CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2022

Handel - Enchantresses

Klik hier voor de inhoudsopgave

Sandrine Piau (sopraan), Les Paladins o.l.v. Jérôme Correas
Alpha 765 • 72' •
Opname: okt. 2020, Théâtre de Poissy (F)

   

Händel was een rasechte theaterman die zich als Duitser (hij werd in 1685 geboren in Halle) al vrij vroeg, hij was pas 27, definitief in Londen vestigde. Hij componeerde er opera's aan de lopende band, maar liet ook in zijn op de meest uiteenlopende Bijbelse voorstellingen gestoelde oratoria het drama volop groeien en bloeien. Het was een ware meesterhand die zich ook in de instrumentale muziek als zodanig liet (her)kennen. Dat laatste blijkt bijvoorbeeld uit zijn klavecimbelwerken, de concerti grossi op. 3 en 6, de 'concerti a due cori' en allerlei net zo magnifieke gelegenheidsstukken als de tot op de huidige dag zeer populaire 'Music for the Royal Fireworks' en 'Water Music' (al horen we daaruit helaas meestal een selectie). Het lijkt allemaal met het grootste gemak uit zijn altijd nijvere pen.te zijn gevloeid. Bovendien: echte inzinkingen kent zijn muziek niet.

Wie het achttiende-eeuwse Londen Händels muziek wilde horen, moest vooral in de operahuizen zijn. Daar stond in de jaren 1720 en 1730 onder leiding van de componist zelf op grote schaal tijdens het operaseizoen avond aan avond de Italiaanse opera centraal, riant uitgedost, met decors en kostuums.

Het was allemaal goed doordacht door een theaterproducent die tevens in zijn rol van componist, klavecinist en dirigent, als geen ander wist hoe hij zijn publiek moest bespelen. We kunnen ze nu in hun volle ornaat terughalen: de kostelijke, vaak gevoelige melodieën en gedurfde harmonieën in een ronduit exuberante orkestratie. En dit alles in een dramatisch aangrijpende, zowel vocaal als instrumentaal uitgesproken virtuoze setting. Geen wonder dus dat Mr Händel de beste Italiaanse zangers speciaal voor de gelegenheid naar Londen liet komen. De gevoelens - zo lezen we in de kronieken - die zij voor het voetlicht brachten waren zo levensecht dat menige theaterbezoeker tijdens de voorstelling grote tranen plengde. Maar ook buiten het theater, in de talrijke koffiehuizen en salons, waren Händels opera's een belangrijk onderwerp van gesprek, werden meningen erover geventileerd of uitgewisseld en grote bewondering geuit voor de bijna verzengende intensiteit van Händels muziek. De kenners en liefhebbers waren het er over eens: Händels muziek was hoogst verrassend, deed zelfs versteld staan en dus werd er reikhalzend uitgezien naar alweer de volgende première.

Populariteit, daar ging het om. Händel was zich als geen ander daarvan volledig bewust. Hij kende de favorieten van het publiek op zijn duimpje, wist precies waar het van hield en hij zorgde er tegelijkertijd voor dat zijn muziek ook buiten het theater zoveel mogelijk werd gespeeld. Zo ontstonden de talrijke bewerkingen die door de meest uiteenlopende ensembles in kleine of grote(re) kring veelvuldig werden uitgevoerd. Maar ook de originele stukken waren vaak verbonden met muziek uit zijn opera's. Maar geen enkel misverstand erover: populariteit en kwaliteit gingen bij Händel hand in hand.

Later, toen zijn operaster begon te verbleken en jonge concurrenten zijn plaats in theater begonnen over te nemen, wendde hij zich tot het oratorium, een genre waarin hij zowel de Italiaanse, Duitse als Engelse tradities op onnavolgbare wijze liet samenvloeien en waarin zijn sublieme stilistische capaciteiten net zo briljant tot uiting kwamen. Daarbij schroomde hij niet om tijdens de uitvoering van zo'n oratorium als het ware tussen de bedrijven door een orgel- of ander concert in te lassen, daarin zelf de solopartij voor zijn rekening nemend. Het procedé bleef ondanks het doorgaans ‘zwaarwichtige' karakter van de achterliggende Bijbelvertelling daarbij ongewijzigd: gemakkelijk in het gehoor liggende, tot publiekslieveling gepromoveerde 'tunes', werden met meesterhand in die 'concerto's ingevlochten, verschenen aldus in een nieuwe gedaante en werden door het publiek net zo omarmd en met volle teugen genoten. Dat later vanuit muziekwetenschappelijke hoek daarop veel kritiek kwam laat onverlet dat Händel, die net zo praktisch was ingesteld als zijn grote tijdgenoot Johann Sebastian Bach, met zijn uitgekiende strategie volle zalen trok en zich geenszins druk maakte over de 'musical flaws' die hem door sommigen werden aangewreven. Integendeel, een zo sterk mogelijke band (en daarmee inkomsten) met zijn publiek, dat was waar de componist voortdurend naar streefde en uiteindelijk ook realiseerde. Met daarbij de kanttekening dat nu, bijna driehonderd jaar later, die band er nog steeds is, wat tevens het nodige zegt over de inhoudelijke kwaliteiten van zijn werk.

