CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2020

Franz Liszt - The Complete Songs - 6

Liszt: Schwebe, schwebe, blaues Auge S 305 - Die Zelle in Nonnenwerth S 274 - Enfant, si j'étais roi S 283 - S'il est un charmant gazon S 284 - Comment, disaient-ils S 276 - Oh! quand je dors S 282 - Mignons Lied S 275 - Wo weilt er? S 295 - Die Loreley S 273 - Lieder aus Schillers Wilhelm Tell S 292: Die Fischerknabe; Der Hirt; Der Alpenjäger - Die Macht der Musik S 302 - Quand tu chantes, bercée S 306a

Julia Kleiter (sopraan), Julius Drake (piano)
Hyperion CDA68235 • 61' •
Opname: november 2018, All Saints' Church, East Finchley, Londen

 

De integrale vastlegging van de liederen van Franz Liszt is geen sinecure, wat mede te maken heeft met het kosmopolitische karakter ervan. Het gaat te ver om de componist (én pianist) als wereldburger te positioneren, maar anders dan bijvoorbeeld Franz Schubert is er wel degelijk een zekere mate van samenhang tussen de aard van zijn composities en zijn vele activiteiten buiten de eigen landsgrenzen. Liszt was ook degene die aanzienlijk bijdroeg aan de verwijdering tussen amateur- en beroepsmusici en aan de groeiende kloof tussen toondichter en vertolker. En laten we bovendien niet vergeten dat de romanticus Liszt een van de laatste componisten was die zijn eigen pianowerken kon uitvoeren zoals hij dat wilde (én kon!) Waarmee we gelijk op een bekend fenomeen stuiten: de bijna grenzeloze pathetiek die Liszt in zijn muziek legde, het vaak sterk epaterende karakter ervan, de net zobuitenissige expressie en – als pianist – het technisch spektakel dat onlosmakelijk deel uitmaakte van zijn vele Europese optredens. Pas op veel latere leeftijd kwam de omwenteling, schuurden zijn composities langs of soms zelfs net over de grenzen van de tonaliteit en groeide het uiterst sobere karakter ervan uit tot een geheel nieuwe maatstaf.

Maar welke bedenkingen men tegen Liszt de componist ook mag hebben, hij was wel degelijk een belangrijke vernieuwer wiens muziek zich niet zo gemakkelijk in het een of andere vastomlijnde genre laat drukken. Liszt schreef doorgaans pure karakterstukken die onafhankelijk van de bezetting zeker in die tijd nieuwe werelden ontsloten en uit dien hoofde ook vandaag nog een uniek stempel dragen. Dat beeld zet zich ook in zijn liederen voort, zoals ook het kosmopolitische karakter ervan evident is: Liszt kon even gemakkelijk componeren aan de hand van Duitse, Franse of Italiaanse teksten. Veelzeggend is ook dat zijn feilloze tekstbegrip daarin ook duidelijk tot uitdrukking komt. Dat maakt het des te merkwaardiger dat, zeker vergeleken met zijn piano-oeuvre, zijn liederen veel minder bekend zijn.

Misschien komt daar alsnog verandering in, want ik denk niet dat we met de vastlegging van Liszts complete liedoeuvre door de Duitse sopraan Julia Kleiter en de Engelse pianist Julius Drake intens gelukkig kunnen zijn. Kleiters bijzonder fraaie timbre is slechts één aspect van haar liedkunst, die zo rijk is aan verbeelding en daarmee sfeertekening dat het menigmaal adembenemend is. Wat daarbij zeker een rol speelt is dat de maatstreep niet als dogmatisch vastgelegd ijkpunt geldt, maar als het ware wordt 'opgelost' door haar geraffineerde souplesse in toonvorming, dynamiek en ritmiek. Een uiterst plooibare stem die de teksten een bijzondere dimensie en dito betekenis meegeeft. Kenmerkend voor haar muzikale intelligentie én intuïtie is ook haar gevoel voor dramatiek en die in de liedkunst altijd weer zo bijzondere eigenschap om op uiterst boeiende wijze 'verhalen te vertellen'. Kleiter vestigt daardoor de indruk dat de componist het alleen zo bedoeld moet hebben (wat we uiteraard niet weten). Sentimentaliteit? Ja, maar dat ligt in de notenbeeld besloten en dan nog geeft Kleiter dit het cachet van artistieke, geacheveerde rijpheid. Dan is er Julius Drake, die - noblesse oblige - veel meer is dan ‘slechts' en begeleider. Hij beheerst de kunst van de stijlvolle en beeldende verklanking die geen wereld op zichzelf vormt maar naadloos aansluit bij Kleiters retorische discours; of menigmaal daaraan voorafgaat. Als er al sprake is van een eigen wereld dan is het die van het spel met de toonsoorten, de accentuering van de tonale progressie, het op een volmaakte wijze etaleren van Liszts vaak eigenzinnige pianistische handtekening op melodisch en harmonisch vlak. Dat maakt het vlekkeloze samenspel in deze liederen ook zo boeiend; de exquise evocaties in zangstem en piano mogen dan vaak heel ver uit elkaar liggen, de structurele hechtheid van het betoog is niet minder treffend.

Geen kritiek, wel een opmerking: de verschillende versies van een aantal van de liederen zijn niet bij elkaar geplaatst, waardoor de luisteraar geen goede indruk kan krijgen van de – vaak zeer saillante – verschillen. Waarom dat zo is gedaan weet ik niet. In ieder geval is van een chronologische volgorde geen sprake en dus kan dit de reden niet zijn geweest. Enfin, het doet aan de pure schoonheid en expressieve uitdrukkingskracht van dit sublieme samenspel tussen sopraan en pianist gelukkig niets af.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links