CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Honegger: Le Roi David (versie 1923)

Christophe Ballisat (verteller), Athena Poullos (profetes), Lucie Chartin (sopraan), Marianne Beate Kielland (mezzosopraan), Thomas Walker (tenor), Ensemble Vocal de Lausanne, Orchestre de la Suisse Romande o.l.v. Daniel Reuss

Mirare MIR 318 • 72' •

Opname: september 2016, Studio OSR, Genève

   

Arthur Honegger (Le Havre, 1892-Parijs, 1955) heeft het anders dan Debussy, Ravel, Bartók en Stravinsky wel niet tot wereldfaam gebracht, maar zijn muziek is wel degelijk interessant. Het schreef uitermate kleurrijke en veelal contrastrijke muziek waarin vaak de uitersten van de menselijke emotie worden verkend. En dat met een energie die bijna uitmondt in net niet over de schreef gaande opwinding en met een duistere kant die veel weg heeft van diep gewortelde treurnis. Dat hij ondanks of beter gezegd binnen die uitersten een scherp oog had voor de ‘bouwkundige' aspecten van een compositie is best uitzonderlijk. Zijn grote bewondering voor Bach en voor zijn tijdgenoten Ravel en Stravinsky zal er ongetwijfeld mee te maken hebben gehad: voor hen gold immers dat de structuur van een compositie een wezenlijk onderdeel daarvan uitmaakte.

Honegger was als twintiger weliswaar een gewaardeerd lid van de Parijse ‘Groupe de Six', maar achteraf bezien kan men zich afvragen waarom dat eigenlijk zo was en of hij zich daarbij wel echt thuisvoelde. Hij behoorde zeker niet tot de jonge honden die zochten naar een meer luchthartige vorm van componeren en die met niet aflatend enthousiasme tegen de romantische stroom in gingen. Hoe het toen precies met zijn psyche stond weten we niet, maar wel kan uit het in de Parijse hoofdstad gecomponeerde zo op het oog ‘luchtige', jazzy Concertino worden opgemaakt dat Honegger althans in muzikaal opzicht toen al een nogal getormenteerde ziel moet zijn geweest die idiomatisch veel dichter bij de Duits georiënteerde, nogal zwaarmoedige romantiek stond dan bij de lichtvoetige kunstuitingen in de frivole lichtstad.

Zijn ‘Werdegang' als componist werd in belangrijke mate bepaald door zijn een leven lang volgehouden opvatting dat muziek in haar beschrijvende vorm geen enkel bestaansrecht verdiende, dat zij nooit materieel mocht zijn en dat uitsluitend de spiritualiteit die erin tot uitdrukking moest komen. Spiritualiteit en religiositeit zijn bepaald niet elkanders tegenpolen, zoals ook blijkt uit zijn op symfonische leest geschoeide psalm ‘Le Roi David', Koning David, gecomponeerd in 1921. Een uitgesproken vernieuwende compositie die desondanks gemakkelijk aanspreekt en Honegger van meet af aan internationale faam bezorgde. Het verhaal is bekend genoeg dat ik u de inhoud ervan wel mag ontzeggen. Anders dan misschien gedacht was de versie uit 1921 qua instrumentale bezetting geen groots aangelegd werk, deze ‘Psaume symphonique d'après le drame de René Morax', zoals de officiële ondertitel luidt, opgedragen aan ‘mes parents' (mijn ouders).
De oorspronkelijke versie uit 1921 was gezet voor slechts 2 fluiten/1 piccolo 1 hobo/Engelse hoorn), 2 klarinetten/basklarinet, 1 fagot/contrafagot, 1 hoorn, 2 trompetten, 1 trombone, 1 contrabas, harmonium, piano en celesta, pauken, snaardrum, basdrum, tamboerijn, tamtam en bekkens. Na het grote succes van deze versie zette Honegger zich in 1923 aan de versie voor volwaardig symfonieorkest, bestaande uit 2 fluiten/piccolo, 2 hobo's/Engelse hoorn, 2 klarinetten/basklarinet, 2 fagotten/contrafagot, 4 hoorns, 2 trompetten, 3 trombones, tuba, orgel en behalve het reeds genoemde slagwerk ook nog een volledige strijkersbezetting (violen, altviolen, celli, contrabassen). Naast het koor, ‘klassiek' verdeeld over sopranen, alten, tenoren en bassen, is er verder nog sprake van drie vocale solisten (sopraan, mezzosopraan en tenor), een verteller (‘récitant') en een acteur in de rol van La Pythonisse (profetes). Het werk bestaat uit een korte introductie door de verteller, gevolgd door 26 korte scènes (met uitzondering van nr. 16, de twaalf minuten durende ‘La danse devant l'arche', de dans voor de ark, voor verteller en gemengd koor). Qua opzet en uitwerking is 'Le Roi David' enigszins verwant aan Stravinsky's 'Oedipus Rex' (1927). En evenals Honegger besloot ook Stravinsky later, in 1948, tot toevoeging van een aantal instrumenten, naast andere wijzigingen.

Daniel Reuss, sinds november van het vorige jaar Ridder in de Orde van de Nederlandse Eeuw en in ons land vooral bekend als artistiek leider van Cappella Amsterdam, weet als geen ander hoe een ensemble van hoog niveau als dit moet worden aangestuurd. Christophe Balissat ontpopt zich als een buitengewoon indringende maar ook nuchtere verteller met een voortreffelijke dictie, Athena Poullos is een profetes met huiveringwekkende kanten, de drie vocale solisten kleuren hun partij met grote overtuigingskracht en gedrevenheid. Het koor, doorgaans antifoon of unisono gemodelleerd, zingt zowel fluweelzacht als uiterst kernachtig (de Dans voor de ark!), terwijl op het orkestaandeel (de kruidige houtblazers zijn een ware lust voor het oor!) niets aan te merken valt. En dat in een gedifferentieerde partituur waarin fijnmazigheid contrasteert met stevige tutti. De opnamebalans is voortreffelijk, de gesuggereerde dieptewerking evenzeer. Een fascinerende uitgave.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links