CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2019

Lully: Dies Irae LWV 64/1 - De Profundis LWV 62 - Te Deum LWV 55

Sophie Junker en Judith van Wanroij (sopraan), Matthias Vidal en Cyril Auvity (countertenor), Thibaut Lenaerts (tenor), Alain Buet (bas), Choeur de Chambre de Namur, Millennium Orchestra, Cappella Mediterranea (continuo) o.l.v. Leonardo García Alarcón
Alpha 444 • 83' •
Opname: februari 2018, Chapelle Royale, Château de Versailles (F)

   

Het laat zich niet gemakkelijk verklaren: Jean-Baptiste Lully (Firenze, 1632-Parijs, 1687) bekleedde binnen de prestigieuze Chapelle du Roi van de Zonnekoning geen enkele rol van betekenis en toch staat zijn grote invloed op de ontwikkeling van het Grand Motet buiten iedere discussie. Maar al spoedig nadat hij in 1661 was benoemd tot ‘'Surintendant de Musique et Compositeur de la Musique de Chambre'' ontwikkelde hij zijn ‘grande musique' om daarbij de vele ceremoniële activiteiten aan het hof van Lodewijk XIV grandioze luister bij te zetten. Het was de tijd van het somptueuze ‘pomp and circumstance' ter ere van God en de Koning.

Lully mag dan niet verbonden zijn geweest aan de Chapelle du Roi, hij had wel een stevige grip op de ‘Musique de la Chambre'. En hij kende als geen ander de kwaliteiten van de daarmee verbonden twee grote afdelingen, bestaande uit een groot aangelegd orkest (aangevuld met de 24 ‘violons du Roi'!) en twee stevig uit de kluiten gewassen koren. Het moet een en al muzikale schittering zijn geweest, met het motet als het volmaakte model, in ruimten die zowel akoestische als bouwtechnische schoonheid uitstraalden, met de koning en zijn familie uiteraard in het middelpunt van de festiviteiten. Het beviel de vorst dusdanig dat hij al snel besloot om ook de dagelijkse mis door deze in muziek gevatte pracht en praal te laten omlijsten. Toen zijne doorluchtige hoogheid in 1682 zijn intrek nam in het paleis van Versailles nam hij prompt de gelegenheid te baat om de omvang van zijn Chapelle fors te vergroten.

Lully's Grand Motets behoren zoals zoveel koorwerken in dit genre dus tot de gelegenheidsmuziek: ze dienden immers een bepaald doel. Zoals dat ook gold voor de ‘sous-maîtres' van de Chapelle, Robert en Du Mont, die eveneens voor de koning en zijn dagelijkse mis muziek schreven.

Thuis in adellijke kringen
Het is een wonder dat Lully het zo ver wist te schoppen. Zijn jeugd verliep bepaald niet in grote welstand en hij behoorde zeker niet tot de welstandsklasse die goede educatie en maatschappelijke vorming in de schoot kreeg geworpen. Dat Giovanni Battista zich aan zijn weinig perspectief biedende milieu wist te ontworstelen dankte hij in de eerste plaats aan zijn muzikale talenten en in de tweede plaats aan een edelman, Roger de Lorraine, graaf De Guise, die daarop opmerkzaam werd gemaakt en de jonge telg (hij was nog maar net 14) meetroonde naar Parijs, waar hij zijn intrek nam aan het hof van diens nicht,'La Grande Mademoiselle' de Montpessier, die Lodewijk XIV tot haar neef mocht rekenen. Daar kwam Lully onder de hoede van de 'air de cour' componist en zanger Michel Lambert (Lully trouwde in 1662 met diens dochter Madeleine), die hem belangrijkste beginselen van het muziekvak bijbracht. Viool- en klavecimbellessen kreeg hij van Gigault en Roberday, Métra bracht hem tenslotte de fijne kneepjes van het componeren bij. Zo ontwikkelde Lully zich tot een verdienstelijk klavecinist, violist en componist. Hij voelde zich goed thuis in de adellijke kringen en bouwde daarin geleidelijk het netwerk op dat voor zijn muzikale toekomst van grote betekenis zou zijn.

Buiten gezet
Lully's nogal zorgeloze bestaan leek een knak te krijgen toen 'La Grande Mademoiselle', die zich met volle overgave voor de idealen van de Frondisten had ingezet, na hun nederlaag haar bezittingen moest opgeven en verbannen werd naar Saint-Fargeau. Lully stond van de ene op de andere dag buiten, maar wist zich na de dood van zijn landgenoot en goede vriend Lazzarini in 1653 verzekerd van de riante positie van hofcomponist ('compositeur de la musique instrumentale') van Lodewijk XIV.

