CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Stelle Lucenti - Monteverdi and his times

Kapsberger: Nò, nò, nò
Monteverdi: O come sei gentile
Marini: Con le stelle in Ciel
Ortiz: Recercada primera sobre canto liano - Ricercada primera sobre passamezzo antico
Luzzaschi: O primavera - Deh vieni ormai
Kapsberger: Canario
Quagliati: Ballo delle stelle: Stelle lucenti - Ardo d'amor
Monteverdi: Oblivion soave
Mayone: Toccata
Strozzi: Lagrime mie
Peri: Tu dormi
Piccinini: Romanesca con partite variate
Monteverdi: Ohimè dov'è il mio ben

Claron McFadden, Nora Fischer (sopraan), La Sfera Armoniosa
Zefir ZEF 9673 • 77' •
Opname: mei/juni 2018, Uilenburger Synagoge, Amsterdam

 

Het combineren van muziek van bekende met minder bekende of zelfs onbekende componisten is, mits smaakvol en met het juiste gevoel voor proporties gedaan, pakt vrijwel altijd uit als een aanwinst voor het repertoire, zowel op het podium als in de studio. De toehoorder wordt dan als het ware meegenomen op een avontuurlijke reis met nieuwe vergezichten die – hoe kan het anders – tevens nieuwe inzichten oplevert.

Dit nieuwe album van het in Middelburg gevestigde label Zefir (met de Zeeuwse Concertzaal bij wijze van spreken binnen handbereik) mag zich tot de categorie van de aanwinsten rekenen; en wel om meerdere redenen. De titel van dit nieuwe album, ‘Stelle Lucenti', schitterende ster, ontleend aan de gelijknamige titel van Paolo Quagliati's (1555-1628) 'Ballo delle stelle', dekt wat dit betreft de inhoud perfect (wat helaas van veel titels niet kan worden gezegd, als ze al logisch naar de inhoud te herleiden zijn). Maar op deze uitgave schittert de ster voortdurend. Of eigenlijk sterren: op vocaal terrein de sopranen Claron McFadden en Nora Fischer, en – samen het instrumentale ensemble La Sfera Armoniosa vormend - Paulina van Laarhoven op viola da gamba en lira, Emma Huijsser op blokfluit en harp en Mike Fentross op teorbe, barokgitaar en vihuela. Goed gekozen is ook de afwisseling tussen de vocale en instrumentale deeltjes.

U ziet het al aan de hand van het instrumentarium: we bevinden ons met dit album op het breukvlak van Renaissance en vroege Barok, een tijdperk dat uit zowel muzikale als politieke en maatschappelijke redenen van groot belang was. Zeker ook in Italië, waar van een coherent geleide natie nog geen enkele sprake was en lokale en regionale heersers het voor het zeggen hadden. Voor de muziek betekende dat in ieder geval een bloeiperiode, zoals in Mantua, Ferrara, Firenze en Venetië, maar ook in het pauselijke bolwerk Rome. Heersende families die het uiteraard niet zonder een uitgebreide hofhouding konden stellen en die geld in overvloed hadden om de meest uitgelezen componisten en musici aan te trekken. Het is zoals in vrijwel iedere culturele bloeiperiode: de creativiteit vierde hoogtij, er werden nieuwe vormen ontdekt en er kon naar hartenlust worden geëxperimenteerd.

Omgeven door de beste musici, waaronder ook een uitgelezen schare koristen en vocale solisten, kon het moeilijk anders dan dat componisten er sterk door werden geïnspireerd, wat op zich weer leidde tot bevlogenheid bij de uitvoerende artiesten. Het leverde een bijzonder vruchtbare kruisbestuiving op waarvan wij nu nog de naweeën kunnen terugvinden in de talloze manuscripten en gedrukte uitgaven die – gelukkig! – aan ons zijn overgeleverd. De vele collecties in de archieven, bibliotheken en kerkelijke instituten vormen de weerspiegeling van al die ‘sterren' die toen schitterden en waarin door ijverige muziekwetenschappers nog steeds nieuwe ontdekkingen worden gedaan. Misschien sluimert er bij enige van hen nog wel de stille hoop dat daarin ééns Monteverdi's eerste opera Arianne wordt teruggevonden…

Was er in die tijd ook plaats voor vrouwen in de muziek? Wis en waarachtig! De hertog van Ferrara beschikte zelfs voor drie voortreffelijke sopranen, die door het zangersleven gingen als ‘Concerto delle Donne'. Hun belang mag zeker niet worden onderschat, want – zoals Mike Fentross in het boekje opmerkt – behoorden zij tot de trots van het hof en gaven zij bijzondere concerten die alleen konden worden bijgewoond door de notabelen van stad of streek en dan alleen nog op persoonlijke uitnodiging. Het is een van de vele voorbeelden van het toegenomen belang van de vrouwelijke stem, waaronder ook een groot aantal zangeressen dat ook verschillende instrumenten bespeelde en zich bij gelegenheid dus ook zelf kon begeleiden. Geen wonder dus dat onder deze uitermate gunstige omstandigheden er ook ruimte kwam voor meer expressie in de muziek, de emoties niet meer in een keurslijf hoefden te worden geperst en de toehoorders aldus door een breed gamma van stemmingen werden overspoeld, variërende van diepe treurnis tot uitbundige jolijt, maar ook van liefdesgeluk en verdriet, woede, wanhoop en alles daar tussenin. Met als een van de belangrijkste genres in die tijd: het lamento, de klaagzang, een muziekvorm waarin vooral Claudio Monteverdi (1567-1643) niet alleen excelleerde, maar daarin ook naar nieuwe wegen zocht; én vond, met al aan de horizon de geboorte van de vroegste opera.

