CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2020

(Van) Rossum: Anemoon tot wolk: haiku voor piccolo en piano (2014/15)

Segall: The last cocktail... Homages to Gershwin, Nancarrow, Messiaen (2015)

Spaan: Halo (2014)

Vriend: Sonate voor piccolo en piano (2016/18)

McGowan: Rickshaw Zip (2015)

(De) Graaff: Meccanica (2019)*

Ilonka Kolthof (piccolo) Ralph van Raat (piano)
TRPTK 0044 • 81' • (*incl. digitale download m.b.v. meegeleverde download-card)
Opname: augustus 2019, Jurriaanse Zaal, de Doelen, Rotterdam

   

Eigentijdse muziek die niet direct aanspreekt: is dat een probleem? Het is maar wat van haar wordt verwacht. Luidkeelse of juist vrijwel onhoorbare piepende, knorrende, schurende klanken die geen begin en geen einde lijken te kennen, vage timbres doorspekt met aleatoriek, rare combinaties die alleen maar ‘geluid voortbrengen' en geen hoger doel lijken te kennen. Toen de elektronica in het spel kwam kon het alleen nog maar erger worden. In de verkeerde handen welteverstaan. Wat moet een musicus die midden in de muziekpraktijk staat er eigenlijk mee? Stockhausen gaf ze een goed advies: dat ze iedere mogelijke gedachte aan wat dan ook (hij bedoelde: alles wat er eerder was geweest) moesten uitbannen en dat alleen wat hij grafisch in partituur had gezet op dat moment diende te gelden. Alsof een absolute leegte in de geest als voorwaarde werd gesteld en dat die alleen mocht worden gevuld met wat uit die nieuwe partituur in klank diende te worden omgezet. Terwijl we natuurlijk allemaal weten dat geen enkele geest leeg kan zijn of zelfs de schijn ervan kan opwekken. Trouwens, we zijn al vanaf onze geboorte geconditioneerd.

Maar misschien is het wel de eerste stap op weg naar de appreciatie van nieuwe muziek, van nog niet eerder gehoorde klanken, want zo goed mogelijk luisteren zonder historisch gevormde ballast kan de weg openen naar nieuwe verten. Mits sprake is van sterke creatieve impulsen, want anders wordt het nog niks.

Avant-garde, een radicale ommekeer? Het is daarbij maar de vraag of het om pure winst gaat. De beoordeling in termen van mooi of interessant faalt al prompt, want in onze subjectieve beleving hoeft een interessant stuk niet mooi te zijn en een mooi stuk niet interessant. Beoordeling staat gelijk aan een handicap die ons allemaal treft.

Muziek uit de kringen van de avant-garde biedt vaak niet voldoende houvast of is zelfs dusdanig labiel dat niet valt op te maken welke logica er tijdens het scheppingsproces aan ten grondslag heeft gelegen. Misschien wel helemaal niet. Al moet er wel aan worden toegevoegd dat wie een bepaald stuk als iets onbegrijpelijks ervaart, daaruit niet prompt de conclusie mag trekken dat het niet rationeel is (door)gedacht, al zal het voetstoots aannemen ervan evenmin bevredigen.

Veel eigentijdse muziek mist iets heel belangrijks: een baken waarop de toehoorder - zij het vaak wel met de nodige inspanning - zich kan oriënteren. Het kan uitpakken als een handicap die de uitvoerende musicus evenzeer treft als de luisteraar. Zeker, de muziek ‘klinkt' heus wel, maar daarmee is alles gezegd. Er is geen sprake meer van enig vruchtbaar engagement en wat voor ‘avontuurlijk' wordt versleten blijkt niet meer te zijn dan een lege huls waar geen enkele bekoring vanuitgaat. Muziek die in de richting van het publiek een verloren strijd levert.

Je kunt een blok hout als muziek laten klinken en met groot effect, maar dan wel in een brede context (bijvoorbeeld in Mahlers Zesde symfonie). Je kunt ook geraffineerde klankkleuren creëren en die zelfs buiten de eigen context laten treden, zoals Pierre Boulez heeft bewezen. Of klank dusdanig ‘organiseren' dat er betoverende krachten uit worden losgemaakt, zoals György Kurtág maar ook Peter Schat heeft aangetoond. Of de ritmiek in samenhang met de dynamiek zo tot het uiterste exploreren dat het een overweldigende indruk maakt. Louis Andriessen wist er raad mee, met onder meer 'De Staat' en 'Worker's Union' als klinkend bewijs.

Wat zal de fluitiste Ilonka Kolthof (1987) hebben gedacht, verslingerd als zij is aan de piccolo en gedreven door haar absolute wil om uitgerekend dit instrument met een nieuw tijdperk te verbinden? In haar toelichting slaat ze de spijker precies op de kop: dat de piccolo nooit meer heeft betekend dan alleen maar als ‘kleurmiddel' voor het orkest te dienen en dat het de hoogste tijd is om het instrument op het podium het alleenrecht te geven, ook in combinatie met andere instrumenten. Het mondde uit in het ‘Dutch Piccolo Project' in samenwerking met een aantal Nederlandse componisten. Het heeft mede geresulteerd in een – zoals ze het zelf betitelt – 'eclectische' verzameling nieuwe composities voor de piccolo als soloinstrument, maar ook samen met andere instrumenten zoals de piano, de harp en de percussie. Het leidde tot een aanzienlijke verbreding van het eigentijdse repertoire.

