CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2021

Janine Jansen - 12 Stradivari

Klik hier voor het programma

Janine Jansen (viool), Antonio Pappano (piano)
Decca 4851605 • 59' •
Opname: nov. & dec. 2020, Cadogan Hall, Londen

   

Er zijn in de loop der jaren meerdere onderzoeken gedaan naar de akoestische meerwaarde van o.a. Stradivarius-violen, waarbij tevens gebruik werd gemaakt van een zogenaamde blindtest waaraan (ook) professionele violisten werden onderworpen. Onder hen uiteraard violisten die een dergelijk instrument in gebruik hadden (gehad). De resultaten waren door de bank genomen nogal schokkend: het kwam veelal neer op een ordinair raadspelletje. Vrij recent werd een dergelijke test gehouden onder 17 violisten, die werden geconfronteerd met instrumenten van Stradivarius, Guarneri en spiksplinternieuwe violen. Van die zeventien waren er slechts drie in staat om de juiste keuze te maken. Zeven van hen konden het verschil niet waarnemen en de overige zeven zaten er gewoon vierkant naast. Een ronduit slechte score dus.

Wetenschap en mythe verdragen elkaar niet zo best: de eerste heeft aantoonbare waarde, de tweede niet. Wat de (intrinsieke) waarde van een oud instrument (onverschillig of het nu gaat om een viool, een cello of een ander instrument) bepaalt is – het is al zo vaak gezegd – wat de gek (in dit geval de investeerder) ervoor geeft. Met name de prijs van oude violen van beroemde makers heeft mede door het ‘goedkope' geld (de rente is al jaren extreem laag) een sterke opwaartse druk beleefd; terwijl dergelijke instrumenten daarvóór toch al zo buitensporig duur waren. We zien overigens een vergelijkbaar beeld bij allerlei kunstvoorwerpen, van schilderijen tot beeldhouwwerken, van tafelzilver tot manuscripten.

In onze recensies vermelden we meestal of er sprake is van een Stradivarius, Guarneri, Amati, enz., maar dat heeft – althans wat mij betreft – eerder statistische dan akoestische betekenis. Zeker in een live- of studio-opname – zo is tenminste mijn ervaring – is het vrijwel ondoenlijk om de ene van de andere viool uit de topcategorie te onderscheiden. Het nieuwe album van Janine Jansen, die maar liefst 12 verschillende Stradivari uit allerlei bronnen bespeelt, bevestigt dat alleen maar. Ik heb weer eens een serieuze poging gedaan om op de best denkbare apparatuur (ik gebruikte voor het ‘experiment' bijvoorbeeld twee hoofdtelefoons uit de topklasse: de dynamische AKG K1000 en Sony CD3000, en de elektrostatische Stax-Lambda) de in de pers gesuggeerde 'grote verschillen' op hun merites te beoordelen, maar helaas, het lukte mij niet om hieruit een ook maar enigszins consistent beeld te destilleren (terwijl de variaties in ademhaling van de violiste wel goed te volgen is!) Wel werd allengs ook duidelijk dat topluidsprekers meer verschillen laten horen dan hun goedkope(re) pendanten. Het is dus zeker ook een kwestie van welke kwaliteit audio men in huis heeft (waardoor dit album op dit punt zijn doel voor menigeen voorbij zal schieten). Aan de keukentafel blijft het sowieso bij één viool van onbestemde makelij. Vaststaat voorts dat de opnametechnici er werkelijk alles aan hebben gedaan om de vioolklank zo natuurgetrouw mogelijk vast te leggen, in dit specifieke geval zelfs een absolute voorwaarde.

In het cd-boekje wordt bij iedere track het bespeelde instrument vermeld, wat moet helpen om niet alleen de verschillen tussen de instrumenten vast te stellen, maar ook om er de naam aan te verbinden. Anderzijds helpt het nu juist weer niet omdat het preoccupatie in de hand werkt. Men 'hoort' als het ware wat men 'ziet' (in het boekje).

Hearing is believing, het was een bekende slogan van de Britse luidsprekerfabrikant Bowers & Wilkins. Ik herinner me nog levendig dat liefhebbers van high-end audio die peperdure connectors, interlinks en luidsprekerkabels hadden aangeschaft en verschillen meenden te kunnen horen die de aankoop zouden hebben gerechtvaardigd. Mij leek het echter eerder dat de prijs van die verworvenheden hun uiteindelijke hoorbeleving bepaalde...

