CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2019

 

Mahler: Symfonie nr. 7 in e

Budapest Festival Orchestra o.l.v. Iván Fischer

Channel Classics CCS SA 38019 • 76' • (sacd)
Opname: september 2015, Palace of Arts, Boedapest

www.youtube.com/watch?

   

In ‘Preludium', het gemeenschappelijke huisorgaan van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest, werd onlangs aandacht besteed aan de Nederlandse première van Mahlers Zevende symfonie. Die vond plaats op 2 oktober 1909 in Den Haag, door het Concertgebouworkest onder leiding van de componist. De dag daarop klonk het werk voor de eerste maal in Amsterdam (het was daarmee Mahlers vierde bezoek aan de hoofdstad), waarna de uitvoering op 7 oktober nog eens werd herhaald.

‘En toen kwam Mahler...‘
Een aantal orkestleden heeft over deze belangrijke gebeurtenis bericht. Zo beschreef de tweede violist Max Tak (hij zou later vooral bekend worden als correspondent in New York en radiomedewerker bij de AVRO) dat de toenmalige chefdirigent Willem Mengelberg al ruim vóór Mahlers komst de Zevende een week lang ‘onder hoogspanning' tot in detail had ingestudeerd. ‘En toen kwam Mahler,' aldus Tak, ‘een kleine, magere man met een hoog voorhoofd, waarin twee achter een randloze bril verscholen ogen, vuurpijlen in het orkest schoten. Hij leidde het orkest meer met de ogen dan met de rechterhand. Wat niemand van het orkest aanstond was het feit dat Mahler reeds bij de eerste maat [...] een aanmerking maakte op de wijze waarop Mengelberg, met zijn exacte in acht nemen van metrische indeling, die figuur had laten spelen. Die vinnige uiting verwekte de conflictatmosfeer, welke zich overal en zo vaak rond Mahlers figuur manifesteerde. De Mahler-repetities verliepen in een bijna incidentensfeer. Het kwam net niet tot explosies, vooral omdat Mengelberg bij elke repetitie aanwezig was. Dankzij ook Mengelbergs volmaakte instuderen, werd de door Mahler subliem geleide uitvoering een onvergetelijke ervaring. Als dirigent was hij een grootmeester. Gustav Mahler dirigeerde zijn symfonie vrijwel bewegingloos. Hij leidde het orkest meer met de ogen dan met de rechterhand. Zij die, zoals ik, onder Gustav Mahler gespeeld hebben, zullen vrijwel nimmer, zelfs niet door een Toscanini, zo scherp duidelijk de maat hebben zien slaan. Mahler speelde met het orkest. Elke musicus voelde dat hij zijn partij vervulde zoals de kleine grote tiran hem daartoe dwong.'

Groots en geniaal
Anders dan Tak was Samuel Blazer een doorkneed orkestmusicus die sinds de oprichting van het Concertgebouworkest in 1888 als solobassist meewerkte. Hij rekende Mahler tot de allergrootste dirigenten: ‘Zijn buitengewoon muzikaal gehoor benevens zijn enorme kennis van modern orkestreren zullen elk toonkunstenaar treffen. Het moet dan ook, dunkt mij, voor elk orkestlid een waar genoegen wezen onder zijn voortreffelijke leiding werkzaam te zijn.' Technisch beschouwde Blazer de Zevende symfonie als ‘een zéér groots opgevat werk', al gaf hij geen oordeel over het muzikale aspect ervan.
Soloaltist Herman Meerloo deed dat wel. Hij was op 1 oktober 1889 in dienst getreden en vond de onbekende compositie een groots en geniaal werk dat van toehoorder én uitvoerende de grootste toewijding verlangde. ‘Men weet niet wat men bij Mahler meer moet bewonderen: zijn prachtige, schitterende, kleurrijke instrumentatie, of zijn enorm kunnen. Men mag zijn muziek wèl of niet mooi vinden, het is een werk van een groot en geniaal kunstenaar.'
Volgens eerste solocellist Gérard Hekking – lid van het orkest sinds 1904 – had de Zevende symfonie zulke grootse proporties dat de geest die op het eerste gehoor moeilijk volgt. Maar Mahlers ‘science orchestrale est prodigieuse', aldus Hekking. ‘Mahler is een groot componist. Ik vertel u niets nieuws.'
Soloklarinettist Willem Brohm – orkestlid sinds 1905 – wilde geen oordeel vellen over componist-dirigenten, maar solohoboïst Richard Krüger en eerste solocellist Frits Gaillard waren een en al lof. Zij waren net als Blazer ervaren orkestleden: Krüger was lid sinds 1 oktober 1888, Gaillard sinds 1 november 1896.