Voor dit nieuwe album koos Kolthof voor zes composities, speciaal geschreven voor de ‘klassieke' combinatie van piccolo en piano, met de piccolo ingekaderd ineen breed scala van ‘vermommingen'. We horen de piccolo in een bepaald niet alledaagse setting, afwisselend fluisterend, zingend, huilend, stamelend en schreeuwend. Het ene moment draait het om puur virtuoze acrobatiek, het andere kreunt het bijna in stilte. In Kolthofs beleving wordt het gehele gamma van expressieve eigentijdse mogelijkheden in deze zes stukken verkend.

De keuze voor deze zes werken is uitsluitend die van Kolthof: composities waarvan zij vindt dat daarin de verscheidenheid en het opmerkelijke niveau van het Nederlandse eigentijdse componeren worden weerspiegeld. Met daaraan toegevoegd dat ze, zo schrijft ze, in dit proces zorgvuldig te werk is gegaan: de keus viel op componisten die niet alleen affiniteit met haar instrument hebben, maar die ook met een unieke stem spreken, eenieder als voorbeeld van de verscheidenheid in muzikale creativiteit in eigen land.

In componistenland wemelt het van de figuranten die desondanks menen dat ze een hoofdrol vervullen, al komen ze in hun werk niet veel verder dan imitatie of dorre manipulatie. en waarvan de creatie niet meer om het lijf heeft dan een onontwarbare kluwen die verdrinkt in een poel van geluid. Componisten die denken dat ze alles overboord hebben gegooid om aldus een ‘nieuwe taal' te creëren. Het idee fixe ook dat door het toepassen van de meest uiteenlopende mogelijkheden en technieken een muziekkunst ontstaat met (nog) rijkere facetten.

Laat hen wat mij betreft dagdromen, maar er hoort wel iets anders bij: dat musici zich in de meest onmogelijke bochten moeten wringen om al dat ruisen, piepen, knerpen, knorren, brommen, blèren, het van-de-hak-op-de-tak en wat dies meer zij tot een muzikaal beklijvende belevenis te maken. Een vrijwel onmogelijke opgave als dat nieuwe dat oprijst slechts statisch en gefixeerd blijkt te zijn, en bovendien gezuiverd van nog enigszins te vatten expressie. Waardoor het experiment per saldo belangrijker lijkt dan het hoorbare resultaat.

Ik beweer zeker niet dat componisten in hun werk aansluiting bij het grote publiek (wat die term ook mag betekenen) zouden moeten zoeken. Dat zij zichzelf creatief geweld aan zouden moeten doen door een stijl hanteren die wel aansluit bij de (potentiële) publieke appreciatie maar niet bij hun innerlijke drijfveren. Maar als elementen als melodie, harmonie en ritme hen geen of onvoldoende belang inboezemen en de structuur het moet afleggen tegen een fragmentarisch vormgegeven concept (om het even door onwil of onkunde), dreigt de kloof tussen de componist, het muziekbedrijf en het publiek onoverbrugbaar te worden. Wie moet wat met klank die geen zielsuitdrukking meer kent en waarin schoonheid de grote afwezige is? Er is 'dat soort muziek' waarin de luisteraar zich voortdurend in een wankele klankwereld bevindt, deelgenoot van een weerbarstig universum waarin deformatie hoogtij viert en waar hij niets mee heeft.

Dat allemaal gezegd hebbende wacht u met dit nieuwe album het labyrint waarin volgens Kolthof met een unieke stem wordt gesproken en dat als voorbeeld moet dienen van de verscheidenheid in vaderlandse muzikale creativiteit. Maar goed dat we, omziende naar de jonge(re) generatie componisten, ook nog toondichters hebben van het kaliber Michel van der Aa, Willem Jeths, Martijn Padding, Joey Roukens, Jacob ter Veldhuis en Mathilde Wantenaar. Zij brengen ons anders dan dat andere zestal wel het besef bij dat nieuwe, eigentijdse muziek avontuurlijk, spannend, enerverend, oorspronkelijk en inspirerend kan zijn. Maar ze maken met hun werk ons er tevens van bewust dat het kaf scherp afsteekt tegen hun koren. Zo bezien is Donemus zowel een schatkamer als een rommelhok. Of - althans in compositorisch opzicht - een eclectische grabbelton die reuk noch smaak heeft, zoals Allan Segalls 'The last cocktail' uit 2015, de titel voor drie homages aan respectievelijk Gershwin, Nancarrow en Messiaen.

Het ligt voor de hand, maar ik vermeld het toch: de uitvoeringen zijn van het exemplarische soort. Geen wonder, want zowel Ilonka Kolthof als Ralph van Raat behoren tot de vele topmusici waaraan ons land gelukkig ook rijk is. Topmusici bovendien die de eigentijdse muziek een warm hart toedragen. Dat zij zich hebben laten verleiden tot deze zes composities zal ongetwijfeld zijn gelegen in de door hen positief beoordeelde kwaliteiten ervan. Maar voor mij huist de echte schoonheid van dit album toch vooral in hun spel en in de opname in typische TRPTK-kwaliteit: extreem helder, met een ongekende definitie en toch met die zo essentiële dosis aan gloed en warmte.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links