CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2010

 

 

Con Chitarrone
Italiaanse sonates van de vroege renaissance tot de barok

Bertali: Sonata a 2.

Castello: Sonata seconda (a sopran solo) - Sonata ottava (uit 'Sonatae concertate in stil moderno').

Cima: Sonata per il violino (uit 'Concerti ecclesiastici')

Corelli: Sonate nr. 12 (La Follia).

Dowland: Lachrimae.

Frescobaldi: Canzone nr. 4.

Gabrielli: Sonate in G.

Howet: Fantasie.

Marini: Romanesca per violino solo e basso se place.

Rosenmüller: Sonata nr. 3 a 2 in d.

Vivaldi: Sonate RV 44.

Leupold Trio (Eva Stegeman, viool; Wouter Mijnders, cello; Sören Leupold, chitarrone en luit).

Challenge Classics CC72369 • 75' •

www.challenge.nl

www.leupoldtrio.com


Een van de lastigste problemen bij de uitvoering van de Oude Muziek is de interpretatie van het notenbeeld, hetzij rechtstreeks uit manuscript, afschrift of gedrukte uitgave. Wat toen, in die tijd, vanzelfsprekend was blijkt vandaag de dag een handicap van formaat te zijn: niet precies spelen zoals het genoteerd staat. Het lijkt een merkwaardige paradox, want waarom zou je ànders spelen dan genoteerd staat? Maar in de renaissance en de barok wisten de musici precies hoe zij de muziek moesten uitvoeren. Ze speelden weliswaar net zo van blad als wij, maar ze wisten iets waar wij nu naar moeten gissen: al spelende vulden zij als het ware de leemten in het notenschrift. Niet alleen was hen dat met de paplepel ingegoten, maar waren ook de componisten zelf present om hun werk uit te (laten) voeren. Bovendien konden de meeste musici niet alleen muziek maken, maar tevens muziek schrijven. Kom daar nu maar eens om! Kort en goed, dat zijn allemaal essentiële verschillen die niet zomaar kunnen worden opgelost met het bespelen van een authentiek instrumentarium. Die authentieke instrumenten zijn in feite helemaal niet zo belangrijk: het gaat veel meer om de retorica en daaraan schort het vaak. Wie op een historisch instrument als een twintigste-eeuwse rouwdouwer dit soort muziek speelt doet misschien alleen zichzelf een plezier.

Wouter Mijnders, de cellist van het trio, is zich van de beperkingen bewust: "Er staat maar weinig in [in het notenbeeld - AvdW]. Hoogstens zoiets als hier een beetje langzamer, adagio, om dan een paar maten later de aanduiding tegen te komen dat weer wat sneller moet worden gespeeld. Verder is men eigenlijk op zijn eigen intuïtie aangewezen. Wat voor een soort dans hoort men hier? Een tarantella? Wat is het precies? In de partituur staat het niet." Moet die of die interval wel of niet met een 'passagio' worden opgevuld? En zo ja, hoe dan? Of moet je daar nu juist van afblijven, die in dit geval voor zichzelf laten spreken? Als affect? Toen deze muiek ontstond kende men de expressieve retorica en wist men ermee om te gaan. Zo kon een zo op het oog simpele dalende kwart als een 'Seufzer' (zucht) worden gespeeld. Expressie was toen geen kwestie van meer of minder vibrato, maar van specifieke affectkenmerken en -technieken. Nu zijn er weliswaar masterclasses, conservatoria en andere vormen van muziekonderwijs die zich met deze materie bezighouden, maar desondanks blijft een juiste toepassing daarvan toch in veel gevallen een slag in de lucht, en blijft de musicus aangewezen op zijn eigen 'feeling'. Daar is op zich niets mis mee want het betekent ook dat de ene musicus het zus en de andere zo doet, wat alleen maar de diversiteit ten goede komt. Tijdens een live-uitvoering leidt dat zelfs vaak tot spontane keuzes, die men laat afhangen van het moment, en van zaken zoals de stemming in de zaal en de akoestiek. Bij een opname lukt dat misschien ook wel, maar dan ligt de uiteindelijke uitkomst wel voorgoed vast.

Toevallig zag en hoorde ik de violiste van dit trio, Eva Stegeman, vorige week tijdens een concert van Sinfonia Rotterdam. Eva moet een druk bestaan hebben, want zij is niet alleen de aanvoerder van dit ensemble maar tevens de 'leader' van het Kamerorkest van de Europese Unie en oprichtster van het Haagse Internationale Kamermuziekfestival, waarover ze tevens de artistieke leiding heeft. Deze cd vormde opnieuw een prettige kennismaking met deze uitstekende violiste die op deze opname een instrument van de zeventiende-eeuwse Bresciaanse vioolbouwer Giovanni Battista Rogeri bespeelt. Over de door Wouter Mijnders en Sören Leupold bespeelde instrumenten hult het boekje zich in stilzwijgen, behoudens dan dat daaruit blijkt dat de laatste over een renaissance-luit, een chitarrone (een echte, of een replica?) beschikt. De website van het ensemble brengt me evenmin verder.

 

Maar afgezien daarvan blijken deze twee heren en een dame voldoende fijnbesnaard te zijn om deze prachtige miniaturen met hun Napoliaanse en Venetiaanse invloeden over het voetlicht te brengen. Dat het niet, zoals de titel van de cd belooft, allemaal Italiaanse sonates betreft mag de pret overigens niet drukken. Misschien is nog wel het meest fascinerende van deze vertolkingen het gebruik van de chitarrone die met zijn bijzondere kleuringseffecten veel bijdraagt aan de levendige retoriek van het ensemble. Dit is weer eens heel wat anders dan het traditionele klavecimbel in deze muziek (de keus voor het klavecimbel en niet de chitarrone werd in die dagen min of meer bepaald door de rijkdom van het hof). De vele mogelijkheden van de chitarrone hoort u in 'vol ornaat' in Gregory Howets Fantasie en John Dowlands Lachrimae, beide voor luit solo.

De opname werd gemaakt in mei van dit jaar in de plaatselijke kerk van het Duitse Sengwarden en klinkt goed gedifferentieerd en perfect in balans, maar wel zijn de drie instrumenten vrij dichtbij opgenomen, wat vooral aan de stokvoering en dus de vioolklank goed te merken is. Een beetje meer afstand zou zegenrijk hebben gewerkt. Jammer trouwens dat de allereerste noot van de chitarrone er zomaar in ploft. Het klinkt alsof er nog een noot aan vooraf hadden moeten gaan, wat overigens niet zo is. Een kleine smet op een interessante, zij het niet helemaal perfecte uitgave.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links