CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2021

Amarante

Vallet: Préludes - Fantaisye - Fantaisye sur La Passameze D'italie
Bésard: Ou luis tu soleil de mon ame - Beaux yeux qui voyes clairement
Huygens: Quoi Clorinde - Constantin
Hotman: Ballet
Richard: Les yeux baignez de pleurs - Amarante - Beaux yeux
Gaultier?: Prélude
Lambert: Ah qui voudra desormais s'engager - Par mes chants tristes et touchants - Vos mespris
Bastide: Arbres, rochers
Machy: Chaconne
Dubuisson: Plainte sur la mort de M. Lambert

Céline Scheen (sopraan), Eduardo Egüez (luit, Joel van Lennep; theorbe, Jakob van de Geest), Philippe Pierlot (basgamba, Thomas Allred, 1652)
Flora DDD 2210 • 59' •
Opname: mei 2010, Br-sur-Lienne (B)

http://labelflora.net/catalog

 

Het air de cour, zeer populair in het Frankrijk van de Renaissance en de Vroegbarok, heeft zijn wortels rond 1570 om rond 1610 een behoorlijke sprong vooruit te maken tijdens het regentschap va Louis XIII. Vooral aan het hof groeide het uit tot een geliefd tijdverdrijf. Logisch dat menige componist daarop inspeelde: niet alleen om de koning, zijn gemalin, het adellijk gevolg en de hofhouding te plezieren, maar ook om daarmee de airs als springplank te laten dienen voor (nog) hogere aspiraties. Een voordeel was ook dat voor deze muziekvorm geen uitgebreide instrumentale begeleiding nodig was, het zelfs zonder kon stellen. Op dit album zijn luit en viola da gamba meer dan toereikend om de hemelse sopraan van Céline Scheen bij te staan.

De meeste daarop vertegenwoordigde componisten zijn (vrij) onbekend: alleen Constantijn Huygens en Michel Lambert zal her en der wel belletjes doen rinkelen. Jammer genoeg wordt niet toegelicht op welke gronden dit programma is samengesteld, maar muziek en uitvoering zijn schitterend en daar gaat het uiteindelijk om. Hoewel het uiteraard voor de hand had gelegen dat de desbetreffende werken zowel van een (desnoods zeer) korte toelichting waren voorzien en dat de airs de cour in hun tijdsperspectief waren geplaatst. De gezongen Franse teksten zijn gelukkig wel afgedrukt, maar ook hier weer een omissie: de vertaling (minstens Engels/Duits) ontbreekt. Het lijkt op een weloverwogen beslissing (die ik overigens niet begrijp), want ook bij het vorige door mij besproken album, Aura Soave (klik hier) was dit het geval.

Het vormprincipe dat deze seculiere teksten aankleeft is dat van de strofe (de opvolgende verzen voorzien van dezelfde muziek), waarbij de (solo)zangstem in het begin het air vrijwel uitsluitend door de luit werd begeleid. Eerst later werd het meerstemmig monodisch en aangevuld door basso continuo, met als belangrijkste gangmaker van deze ontwikkeling François Richard (ca. 1585-1650), vanaf 1614 als l'ordinaire de la musique de la chambre et de la chapelle du roi in dienst van de koning. Hij maakte ook naam als luit- en (jongens)koordocent. Na een tussentijds verblijf in Engeland (hij was verbonden aan het hof van koningin Henrietta Maria, de echtgenote van Charles I) werd hij door de Franse koning aangesteld als compositeur de la musique de la chambre du roi, een niet alleen zeer eervolle maar ook verplichtende titel.

De term air de cour duikt voor het eerst op in Cour Miz sur le Luth, een bundel hoofse melodieën speciaal geschreven voor de luit, gepubliceerd in 1571 door Adrian Le Roy. Het bleek de voorloper van de vocale inbreng op dit vlak, zelfs vier tot vijf stemmen, met of zonder begeleiding. Eerst rond het midden van de zeventiende eeuw ontstonden de airs de cour voor solostem met instrumentale begeleiding. Wat aan de populariteit van het genre in met name hofkringen zal hebben bijgedragen was de vervlechting met de zeer aansprekende muziek uit de ballets de cour met die van de airs de cour.

Rond 1610 was sprake van een vanuit muzikaal oogpunt zeker niet voor de hand liggende ontwikkeling: de overstap van de relatief complexe polyfonie naar de aanmerkelijk eenvoudiger homofonie: er werd vanaf nu op de lettergreep gezongen, zonder invloed van de versmaat. Het was een voortvloeisel van wat zich in de tweede helft van de zestiende eeuw in Parijs in zwang was: de musique mesurée: de lengte van de notenwaarden werd aan de lengte van de lettergrepen (kort of lang) aangepast. Het was meer dan zomaar een modeverschijnsel, sterk beïnvloed door wat in Griekse Oudheid gebruikelijk was. De klok werd ls het ware teruggezet ten gunste van de tekstvoordracht: het woord en daarmee de verstaanbaarheid won het in feite van de muziek, zoals dat zich toen ook in de kringen rond de de Florentijnse componisten had gevestigd. Een representatief voorbeeld daarvan vinden we in wat wel een standaardwerk op het gebied van de monodie mag worden genoemd: de door het Parijse muziekuitgevershuis Le Roy et Ballard gepubliceerde acht delen voor uitsluitend solostem (dus zonder instrumentale begeleiding!)

Je zou verwachten dat de vele Italiaanse musici, volledig vertrouwd met het seculiere madrigaal in de typische concertato-stijl, die in Parijs emplooi zochten (en vonden!) van invloed waren op de ontwikkeling van de airs de cour, maar daarvan blijkt – anders dan in bijvoorbeeld Duitsland – in Frankrijk niet of nauwelijks sprake te zijn geweest. Waar de Italiaanse madrigalisten hun weg zochten in verhoogde vormen van expressie bleef men in Frankrijk stoïcijns vasthouden aan een meer gereserveerde stijl waarin distantie de boventoon voerde. Dat was nu eenmaal het typisch Franse ‘smaakmodel' waaraan niet te tornen viel: de eenvoud prevaleerde. Wat niet wegneemt dat dit genre ook buiten Frankrijk in de loop der tijd sterk aan populariteit won, ook in ons land , getuige het aandeel daarin van Constantijn Huygens en de in Nederland gevestigde Franse luitenist Nicolas Vallet (die grote naam verwierf met zijn Psalmzettingen en -bewerkingen). Of iets verder van huis de Vlaamse gambist Nicolas Hotman, die zich ook als componist in het genre had bekwaamd. Maar misschien was die invloed nergens zo groot als in Engeland, waar zich geleidelijk aan uit het air de cour het bekende ayre ontwikkelde, met John Dowland als belangrijkste vertegenwoordiger (First Booke of Songes or Ayres, 21 luitliederen, gepubliceerd in Londen in 1597).

Het fascinerende van dit album is allereerst het unieke karakter ervan: schitterende muziek die helaas zelden of nooit gehoord wordt, maar dankzij de kristalheldere Belgische sopraan Céline Scheen en de uiterst smaakvolle begeleiding van basgamba en afwisselend luit en theorbe tot sprankelend leven wordt gewekt. Dit zijn vertolkingen gedragen door verfijning, raffinement, perfecte dictie, timing en karakterisering. Ook de instrumentale tussenspelen baden in pure schoonheid, wat overigens ook iets zegt over de opname: zo helder als glas en qua ruimtelijkheid volmaakt gedoseerd. Kortom een subliem album, al moet de liefhebber het helaas doen zonder liner notes en zonder tekstvertaling.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links