CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2017

 

Tribute to Zdenek Kosler

Smetana: Ouverture De verkochte Bruid

Stravinsky: Petroesjka (1947)

Prokofjev: Scytische suite op. 20

Bartók: Danssuite Sz 77

Borkovec: Start (symfonisch allegro)

Honegger: Concertino*

Janácek: Sinfonietta

Milhaud: Symfonie nr. 10 op. 382

Martinu: Parables H 367 nr. 1-2

Boris Krajny (piano)*, Tsjechisch Filharmonisch Orkest, Praags Symfonieorkest, Praags Radio Symfonie Orkest o.l.v. Zdenek Kosler
Praga Digitals PRD 250 377 Dual • 83' + 80' • (2 cd's)
Opname: 1970, 1971, 1973, 1977, 1979, Omroepstudio I, Praag

 

Zdenek Kosler (1928-1995) was veel bekender in dan buiten Tsjechië, hoewel hij eenmaal gevestigd als dirigent ook regelmatig in het buitenland optrad. Zo was hij aan de Weense Staatsopera te gast met Richard Strauss' Salome en dirigeerde hij alle symfonieën van Antonín Dvorák bij de Wiener Symphoniker. In de jaren zestig was hij een graag geziene gast bij de Berlijnse Komische Oper. Waarom zijn buitenlandse optredens, zeker vergeleken met de vele dirigerende globetrotters, toch relatief beperkt zijn gebleven heeft niet zozeer met zijn talent als wel met zijn grote verknochtheid aan de muziekscene in zijn vaderland Tsjechië te maken. Hij voelde zich daar uiteindelijk toch het beste thuis. En dat voor een dirigent die in 1959 de eerste prijs van de ‘International Young Conductors Competition' in Besançon in ontvangst mocht nemen en in 1963 het Mitropoulos Concours in New York won, samen met Claudio Abbado en Podro Ignacio Calderón (ook al geen naam die op ieders lippen ligt).

Koslers dirigeerstijl lijkt enigszins op die van Toscanini: pittig, wervelend, de teugels strak getrokken, de lyriek niet al te uitbundig maar wel degelijk op zijn plaats en op het instrumentale vlak altijd fijn geciseleerd. Dat horen we al gelijk in track 1, Smetana's ouverture De verkochte bruid. Maar ook elders op deze cd, deels in werken die we tegenwoordig helaas nog maar weinig of in het geheel niet te horen krijgen: Borkovec' Start of Symfonisch allegro, Honeggers Concertino, Milhauds Tiende symfonie en Martinu's Parables. Het bruist en fonkelt, er wordt met groot ritmisch elan en sterk pulserend gemusiceerd, de frasering is altijd uiterst precies en dichterlijkheid wordt daarbij zeker niet geschuwd. Het zijn van die typisch stilistische kenmerken die je altijd bijblijven. Ik denk in dit verband ook aan Guido Cantelli, die zo jong en tragisch om het leven kwam door een vliegtuigongeluk.

Hoewel Kosler veel opstak van zijn landgenoot Karel Ancerl is zijn stijl toch anders aangelegd. Niet dat het bij Kosler een soort muzikaal ‘pointillisme' is, maar uiterste precisie is toch wel een belangrijk aspect van zijn ‘handelsmerk'. Wat hij ook optimaal kan uitspelen in zo'n stuk als Stravinsky's Petroesjka, maar ook in Prokofjevs Scytische suite en Bartóks Danssuite. Zeker in dit soort stukken betaalt dat zich al direct uit.

Dat de opnamen niet gisteren zijn gemaakt is heus wel goed hoorbaar, maar toch is Praga erin geslaagd om binnen de gegeven mogelijkheden een optimale helderheid te realiseren die als een handschoen past bij Koslers opvattingen. In technisch opzicht is dit zeker een zeer waardevolle ‘remake'. Dat maakt deze (her)uitgave daardoor nog eens extra bijzonder.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links