In ‘Stelle Lucenti', met als ondertitel ‘Monteverdi and his time', komen zowel ons zeer goed bekende als minder of misschien wel onbekende componisten ‘aan het woord'. Wat daarbij vooral opvalt is niet alleen het hoge artistieke niveau van deze composities maar ook de hoge eisen die aan de uitvoeringskunst worden gesteld (en let wel: dat is een oordeel ruwweg zo'n vier eeuwen na hun ontstaan!) Zoals we ook getuige zijn van de belangrijke ontwikkelingen die zich in dit genre hebben afgespeeld, wat ook alles te maken heeft met de inventieve samenstelling van dit programma. Als voorbeeld van het laatste: Barbara Strozzi (1619-1677) is vertegenwoordig met ‘Lagrime mie' (vrij vertaald: treur om mij). Zij was de leerlinge van Francesco Cavalli (1602-1676) die op zijn beurt weer het nodige had opgestoken van Monteverdi, aldus een goed voorbeeld van het fascinerende lijnenspel die de tijd ons biedt.

Uiteraard is het een belangwekkende vraag hoe deze muziek het beste uitgevoerd dient te worden. De praktische problemen die daarbij om de hoek komen kijken mogen we zeker niet onderschatten omdat we nu eenmaal geen goed beeld hebben van een uitvoeringspraktijk die in tijd gemeten al zo ver achter ons ligt. De voor de hand liggende verwijzing naar de historiserende uitvoeringspraktijk geeft echt geen antwoord op alle vragen zoals die rond de voordracht van dit repertoire cirkelen. Met als een van de belangrijkste: welke vrijheden zijn wel en welke zijn niet geoorloofd? Waren de neergeschreven noten wel of niet bij wijze van spreken in steen gehouwen? Hoe breed of juist hoe smal was dat evocatieve spectrum in werkelijkheid? Als er versierd mag of kan worden: hoe dan? Als het hoogste doel was om het hart van de luisteraars te bereiken moest het affect wel een belangrijke rol vervullen. Een toehoorder tijdens de première van Monteverdi's Arianne aan het hof van Mantua heeft ons iets daaromtrent nagelaten: ‘[…] Het werd uitgevoerd met zoveel gevoel en op zo'n boeiende manier dat er geen luisteraar was die er niet door geroerd werd; zoals er ook geen dame was die niet enige tranen plengde voor haar klaagzang'.

Het werd door talloze componisten in die tijd tot ware kunst verheven: het publiek ontroeren. Het is aan de vocalisten en instrumentalisten van nu om ook in deze bepaald niet door fijnzinnigheid getekende tijd dat beeld opnieuw op te roepen (wat nog iets anders is dan reproduceren). Dat vraagt veel van hen, zowel op interpretatief als op technisch vlak. Dat beide aspecten hand in hand dienen te gaan mag dan voor ons vanzelfsprekend zijn (het een niet zonder het ander), maar voor hen die dat moeten waarmaken ligt dat toch bepaald anders: voor hen komt de techniek eerst om de interpretatie überhaupt mogelijk te maken. Een vertolking die al die expressieve elementen dient te bevatten om ons in die unieke sfeer van de verbeelding en de ontroering te brengen. Zoals ieder die op zijn eigen wijze mag beleven. Het is die belevingswereld die dit uitgelezen ensemble weet op te roepen, vanuit het perspectief van de pure klankscoonheid (waaronder het schitterende gezongen duet 'O come sei gentile', prachtig omlijst door de fijnzinnige instrumentale begeleiding) en evocatieve vrijheid. Zo kan deze Oude Muziek subliem aanhaken bij onze op moderne leest geschoeide belevingswereld die er zover van afstaat maar waarvan de gezongen teksten (ze zijn keurig in het boekje opgenomen) merendeels van alle tijden zijn, zoals het lamento vandaag de dag net zo actueel is als vier eeuwen terug.

De ‘motor' achter het label, Jakko van der Heijden, koos ditmaal – ongetwijfeld uit praktische overwegingen – voor de Uilenburger Synagoge in Amsterdam. Hij heeft het daar meer dan voortreffelijk vastgelegd, zoals blijkt uit de weergave van de volkomen natuurlijke timbres van de beide sopranen en de zeven instrumenten. Opnieuw een album van Zefir Records om te koesteren, met daarbij tevens vermeld dat de samenwerking tussen La Sfera Armoniosa, Mike Fentross en het label al eerder bijzonder fraaie producties heeft opgeleverd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links