 
 
Jean-Baptise Lully

Titels
Hij speelde in huis- en hofkapellen en maakte deel uit van het ensemble '24 Violons du Roi'. Vanaf 1652 leidde de inmiddels gevierde Lully het uit zestien leden bestaande ensemble 'Petits Violons', dat niet alleen optrad tijdens de koninklijke maaltijden, maar ook vast onderdeel uitmaakte van de hofentourage. Als de koning met zijn gevolg op reis ging, reisde Lully's muziekgezelschap met hem mee. Lully verzamelde in de loop der tijd nogal wat titels: 'Surintendant de Musique et Compositeur de la Musique de Chambre', 'Maitre de la Musique de la Famille Royale' en 'Secrétaire du Roi'. De eenvoudige Italiaanse molenaarszoon was in 1661 Frans staatsburger geworden en had zich aan de top van het Franse muziekleven weten te nestelen. Tot aan zijn dood in 1687 genoot hij de bescherming van zijn vorstelijke weldoener, wat hem tevens alle gelegenheid bood om financieel zorgeloos te kunnen blijven componeren. De laatste jaren hield hij zich vooral bezig met het schrijven van geestelijke muziek, mogelijk omdat het Parijse hof de broekriem had aangehaald (er waaide daar vanaf 1683 een nogal koude wind, nadat Lodewijk XIV in het huwelijk was getreden met zijn vroegere minnares, Françoise d'Aubigné, de markiezin van Maintenon) en minder compositieopdrachten verstrekte. We danken er onder andere de majestueuze 'Grand Motets' aan. Zijn laatste opera, Achille et Polyène, bleef onvoltooid.

Alleenheerschappij
In de periode tussen 1650 en 1660 concentreerde Lully zich op het componeren van hofballetten, de 'ballets de cour', waarin - als we althans de verhalen daarover mogen geloven - de koning zelf intensief deelnam (het is niet waarschijnlijk dat hij zich aan pirouettes overgaf, maar eerder aan de min of meer statige dansfiguren). Lully was een behendige componist die er wel voor zorgde dat zijn muziek bij het hof in goede smaak viel. Dat was op zich niet zo bijzonder, want onze rijke muziekgeschiedenis kent daarvan talrijke voorbeelden. Zijn samenwerking met de toneelschrijver en acteur Jean-Baptiste Poquelin (Molière) resulteerde in een aantal 'comédies-ballets', waarvan Le bourgeois gentilhomme in 1670 de eerste was. De twee vormden een uitstekende combinatie. Molière kon, evenals Lully op muzikaal terrein, dankzij zijn blijspelen en kluchten op de gunsten van Lodewijk XIV rekenen. Er moet hard en veel zijn gelachen om de wijze waarop Molière in zijn stukken de adel, de geestelijkheid en de medische stand op de hak nam. Molière (hij overleed in 1673) mag ook als de voorloper van de door Lodewijk XIV in 1680 opgerichte 'Comédie Française' worden beschouwd.

