CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2009

 

 
   
   
   
   

Maconchy: The Sofa.

Nicholas Sharratt (Prince Dominic), Sarah Tynan (Monique), Josephine Thorpe (Dominic's grandmother), Alinka Kozári (Lucille), Anna Leese (Laura), Patricia Orr (Yolande), Patrick Ashcroft
(A suitor), George von Bergen (Edward), Ensemble: Samuel Boden, Michella Daly, Jassy Husk, Simon Lobelson, Ton Oldham, Kate Symonds-Joy en David Webb (guest solo), Independent Opera Orchestra at Sadler's Wells o.l.v. Dominic Wheeler.

Maconchy: The Departure.

Louise Poole (Julia), Hakan Vramsmo (Mark), Off-Stage ensemble: Patrick Ashcroft, Samuel Boden, Michelle Daly, Jassy Husk, Anna Leese, Simon Lobelson, Tom Oldham en Kate Symonds-Joy, Independent Opera Orchestra at Sadler's Wells
o.l.v. Dominic Wheeler.

Chandos CHAN 10508 • 71' •


Elizabeth Maconchy (1907-1994) groeide op in Engeland en Ierland. Haar Ierse ouders waren niet muzikaal begaafd, maar dat nam niet weg dat ze al op haar zesde begon met componeren. Nog maar nauwelijks zestien ging ze studeren aan het prestigieuze Royal College of Music in Londen, waar haar grote muzikale talent sterk opviel en diepe indruk maakte op haar docenten Ralph Vaughan Williams en Charles Wood. Maar ze had meer bewonderaars, zoals Gustav Holst, Donald Tovey en Henry Wood.

Eigenlijk kon de al even prestigieuze Mendelssohn-studiebeurs haar neus niet voorbijgaan, ware het niet dat de conservatoriumdirecteur het conservatieve beeld koesterde van de vrouw aan de wastobbe en in de keuken. Hij vond dat een vrouw niet behoorde te componeren en er beter aan deed om een man te zoeken, te trouwen en de kinderen op te voeden. In die tijd was er geen Engelse Aletta Jacobs, die het feminisme en de vrouwenemancipatie bijna letterlijk van de daken schreeuwde. Inderdaad trouwde Elizabeth later, maar het componeren gaf ze niet op.

Praag

Haar grote belangstelling voor de Midden-Europese eigentijdse muziek bracht haar naar Praag, waar zij bij Karel Jirák ging studeren. In 1930, ze was toen drieëntwintig, beleefde ze daar de première van haar Pianoconcertino (met daarin invloeden van o.a. Janácek, Bartók en Vaughan Williams), met Erwin Schulhoff (klik hier) als solist. In datzelfde jaar, kort na haar terugkeer in Engeland, stuurde ze haar orkestssuite The Land aan Henry Wood, die er vervolgens geen gras over liet groeien. Kort na de ontvangst dirigeerde hij de eerste uitvoering ervan tijdens de toen al beroemde Londense Henry Wood Promenadeconcerten. Elizabeth trouwde tussen de vele muzikale bedrijven door met William LeFanu (1904-1995).

Het mag een wonder heten dat er binnen de inerte Engelse maatschappelijke verhoudingen niet alleen plaats was voor een vrouwelijke, eigentijdse componist, die evenals haar manlijke collega's met compositiepopdrachten werd bedeeld. Haar werk was regelmatig op de BBC-radio te horen, haar ballet- en kamermuziek, liederen en orkestwerken klonken in onder andere de VS, Australië, Frankrijk, Duitsland en Oost-Europa. Kortom, het werk van Elizabeth Maconchy genoot internationale belangstelling.

Keerpunt

De première van Benjamin Brittens opera Peter Grimes in het Sadler's Wells Theatre in Londen op 7 juni 1945 betekende een waar keerpunt in de geschiedenis van de Engelse eigentijdse opera. Hoewel Holst, Delius en Vaughan Williams eerder min of meer succesvolle opera's hadden geschreven, had Edward Elgar het genre bewust gemeden en juist het oratorium nieuw leven ingeblazen. Bovendien hadden de Engelsen nauwelijks enig begrip van de ontwikkelingen op eigentijds operagebied op het vasteland. Daar waren het vooral componisten als Hindemith, Janácek, Bartók, Berg, Schönberg en later ook Sjostakovitsj die de opera nieuw leven hadden ingeblazen, terwijl men het in Engeland moest doen met Rutland Boughton, die grossierde in een pseudo Wagnerstijl, waaraan geen progressieve stijl kon worden ontleend. Met Peter Grimes werd alles echter anders. Het was deze opera die nieuwe maatstaven oplegde, zowel aan het publiek en de musici als aan andere componisten. De maatlat kwam plotsklaps fors hoger te liggen. Men moest zeker als componist vanaf nu van zeer goede huize komen om op dit niveau überhaupt nog mee te kunnen. Dat ondervond negen jaar later William Walton, die door de pers op het hakblok werd gelegd. Na de première van zijn opera Troilus and Cressida werd het werk als te ouderwets door de muziekkritiek neergesabeld.