Grootste orkestechnicus
Het viel allemaal te lezen in het tijdschrift De Kunst, waarin verder werd opgemerkt dat binnen het orkest een sterke stroming bestond ten gunste van de Zevende symfonie, die de meeste orkestleden ‘sympathiek gezind' waren, met de erkenning dat het een technisch buitengewoon waardevolle compositie was, hoewel voor sommige onder hen niet meer dan louter ‘maakwerk'. Waaraan haastig werd toegevoegd dat het een zeer kleine minderheid betrof en ‘natuurlijk tegenstanders van heel het Mahler'sche oeuvre.' Ondanks die kritiek waren vriend en vijand het er echter over eens dat Mahler als de ‘grootste orkestechnicus' moest worden beschouwd (of anders wel ‘een der grootste orkesttechnici') en dat de klankeffecten die hij wist te bereiken door geen enkele andere componist werd geëvenaard. Zelfs niet door Richard Strauss, al behoefde de componist van ‘Ein Heldenleben' voor zijn grote collega niet onder te doen.

De kleinste kleinigheid...
Hoe repeteerde Mahler eigenlijk? Want daarover is relatief weinig bekend. Enkele recensenten mochten de laatste repetitie van de Zevende in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw bijwonen. Daaronder ook de oprichter van het tijdschrift De Kunst, Nathan Wolf, die erover berichtte: ‘Wat ik bij deze repetitie vooral genoten heb is Mahler als “docent” voor het orkest. De kleinste kleinigheid, de geringste nuance die hem niet naar de zin is laat hij veranderen, totdat de vertolking perfect is. En “oren” dat hij heeft, – ooren!... daar weten de orkestleden wonderen van te vertellen!'
Mahler op zijn beurt stak uitbundig de loftrompet over het orkest: na de Weners was er in zijn ogen geen ‘schoner, klangvoller' orkest dan het Amsterdamse. Hij schreef aan zijn Alma: ‘Alles glänzend vorbereitet. Klingt großartig. […] Das Orchester ist prachtvoll und für mich riesig eingenommen. Dießmal ist es ein Plaisir und keine Arbeit.' En: ‘sie wollten so gerne auch einmal Beethoven oder Wagner von mir lernen.' Dat laatste bleef uiteindelijk beperkt tot het voorspel tot Die Meistersinger.

Klemperer en Walter
Aldus kunnen we enigszins (het is natuurlijk niet meer dan dat) navoelen hoe het daar in het Amsterdamse Concertgebouw begin oktober 1909 geklonken heeft. Waarmee we in de verste verte nog geen representatief beeld hebben van Mahlers kunnen als dirigent. Ook de berichten van andere tijdgenoten geven daarover niet voldoende uitsluitsel. Zoals ook de vertolkingen door twee dirigenten die hem tijdens zijn leven als orkestleider maar ook als mens goed hebben leren kennen, dienaangaande niet voldoende voldoende opheldering verschaffen: de interpretaties van Otto Klemperer en Bruno Walter verschillen daarvoor teveel van elkaar.

‘Revalidation'!
De Hongaarse dirigent Iván Fischer (hij is de oprichter van het Budapest Festival Orchestra) zal ongetwijfeld naar (veel van?) zijn voorgangers hebben geluisterd, maar dat heeft niet geleid tot een stevige dosis bescheidenheid. Zo schrijft hij in het cd-boekje: ‘The work is often seen as enigmatic, fragmented, less accessible than the other, beloved Mahler Symphonies. May this recording contribute to revalidation!' Alsof die herwaardering in de afgelopen decennia al niet lang en breed al was ingezet...

Maar hoe dan ook, het moet uiteindelijk toch uitmonden in de enig ware kunst die bombast en hysterie zoveel mogelijk vermijdt, met behoud van het visionaire aspect dat dit grootse werk ontegenzelijk aankleeft (daarin verschilt de Zevende niet wezenlijk van zijn voorganger, de Zesde). Maar het is tegelijkertijd geen muziek die buiten zichzelf bestaansrecht kan vinden. De betekenis (en zo u wilt de waarde) ervan kan met geen mogelijkheid los worden gezien van de persoon (en daarmee het karakter) van Mahler. Het is wat Louis Andriessen altijd zo heeft tegenstaan: dat de maker er voortdurend in present is. In de trant van ‘hoor mij eens vrolijk (of bedroefd) zijn'. Het zijn tegenpolen: Gustav Mahler en Louis Andriessen, maar ook diens vader Hendrik Andriessen, die vond dat de muziek veel belangrijker is dan de componist.

Middenkoers
Mahlers symfonische oeuvre laat het niet toe om een gemakkelijke middenkoers te varen, en al helemaal geen ‘alles of niets' aanpak. Het slaat al snel door naar het vulgaire, waarbij in het midden moet worden gelaten of de componist dat wel of niet daadwerkelijk zo heeft bedoeld of nagestreefd. Aan de hand van het notenbeeld zou je zeggen van wel, maar aan de vele verschillende interpretaties valt dat vreemd genoeg niet af te lezen. Neem eerst maar eens Bernsteins visie op de Zevende (de fameuze DG-opname) en luister vervolgens naar Klemperer (Warner), om dan bij Abbado (eveneens DG) uit te komen dat enigszins op een (gulden?) middenweg lijkt.

