CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2019

 

Liszt: Mazeppa S 100 – Sardanapalo S 687 (onvoltooid)

Airam Hernández (Sardanapalo), Joyce El-Khoury (Mirra), Oleksandr Pushniak (Beleso), Operakoor van het Deutsche Nationaltheater Weimar, Staatskapelle Weimar o.l.v. Kirill Karabits
Audite 97.764 • 67' •
Opname: augustus 2018, Congres Centrum, Neue Weimarhall, Weimar (D)

   

Een merkwaardige geschiedenis omgeeft de door Franz Liszt niet voltooide opera Sardanapalo. In de winter van 1843 had hij zijn ambities nog maar eens hoger gesteld: hij besloot afscheid te nemen van zijn virtuoze pianowerken en de daarmee verbonden optredens als pianovirtuoos en vanaf nu zijn aandacht volledig richten op wat hij het als het echte ‘professionele' werk beschouwde: de opera, gemodelleerd naar het gedachtegoed van tijdgenoten als Meyerbeer, Rossini, Bellini, Verdi en de (dan nog jonge) Wagner. Het duurde ruim een decennium alvorens hij weer tot andere gedachten kwam: dat (hij?) het echte genie zich niet hoefde te beperken tot de grenzen van het toneel, maar dat het ook in staat moest zijn om in muzikaal opzicht een nieuw ‘habitaculum' (woning) te scheppen. Maar dat toneel bleef hem wel degelijk trekken, zoals hij zich in die tijd begroef in de meest uiteenlopende literaire werken in een poging om daaruit een geschikt operalibretto te destilleren. Van een echte volledige opera van zijn hand kwam het desondanks niet. Misschien hield dat ook wel min of meer verband met een ingekerfd jeugdtrauma: het volkomen mislukte Don Sanche, ou le château d'amour (1825), muziek die oorspronkelijk voor het toneel was bestemd maar die het niet verder had gebracht dan de bureaula van zijn leraar Ferdinando Paër. Uiteraard besefte Liszt als geen ander dat een symfonisch gedicht of een muzikale verhandeling over Faust bepaald toch iets anders was dan het creëren van een avondvullende opera die het publiek aan zijn stoel vastgenageld liet.

Er waren in de loop der tijd pogingen genoeg geweest, maar als Liszt al serieus werk ervan wilde maken, hij toch niet veel verder kwam dan de embryonale fase. Voorbeelden daarvan zijn Le Corsaire (in de Franse versie van Alexandre Dumas), Richard of Palestine (Walter Scott), Consuelo (George Sand), Spartacus (Oscar Wolff), Marguerite (naar Faust), Divinia Commedia (Dante, op libretto van Joseph Autran), Jeanne d'Arc (Friedrich Halm), Manfred (Lord Byron), Semele (Friedrich Schiller) en … Sardanapalo naar Bryons gelijknamige drama uit 1821, met als hoofdthema oorlog en vrede in het Assyrische rijk. De protagonist: de laatste koning, Sardanapalo, een verwijfde hedonist die zich nauwelijks met politiek en krijgskunde bemoeide en zijn aandacht liever richtte op hoererij, slemp- en zwelgpartijen en gigantische feesten. Zijn onderdanen moesten niets van hem hebben, betitelden hem zelfs als ‘manlijke koningin' of ‘zijderups'.

Hoewel verre van compleet is Sardanapalo wel een opera waarvoor Liszt een behoorlijke brok muziek heeft geschreven, zij het dat met een totale speelduur van ruim 50 minuten en dan ook nog op basis van het nodige ‘reconstructiewerk' de vraag mag rijzen of het wel de moeite waard is geweest om het onder het stof vandaan te halen. Wat we in ieder geval in de oorspronkelijke vorm hebben zijn 110 volgepende bladzijden van het schetsboek N4, die vrijwel de gehele eerste akte omvatten. Daarin ongetwijfeld schitterende passages, maar ook weinig originele verwijzingen naar opera's van tijdgenoten. Maar ook Palestrina schuifelt zelfs - en niet bepaald schoorvoetend - langs en maakt ook Berlioz, zij het meer besmuikt, zijn opwachting. Wie enigszins kritisch luistert herkent het probleem van een gebrek aan oorspronkelijkheid en het aanleunen tegen reeds lang beproefde stijlprincipes. Hij moet dat zelf ook zo hebben gevoeld (of zijn inspiratie liet hem al vrij spoedig in de steek), want meer dan die genoemde schetsen is niet overgeleverd.

Het is speculatief, maar dat Liszt het materiaal uiteindelijk niet aan de vlammen heeft prijsgegeven voedt de gedachte dat het werk toch een bijzondere waarde of betekenis voor hem kan hebben gehad. Er is in ieder geval geen enkel document, geen enkele aanwijzing voorhanden op grond waarvan Liszt uiteindelijk het besluit nam om het bij het schetsen van de eerste akte te laten. Op basis waarvan dit torso uiteraard niet kan worden uitgevoerd: wat we bezitten is immers niet meer dan een hybride framewerk van vocale stemmen en pianopartij, veelal in een soort muzieksteno genoteerd. Daaruit wijs te worden bleek musicologisch al een behoorlijke opgave te zijn. Maar er ontbreekt ook van alles, variërende van articulatie, frasering, dynamiek en tempo tot rusten en zelfs her en der kruisen of mollen. Wat wel compleet is neergeschreven zijn de vocale partijen (wat suggereert dat Liszt dit als fundament voor de rest heeft beschouwd en daarom ook eerst heeft afgemaakt). Aan de hand van het schetsmateriaal kon - zij het slechts deels - wel het een en ander worden achterhaald wat oningevuld bleef (melodie, harmonie, ritmiek, contrapunt, enz.), maar dat reikt toch niet verder dan surrogaat. Om toch tot een uitvoering te kunnen komen waren dus allerhande kunstgrepen noodzakelijk, wat niet wegneemt dat het resultaat van al die inspanningen zeker mag worden gehoord. De bewerker, David Trippett, heeft er, voor zover ik dat kan beoordelen, het beste van gemaakt (al klinkt echt niet alles puur lisztiaans). Voor de een is het glas misschien halfleeg en voor de ander halfvol, maar een feit is wel dat we nu wel kunnen luisteren naar wat had kunnen uitgroeien tot een avondvulle opera die, tenminste wat deze eerste akte betreft, het beluisteren zeker waard is. Liszt was tenslotte - wat verder ook van zijn muziek mag worden gedacht - zeker geen tweederangs componist. Dat de kwaliteit van de uitvoering (alle rollen zijn uitstekend bezet) aan dit positieve beeld meewerkt staat eveneens buiten kijf. Het symfonisch gedicht Mazeppa is dankzij de fraai uitgesponnen dramatiek een meer dan welkome aanvulling op dit bijzondere album.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links