Niet alleen had Britten met Peter Grimes de klaroenstoot gegeven voor een nieuwe Engelse operacultuur, maar daarnaast de weg vrijgemaakt voor de uitvoering van eigentijdse opera's door kleine, maar progressieve operagezelschappen, zoals de English Opera Group, die op de door Britten zelf georganiseerde muziekfestivals in Aldeburgh een stevig stempel drukte. Het belang van onder andere de Engelse eigentijdse opera nam nog verder toe toen het Aldeburgh Festival werd opgenomen in de rij van de belangrijke Europese muziekfestivals en Decca meer en meer Britten-opera's uitbracht onder leiding van de componist.

Op het terrein van de opera had Maconchy echter nog niets laten zien en werd zij - ondanks haar successen in binnen- en buitenland - nog steeds geplaagd door badinerende opmerkingen over haar werk, in de trant van "zeer goede muziek...voor een vrouw" of "[...] dergelijke gespierde muziek, en dan te bedenken dat ze een vrouw is [...]." Vrouwen kregen eenvoudigweg geen opdracht om een opera te componeren. Peter Grimes kon daar niets aan veranderen.

Maar medio jaren vijftig keerde het tij, althans voor Maconchy. De vooruitstrevende New Opera Company vroeg haar een opera te componeren, wat in 1957 resulteerde in The Sofa, die voor het eerst door de NOC werd uitgevoerd op 13 december 1959 in het Sadler's Wells Theater. Het was de eerste van de trilogie eenakters (The Departure en The Three Strangers werden in 1967 voltooid).

The Sofa

Het libretto stamt van de zeer talentvolle vrouw van Ralph Vaughan Williams, Ursula, die zich daarbij baseerde op de satire van Claude Prosper Jolyot de Crébillon (1707-1777), maar wel zo handig was om de handeling naar de negentiende eeuw te verplaatsen. De samenwerking met Maconchy verliep vlekkeloos, wat des te opmerkelijker is als we beseffen dat Ralph Vaughan Williams, vergeleken met Maconchy, eerder een conservatieve componist was. In de eerste helft van de jaren vijftig was Maconchy's reputatie toch vooral gestoeld op haar compromisloze, dissonantrijke idioom en haar onwrikbare geloof in een eigen stijl, die naar mijn gevoel het beste tot zijn recht komt in haar zeventien(!) strijkkwartetten. Geen wonder dus dat het die combinatie was die haar populariteit in meer behoudende kringen danig in de weg stond.

The Sofa is een goed geslaagde pastiche en een schoolvoorbeeld van absurd muziektheater. Maconchy parodieert hierin naar hartelust Beethoven, Johann Strauss Jr. en Puccini, maar belangrijker is misschien nog wel dat zij, samen met haar librettist, gelijk maar de weg vrijmaakt voor de in Engeland alleen nog maar besmuikt aanvaarde promiscuïteit. Het is uitgerekend de vrije liefde, die zelfs naar het bandeloze neigt, die in The Sofa een sleutelrol speelt. 'Lustige Streiche' (vrij naar Tijl Eulenspiegel), daar gaat het in deze opera om en daarvoor haalde Maconchy allerlei 'hulpmiddelen' uit de kast, van een schateraria tot een huppelende wals in 5/8 maat. Met een bescheiden instrumentale bezetting (enkelvoudige houtblazers, twee hoorns, trompet, slagwerk, piano en slechts een handvol strijkers) schildert de componist in rauw-realistische kleuren de verhitte atmosfeer van een party, waarvan de jonge deelnemers zich vast hebben voorgenomen om (erotisch) veel plezier te maken, wars van de conventie en het moralisme. Het leidmotief is eerder dat zij zich nu eenmaal zo voelen en gedragen, juist omdat ze zo jong zijn, zonder acht te slaan op de alom heersende sociale mores. Een bijna naar Offenbach gemodelleerde variatie op het 'Wein, Weib und Gesang', doortrokken van bruisend leven, vol klatergoud en met veel meer dan slechts een knipoog naar de esprit de clocher. Een fascinerende mengeling van maatschappijkritiek en hedonisme, die in de eenakter een voortdurende, maar onweerstaanbare spanning oproept

