisgenoten molesteert. Het enige tegenwicht op het pad van de zelfdestructie is dan nog de moeder die in God haar levensweg en bestemming ziet en alles in het werk stelt om haar vier kinderen in bescherming te nemen en hen zo goed mogelijk op te voeden. Misschien was ze wel muzikaal genoeg om het muzikale talent in haar zoon e herkennen? In ieder geval legde ze voldoende Zweedse kronen voor hem opzij, opdat hij muzieklessen kon nemen. Toen hij negentien was, ging hij naar het conservatorium in zijn woonplaats Stockholm om zich niet alleen verder op de altviool te bekwamen, maar ook om er de fijne kneepjes van de compositietechniek te leren. Er vloeiden in die tijd veel liederen en kamermuziek uit zijn nog jonge pen, maar toen was het toch vooral de viool die de meeste tijd opslokte. Die studie wierp zijn vruchten af, want kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog mocht hij bij de Parijse vioolpedagoog Maurice Vieux verder gaan studeren, daartoe in staat gesteld door een studiebeurs van de Jenny Lind Stichting. Voor wie het niet weet: de gevierde Zweedse sopraan Johanna Maria Lind (1820-1887), beter bekend als Jenny Lind ofwel de Zweedse Nachtegaal, potte haar met optredens verdiende geld niet op, maar schonk een groot deel daarvan aan allerlei liefdadigheidsinstellingen en stimuleerde met geld en goede raad jonge, veelbelovende musici om les te nemen bij bekende pedagogen.

Pettersson, toen al violist bij het Konsertförenings Orkester in de Zweedse hoofdstad, het latere Stockholms Filharmonisch, hing in 1951 zijn viool toch maar aan de orkestwilgen om zich verder in het componeren te verdiepen. Van zijn twee leraren, Arthur Honegger en René Leibowitz, was de eerste voor hem de belangrijkste. Leibowitz had zich door de tijdgeest laten meeslepen en zich aan de seriële technieken vastgeklonken, terwijl Pettersson die richting nu juist niet op wilde. Toen hij eenmaal inzag dat Leibowitz hem op het zijns inziens verkeerde pad wilde zetten, gaf hij hem een stevige hand en vertrok.

In 1953 openbaarden zich bij Pettersson de eerste verschijnselen van gewrichtsontsteking, die hem uiteindelijk fataal zou worden. Het werd een lange lijdensweg, waarbij het relatief bezien nog het minste was dat hij voorgoed zijn viool moest opbergen. Maar componeren, dat ging nog wel, al zullen schrijfbewegingen hem extra veel pijn en ongemak hebben bezorgd. Zo is er het verhaal dat hij zijn drukverband gebruikte voor schetsen en geheugensteuntjes. Een pleister op de alsmaar doorzeurende wonde was zijn financiële onafhankelijkheid, die hem vanaf 1964 in staat stelde 'onbekommerd' te componeren. De Zweedse regering was hem in dit opzicht goed gezind geweest, zoals ook Stockholm hem in 1968 eerde met de Prijs van de Stad. Twee jaar later lag Pettersson negen maanden lang in het ziekenhuis, maar hij componeerde dóór. In 1975 liep zijn relatie met het Stockholm Filharmonisch tijdelijk op de klippen, toen er veel geharrewar ontstond over zijn inbreng in het programma voor de Amerikaanse rondreis van het orkest. De ruzie liep zo hoog op dat Pettersson over het ensemble zijn banvloek uitsprak: geen enkel werk van hem mocht nog op de lessenaars verschijnen. Wie nu precies eieren voor het geld koos is nooit goed opgehelderd, maar ten slotte werd het toch weer pais en vree. Met Pettersson zelf kwam het echter niet meer goed. In 1976 was hij zo ziek dat hij vrijwel geen stap meer kon zetten. Een schrale troost was nog in 1979 het eredoctoraat dat hem door de Stockholmse universiteit werd verleend. Het jaar daarop overleed hij aan zijn ziekte, polyartritis.