Opera
Lully's muzikale begaafdheid, zijn gevoel voor drama en zijn grote belangstelling voor de Franse literatuur had in korte tijd het genre van de 'comédies-ballets' naar grote hoogte opgestuwd, maar de weg naar de opera lag toch minder voor de hand. Lully was er althans niet van overtuigd dat de Franse taal daarvoor een geschikt medium was. Hij kwam daarop terug na het bijwonen van een voorstelling van de eerste Franse opera, Pomone, een pastorale opera in vijf bedrijven van het duo Robert Cambert (componist) en Pierre de Perrin (librettist), die in hun werk het publiek niet alleen met de landelijke, maar ook met de komische en tragische kanten van het bestaan kennis liet maken. En met groot succes. Het is zeker aan hen te danken dat de Franse opera al snel zeer geliefd was, en zeker niet alleen in de kringen rond het hof. Dat ging zelfs zo ver dat in 1669 werd begonnen met de bouw van een speciaal voor opera-uitvoeringen bestemd theater, dat in 1671 voor het eerst de deuren opende. In die 'Académie d'opera's' stonden de stukken van Cambert-Perrin uiteraard als eerste op het programma. Lully leek hier mis te grijpen, maar in 1672 veranderde dat beeld ingrijpend. Lully greep zijn kans toen Perrin bezweek onder zijn schuldenlast en in de gevangenis verdween. De door Lodewijk XIV aan Perrin toegekende privileges vielen nu aan Lully toe, die met de nodige volmachten op zak de 'Académie Royale de Musique' oprichtte en tot directeur werd benoemd. In 1673 was het de beurt aan Cambert om zijn privileges aan Lully af te staan. Lully werd nu tevens de directeur van het 'Théâtre Royal'. Daarmee kon Lully zowel spreken als componeren voor de eigen parochie. Lully's alleenheerschappij leek een feit. Zijn rivalen hadden het nakijken, hij genoot de volledige bescherming van de koning en hij kon produceren wat hij wilde. Muziek die hem niet zinde, strandde al vóór de deuren van de theaters, maar van een leien dakje ging het toch niet. Er werd een poging gedaan hem te vergiftigen, geruchten over zijn homoseksualiteit waarden rond.
Maar de ruimte die hij kreeg en nam leidde tot zijn grote theaterstukken, in de vorm van de 'tragédie-lyrique' (of 'tragédie mise en musique'), het genre dat tot diep in de achttiende eeuw het toneel zou gaan beheersen. Het leek een ware smeltkroes van oder andere stijlen en elementen uit de Italiaanse opera, waarin de tragedie, de komedie en het ballet broederlijk langs en door elkaar heen. De inhoud was klassiek, met de conflictueuze verwikkelingen rond heldendom en liefde als het centrale thema, met de liefde als de grote verliezer.

Bizar einde
Lully werd het slachtoffer van zijn eigen dirigeerstaf. Tijdens de uitvoering van zijn Te Deum in januari 1687 stampte hij met die staf zo hevig op zijn voet dat hij zich daarmee ernstig verwondde. Ontsteking volgde op ontsteking, de wond ging etteren, er ontstond bloedvergiftiging. Het advies van zijn medici om de voet te laten amputeren sloeg hij in de wind. Een nogal bizar einde van een van de grootste Franse componisten uit de zeventiende eeuw.

Lully en het Kruis
De op deze cd verzamelde drie koorwerken vormen tezamen een indrukwekkende staalkaart van Lully's grote compositietalent. Ja, het is in toon en gebaar door en door het zeventiende-eeuwse Parijs in alle denkbare muzikale luister, tevens getuigend van melodische inventie en verbeeldingsvolle instrumentatiekunst, ritmisch stevig gekruid en harmonisch vaak verrassend, maar uiteraard alles in het teken van des konings welbehagen. Daar ging het uiteindelijk toch om: wie bij de koning uit de gratie raakte had immers geen florissante toekomst meer.

Vermaak, het stond bij de Zonnekoning hoog op de agenda. Muziek moest vaak klinken, tijdens de drukke ontvangsten, de overvloedige maaltijden (begeleid door onvermijdelijk bestek- en serviesgerammel), temidden van luidkeels gelach en nog veel minder deftige geluiden, in een alles overheersende parfumwalm die de geur van ongewassen lijven moest maskeren.

En als er geen vermaak was? Dan was er de kerkdienst waarin passende stemmigheid het hoogste gebod was en de muziek uiteraard daaraan was aangepast. Wat niet wil zeggen dat het dan meer een kwestie van religieuze intimiteit was. Integendeel: ook tijdens de mis kon muzikaal stevig worden uitgehaald, maar dan met een op God gerichte grandeur. Echt ingetogen was het zelden of nooit.

De op dit album verzamelde drie werken (Dies Irae, De Profundis en Te Deum) ademen ook duidelijk de religieuze grandeur waarin Lully eveneens een meester was. Het is een soortgelijke grandeur die van deze uitvoeringen afstraalt, in een combinatie van gewijde lyriek en contemplatie, maar ook met feestelijke accenten in een ambiance die de grote statuur van deze muziek overtuigend weerspiegelt. Jammer alleen dat meerdere mannelijke solisten in de ensembles het vibrato tot bijzondere kunst hebben verheven. Een strak gehouden vocalistiek had deze muziek een nog groter cachet gegeven. Anderen zullen misschien zeggen: het is een kwestie van smaak. Lof voor het strijkerskorps, de hout- en koperblazers en pauken die sterk bijdragen aan het imposante karakter van het geheel. Dat geldt ook voor de opname die werd gemaakt op historische grond: de Chapelle Royale van het paleis van Versailles.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links