Enorme dramatische lading
Wat valt in de lezing van Iván Fischer en het fabuleus spelende orkest al snel op? Het sterk ontwikkelde gevoel voor het kleinste detail. Er wordt werkelijk niets, maar dan ook niets over het hoofd gezien. Dat wordt vooral duidelijk als de partituur erbij wordt genomen: echt alles staat haarscherp afgetekend, de voordracht is exemplarisch, de dynamische accentuering fenomenaal, maar zonder dat het beeld als geheel daaronder lijdt (overigens een zeer bekende valkuil in dit repertoire). Tegelijkertijd heeft de vertolking van de beide hoekdelen en het scherzo iets onnavolgbaar rudimentairs, soms zelfs bijna improvisatorisch, alsof het orkest zich in het vrije veld bevindt, losgelaten, frank en vrij, wat niet zo kan zijn, maar wel een enorme dramatische lading met zich brengt (zelfs de exuberante finale kent dergelijke momenten). Wat Fischers vertolking eveneens duidelijk maakt is dat het opus heel wat logischer in elkaar steekt dan de (wellicht eerste) indrukken doen vermoeden. Daarin slaagt hij zelfs fractioneel beter dan zijn voorgangers (en daaronder niet de minste, zoals de reeds genoemde Bernstein en Abbado). De verbeelding is volop aan het werk, het traditioneel schilderachtige (de beide Nachtmusiken!), een kolfje naar de hand van menige dirigent, moet plaats maken voor distractie en mysterie, wat de militaristische kanten van dit werk in een nog scherper maar tevens wranger daglicht stelt. Het past volmaakt in het beeld van een dirigent die voortdurend op zoek is geweest naar een diep gewortelde logica en die blijkbaar ook heeft gevonden. Let wel: dat is een enorme uitdaging en tegelijkertijd – als het lukt - een enorme prestatie. Het alles omvattende resultaat: er gaat van dit betoog een enorme expressieve kracht uit, omgeven door een dwingende logica die diep respect afdwingt. Maar laat het volkomen helder zijn: dit ontstaat niet uit zichzelf, al ontstaat die indruk soms wel, duidelijk geholpen door het uitbannen van iedere vorm van gekunsteldheid.

Strijd
In deze wonderwereld zonder enig opgelegd pandoer brengt Fischer het scherzo en de beide ‘Nachtmusiken' dichter bij de Tweede Weense School dan ik voor mogelijk kon houden. De collagetechniek zoals Mahler die in zijn Negende heeft toegepast ontbreekt weliswaar nog in de Zevende (en de Achtste), maar vanuit het perspectief van de picturale instrumentatie (waaronder ‘Fremdkörper' als tenorhoorn, mandoline, gitaar, gong, tamboerijn en koeienbellen) en de strijd die - soms op het scherp van de snede - wordt geleverd tussen Laatromantiek en (vroege) atonaliteit is er wel degelijk sprake van een nieuwe richting. Mahler zelf vond de Zevende tot dan toe zijn beste werk: “Es ist mein bestes Werk und vorwiegend heiteren Charakters' (waarbij dat laatste met een stevige korrel zout mag worden genomen). In dit werk lijkt de creatieve blokkade die hem tijdens het scheppingsproces tijdelijk maar wel stevig trof, verder weg dan ooit.

Groots monument
Iván Fischer en zijn orkest hebben met deze uitvoering van Mahlers Zevende een groots monument opgetrokken dat zich kan meten met de beste vertolkingen (waaronder die van Abbado, Bernstein, Boulez, Chailly en Solti: ze schieten me als eerste te binnen). Tegelijkertijd is het een hoogtepunt in Fischers (in mijn beleving nogal wisselende) Mahler-cyclus (waaraan de Achtste niet zal worden toegevoegd). Wie meer wil weten van zowel de achtergronden van dit werk als de visie daarop van Fischer verwijs ik graag naar de VPRO-documentaire op YouTube. En dan te bedenken dat Adám, de broer van Iván, eveneens Mahlers Zevende heeft vastgelegd, met het symfonieorkest van Düsseldorf, op het AVI-label. Nee, deze uitvoering kan de vergelijking met die van broer Iván zeker niet doorstaan, maar bijzonder is het wel!

De in Boedapest gemaakte, uitstekende opname (zeker in de surround-modus vliegen de pannen bijna van het dak) dateert al van september 2015, maar is nu pas uitgebracht. Waarom er zo lang mee is gewacht weet ik niet, maar mogelijk heeft het te maken met het release-beleid.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links