Ik vermoed dat het bij de desbetreffende violist anders ligt: dat hij of zij wel in staat is om verschillen met enige mate van zekerheid waar te nemen, zowel speltechnisch (de technische eigenschappen van het instrument) als akoestisch (hoe het klinkt). Dat laatste laat zich iets gemakkelijker verklaren: de viool bevindt, beweegt zich immers dicht bij het oor, er is een vrijwel direct contact tussen de voortgebrachte klank en de fysionomie, die correlatie is zo helder als glas. Dat zal trouwens ook een inspirerende uitwerking hebben op het vioolspel zelf (tenzij het instrument niet goed bevalt). Maar die ervaring is niet overdrachtelijk en bepaald iets anders dan zoals de muziekliefhebber het thuis beleefd. Er zitten tussen hem en de oorspronkelijke vioolklank bovendien zoveel verschillende schakels dat de waarheid niet eens in het midden te vinden is.

Laten we daarbij ook niet vergeten dat aan een project als dit een niet onbelangrijk commercieel tintje kleeft. Dat is uitgegaan van een bepaald marketingconcept, gedragen door de inzet van maar liefst twaalf Stradivari van heinde en verre en het feit dat bovendien een topvioliste aan het 'woord' is. Al met al door het unieke karakter ervan. Want ga maar na: twaalf van deze uiterst kostbare instrumenten (ik heb ze hier voor u uitgestald) bespeeld door één violiste in een en dezelfde ruimte, dat is nog niet eerder gepresteerd. Zelfs Stradivari zal dit in het Italiaanse Cremona van rond 1700, met zoveel van zijn instrumenten samengebracht en bespeeld door één violist, niet hebben meegemaakt. De (leen)waarde van dit project mag alleen al worden geschat op rond de 200 miljoen euro (de bewakingskosten maar niet meegerekend)! Het klinkt in de reclameboodschappen al door: ‘elk (instrument) met een eigen karakter en bijbehorend muziekstuk'.

Die mythe heeft los van de maker nog een andere belangrijke historische achtergrond: vele grote violisten hebben op een dergelijk instrument gespeeld en sommige doen dat nog steeds, meestal in bruikleen, vrijwel nooit in eigendom (te duur). Ook dat telt uiteraard mee om de mythe in stand te houden.

Janine Jansen gelooft ongetwijfeld in deze op zich best fascinerende onderneming. Ze is tenslotte de violiste die deze twaalf instrumenten dichtbij het eigen oor heeft gehad en ze bovendien heeft bespeeld. Ze is hierin te volgen in de documentaire Falling for Stradivari (de titel spreekt eigenlijk al boekdelen), zowel tijdens de voorafgaande repetities als de uiteindelijke opname, samen met de pianist (en dirigent) Antonio Pappano, twee duidelijk eensgezinde zielen in deze fascinerende en uiterst gloedvolle en expressieve muzikale verkenningen, waarvoor superlatieven tekortschieten. Komende zondag (12 september) komt ze er, zo staat het gepland, over vertellen in het tv-programma Podium Witteman en is direct daarna op NPO Extra de documentaire te zien. Dat het ontwerp- en bouwproces van een van de grootste vioolbouwers uit de westerse geschiedenis helaas onderbelicht blijft is een duidelijk gemiste kans, al maakt het zeer aanstekelijke enthousiasme van Janine Jansen voor dit unieke project veel goed. En dit ondanks het feit dat de opnamen moesten worden uitgesteld omdat het COVID-virus ook haar in zijn greep had gekregen om na haar herstel en verplichte quarantaine gelijk de draad weer op te pakken.

De documentaire The Quest for Tonewood, lijkt een uitstekend vervolg (of aanvulling) op Falling for Stradvari. De releasedatum van de (bioscoop)film, een Noors-Nederlandse coproductie, is 16 september, met daarin eveneens een bijzondere rol voor Janine Jansen. Het heeft minder met Stradivari en meer met de vioolbouwer Gaspar Borchardt te maken, die als twintiger al fietsend door de bossen van Bosnië op zoek is naar de volmaakte esdoorn waarmee hij zijn droom kan verwezenlijken: de bouw van de mooiste viool ter wereld, minstens zo prestigieus als die van Stradivarius. Het komt er echter niet van. Jaren later gaat hij opnieuw naar Bosnië, waar nog steeds de esdoorns groeien die hun gewicht bij wijze van spreken in goud waard zijn. Zijn enige wens is nu: uit dat hout een viool bouwen die zo perfect klinkt dat zij Janine Jansen waardig is. Zelf zegt ze in de film: “The only way to build an extraordinary instrument is to build it specifically for an extraordinary violinist.” Zou dat werkelijk waar zijn? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat haar muzikaliteit een uniek stempel draagt en dat Pappano zich als de ideale begeleider ontpopt. Dat lijkt me in ieder geval de belangrijkste conclusie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links