Pettersson moest niets hebben van atonale en seriële technieken of elektronische experimenten, maar schreef daarentegen in een heldere, direct toegankelijke stijl, waarin allerhande motieven een zwaarwichtige plaats innamen, nog eens aangesterkt door massieve ostinati. Pas op latere leeftijd gingen scherpe harmonische wrijvingen een grotere rol in zijn muziek spelen, werd de expressie agressiever en bediende hij zich van een dissonante clustertechniek om uitgesproken expansieve, vervreemdende klankvelden te scheppen.

Pettersson heeft als componist veel te danken aan Antal Dorati, die grote affiniteit met Petterssons klankwereld had en er veel aan heeft gedaan om zijn werken op de wereldkaart te zetten. Dat is toen slechts deels gelukt. Van zijn zestien symfonieën (nr. 17 bleef in 1980 in fragment achter) werden er slechts een paar regelmatig uitgevoerd, maar er is in de loop der tijd wel degelijk een kentering ingetreden. Zo is er sprake van allerlei websites die zich voor Petterssons muziek inzetten, worden er Pettersson-jaarboeken uitgegeven en valt er met name in West-Europa een stevige groei te bespeuren in het aantal bewonderaars.

Ondanks die toegankelijkheid schreef Pettersson bepaald geen technisch gemakkelijke stukken. Met name de uitvoering van zijn symfonieën (waarvan de meeste, het moet worden gezegd, naar langdradigheid neigen) vraagt om een zeer gedegen voorbereiding, willen ze überhaupt overtuigend van de grond komen. Dat ondervond de Russische dirigent Gennadi Rozjdestvenski, die met het Stockholm Filharmonisch de Zevende symfonie op het programma had gezet, maar er tijdens de repetities geen enkele grip op kreeg en uiteindelijk maar de handdoek in de ring gooide, tot grote verbijstering en woede van de componist (tussen hen beiden kwam het niet meer goed).

De Vijftiende symfonie (1978) laat zich stilistisch niet gemakkelijk definiëren, wat overigens geldt voor vrijwel alle composities die in de jaren zeventig ontstonden; dus ook het Altvioolconcert (1979). Ritmiek en tonaliteit worden, evenals het uitgebreide slagwerk, in de symfonie danig op de proef gesteld, al blijft Petersson doorgaans wel degelijk dicht bij het tonale huis met zelfs meer dan een hint naar de toonsoort aller toonsoorten: C-groot (bijvoorbeeld in track 8). Ook elders verschijnt C-groot steeds opnieuw vanachter de coulissen, met c-klein als voor de hand liggend contrast. Maar Pettersson jongleert voortdurend met toonsoorten, laat ze op een hellend vlak naar een nieuw evenwicht zoeken of dwars door elkaar heen lopen. Aan het slot is het evenwel een ferm Fis-groot dat de dienst uitmaakt, blijkbaar ingegeven door Petterssons idee dat de luisteraar zich vooral niet in veilige haven moet wanen. Een niet bepaald bevredigend einde van een niet in tijd maar wel in uitmonstering kolossaal werk dat eerst zijn première beleefde op 19 november 1982, twee jaar na het overlijden van de componist. De dirigent was Sergiu Comissiona, die zich decennialang heeft ingezet voor de promotie van Petterssons symfonisch oeuvre. Comissiona was chef-dirigent van het symfonieorkest van Göteborg (1967-1973) en van het filharmonisch orkest van Helsinki (1990-1994).