Als de beide hedonistische hoofdpersonen, Dominic (de dirigent in deze productie draagt dezelfde voornaam, maar dat berust op puur toeval) en Monique, zich op de bank aan het liefdesspel overgeven, worden ze door Dominics grootmoeder betrapt. Zij is niet alleen de bron van Dominics rijkdom, maar ze beschikt bovendien over bovennatuurlijke krachten. Ze is woedend over het schouwspel en laat dit in alle toonaarden ook blijken. Dominic probeert zich uit de netelige situatie te redden door voor te wenden dat het Monique was die hem op de bank neerdrukte, de schuld bij haar te leggen, waarop de pittige oma besluit om haar kleinzoon dan maar werkelijk neer te drukken: met toverkracht verandert ze hem in een sofa . Iedereen mag van nu af aan op hém gaan zitten. Hij zal pas uit die netelige situatie worden bevrijd als een liefdespaar op hem, de bank, de liefde bedrijft. Na de nodige verwikkelingen gebeurt dat ook en wordt Dominic weer tot mens getransformeerd. Het lijkt nogal flinterdun, maar de achterliggende moraal is onmiskenbaar.

CD-première: The Departure

Ook deze eenakter beleefde in het Sadler's Wells zijn première, eveneens door het NOC, op 16 december 1962. Het werd een daverend succes. De muziekcritici waren lovend: "daring, masterly, original." Ditmaal was de librettist een goede vriendin van Maconchy, de bekende dichter Anne Ridler, samen met T.S. Eliot de samensteller van A Little Book of Modern Verse. Ridler was dol op muziek (ze zong in allerlei amateurkoren) en zou later nog de teksten voor twee andere opera's van Maconchy voor haar rekening nemen: The Jesse Tree (1970) en Ring of the Golden River (1975). Ook met de vertaling van onder andere Italiaanse operateksten van Monteverdi, Cavalli, Cesti, Händel, Gluck en Mozart maakte zij naam. Een van haar beste vertalingen is die van Mozarts Così fan tutte, in opdracht van The Opera Factory.

Evenals in The Sofa is de orkestbezetting bescheiden, met enkelvoudig bezette houtblazers (maar met Engelse hoorn!), slagwerk, harp en wederom een handvol strijkers. Het off-stage koor is een ernstige en beschouwende rol toebedeeld, stemmingswisselingen in het gehele ensemble wisselen elkaar in hoog tempo af. Het stuk ademt ditmaal meer de sfeer van Vaughan Williams dan van Offenbach. Het draait om de tragiek van de hoofdpersoon, Julia, die haar eigen begrafenis aan zich voorbij ziet trekken en zich herinnert hoe zij bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Thuis ziet zij haar man, Mark, maar hij kan haar niet zien. Julia zingt over hun eerste rendez-vous, Mark hoort haar stem - of hij beeldt zich dit in. Hoewel zij voor hem onzichtbaar blijft, zingen ze samen een sensueel duet over de liefde en de tijd die voorbij is gegaan. Het is hun laatste 'ontmoeting', hoezeer Mark ook wanhopig probeert haar bij zich te houden. Julia is echter nu gereed voor het hiernamaals. Werkelijkheid en inbeelding lopen door elkaar heen in een surrealistische setting.

Uitvoering

We mogen het allemaal meemaken: de kracht van de verbeelding, surrealistische karakterschetsen, parodie, sensualiteit, intrige, collage, het platte naast het verhevene, vrolijkheid naast tragiek, het groteske en het amusante. Dat lukt uiteraard alleen overtuigend als alle rollen zowel vocaal als qua uitbeelding goed zijn bezet en het orkestaandeel optimaal in de toneelhandeling is geïntegreerd. De gebeurtenissen trekken - met name in The Sofa - als een wervelvind voorbij, het tempo ligt hoog, de onderhuidse spanningen zijn voortdurend voelbaar. Een sterke acteerpuls draagt de voorstelling van a tot z, wat dan tegelijk het voornaamste nadeel oplevert van deze prachtige, van hoog tot laag superieur doortekende cd-opname (Henry Wood Hall, Londen, november 2007): het visuele element wordt danig gemist. Omdat er zo goed wordt gezongen en geacteerd, treedt dat meer op de voorgrond. De kracht van beide opera's schuilt niet alleen in de muziek, maar in de gehele voorstelling als zodanig. Dat klemt des te meer omdat die muziek niet op alle punten even sterk is. Sommige melodische vondsten liggen nogal voor de hand, her en der zijn er stoplappen die de toneelacties met elkaar verbinden, maar het belangrijkste is toch wel dat het uitdagende en uitbundige showelement deel uitmaakt van het kijkspektakel. Dit zijn theaterproducties pur sang en daarom wordt de dvd node gemist. We moeten het echter doen met deze, overigens zeer geslaagde cd-uitgave. Mogelijk verschijnt er in de toekomst nog eens een dvd-productie, die dan hopelijk op hetzelfde hoge niveau staat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links