Het in 1979 gecomponeerde Altvioolconcert bleef na de dood van Pettersson nog enige jaren onder de radar. Zijn weduwe was van mening dat het werk van haar man niet per se Zweden toebehoorde, maar eerder een internationaal podium verdiende. Die gelegenheid deed zich voor in 1985, toen de Duitse dirigent, componist en orkestdirecteur Peter Ruzicka (hij was een van de dirigenten die betrokken waren bij de integrale vastlegging van de zestien [voltooide] symfonieën, het Symphonic Movement meegerekend, op het CPO-label) de weduwe thuis bezocht en daar de partituur kon inzien. Drie jaar later, op 24 september 1988, werd het voor het eerste uitgevoerd in Berlijn, met Comissiona als dirigent en Yuri Bashmet als de solist.

Heeft Pettersson het Altvioolconcert wel gecompleteerd? Zijn biograaf, Michael Kube, betwijfelt het ten zeerste. Het manuscript heeft, hoogst ongebruikelijk bij Pettersson, geen titelpagina (al is er wel een titel: Concert voor altviool en orkest) en begin- en einddatum meegekregen, maar ook uit allerlei aantekeningen bij noten blijkt dat nog een nadere uitwerking was voorzien. Ook de orkestratie lijkt minder ‘compleet', vergeleken met andere werken uit dezelfde periode, waaronder het Tweede vioolconcert (opgedragen aan Ida Haendel). Voor wie Pettersson het Altvioolconcert had bestemd is helaas onbekend gebleven.

Wie kennis wil maken met Petterssons vroege stijl verwijs ik graag naar de Fantasie voor Altviool solo (‘Fantaisie pour alto seul'), gecomponeerd in 1936. Het slechts 3½ minuten in beslag nemende werk staat – het licht voor de hand – ver af van Petterssons latere werk, al zijn er wel degelijk overeenkomsten. Het stuk ontstond in juni 1936, toen Pettersson aan het conservatorium altviool en compositie studeerde. We maken erin al kennis met wat ook in het latere werk van Pettersson een belangrijke rol zou gaan spelen: de kwartinterval, bruuske tempowisselingen en onrustige chromatiek. Het zijn elementen die nog geprononceerder naar voren komen in het in 1949 gecomponeerde Eerste vioolconcert. Het heeft maar liefst 36 jaar geduurd alvorens de Fantasie voor het eerst werd uitgevoerd: in 1972 tijdens een aan de componist gewijde radio-uitzending, met als solist Björn Sjögren, aan wie het was opgedragen.

In welke historische context het oeuvre van Pettersson kan of moet worden geplaatst laat zich niet zo gemakkelijk beoordelen, maar de tijd zal ook hier ongetwijfeld uitkomst bieden. Het is in ieder geval een oeuvre dat veel unieke kenmerken in zich draagt en alleen al daardoor een plaats verdient in de programma's van orkesten wereldwijd. Al valt niet te ontkennen dat dit ‘unieke' samenvalt met zeer hoge speltechnische maar ook interpretatieve eisen. Daarin moet dus stevig worden geïnvesteerd en dat is niet iets wat in ons huidige muziekklimaat op het puntje van de tong ligt. Dan blijven over: de cd. de dvd en de muziekdiensten. Zij bieden ieder voor zich de compensatie die de concertganger helaas moet missen.

Het Zweedse muzieklabel BIS heeft vrijwel het volledige oeuvre van Pettersson opgenomen, getuige dit indrukwekkende overzicht (het werkoverzicht met discografie vindt u hier). Wat daarbij tevens in het voordeel van BIS spreekt zijn de geweldige uitvoeringen (een van de vele die die op onze site in enthousiaste toonzetting zijn besproken). Dirigent Christian Lindberg heeft zich Petterssons idioom als geen ander eigen gemaakt, het symfonorkest van Norrköping speelt de sterren van de hemel en soliste Ellen Nisbeth blijkt de perfecte keus voor zowel de Fantasie als het Altvioolconcert. BIS heeft mede dankzij de prachtige opnamen, zowel in surround als in stereo, bovendien een zeer belangrijke steen bijgedragen aan het inmiddels behoorlijk uitgedijde Pettersson-heelal.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links