Händels theatersucces hing feitelijk samen met de optelsom die geruime tijd de succesformule bepaalde: de kruisbestuiving van componist, instrumentalist, dirigent én eigen operagezelschap. En misschien ook wel een dosis psychologie, want wat hij zijn publiek voorzette loog er bepaald niet om: een web vol intriges, welllust, venijn, machtsmisbruik, de held of heldin die de strijd moest aanbinden met al die onverlaten die hem of haar naar het leven stond.

Het kan niet anders dan dat de tekst bij Händel de gevoelige inspiratiesnaar moet hebben geraakt, want het wemelt in zijn opera's en oratoria van de vocale en instrumentale verrassingen, vlamt de inventie voortdurend op en mogen we ons verbazen over deze uiterst illustratieve muzikale toverdoos. Voeg daarbij Händels sterk ontwikkelde gevoel voor theater en zijn ‘kunst' (want dat is het) om de dramatische ontwikkeling zowel vaart te geven als uit te stellen of te vertragen en het is voorwaar geen wonder dat het publiek in het bekende Londense King's Theatre wel moest overlopen van enthousiasme in uitvoeringen die zelfs de meest verwende criticus uiterst mild wist te stemmen.

We weten uiteraard niet hoe het toen in dat theater heeft geklonken, kunnen ons er zelfs geen enkel idee van vormen, maar wel weten we van berichten van tijdgenoten dat de lat hoog moet hebben gelegen; al blijkt het uiteraard ook uit de muziek die zeer hoge eisen stelt aan de uitvoerenden. Niet alleen moet Händel hebben beschikt over eersteklas zangers, maar ook zijn ervaring met de speltechnische mogelijkheden van het instrumentaal ensemble en wat daarvan kon worden verlangd spreekt boekdelen (zo trad hij als 34-jarige op als ‘music director' van de in 1719 opgerichte, Londense Royal Academy).

Wat de hedendaagse vertolking van zangrollen in het Händel-repertoire betreft moet het mij eerst van het hart dat ik slecht kan wennen aan vocalisten die de muziek als het ware met fluwelen handschoen aanpakken, er teveel esthetica en te weinig menselijk drama in zien of voelen. De pointe wordt dan gemist en het leidt alleen maar tot een fletse benadering van deze ronduit kostelijke partituren (hoe hoog de dramatische zeeën ook gaan, kostelijk is en blijft het). Voor zoetsappigheid is dus geen plaats. Een zéér sprekend voorbeeld van hoe goed het kan zijn, biedt de Amerikaanse mezzo Joyce Didonato (ik besprak hier haar album ‘Furore'). Een ander niet minder sprekend voorbeeld is de Franse sopraan Sandrine Piau, die zich heeft ontwikkeld tot een van de belangrijkste Händel-vertolk(st)ers van haar generatie. Ook bij haar treffen we het onmisbare gloedvolle charisma en het hooggradige raffinement aan dat de recitatieven en aria's onmiddellijk tot de verbeelding doen spreken. De strálende zuiverheid van haar stem, de feilloze expressieve accentuering en de wijze waarop zij drama en lyriek steeds weer nieuwe impulsen weet te geven, tonen ons Händel-op-zijn-best.

Dan zijn er de Franse ‘Paladijnen' onder leiding van Jérôme Correas die op instrumentaal vlak voor Piau zo ongeveer de ideale parnersj moeten zijn geweest. En let wel: daarmee wordt 2+2 zomaar ineens 5! Het is immers pure muzikale synergie ten voeten uit. Niet alleen krijgt door hun inventieve, historiserende en tot in de puntjes afgewerkte spel (alleen al die trompet!) het vocale aandeel van Sandrine Piau nog meer reliëf, maar er is daarbij tevens gekozen voor instrumentale afwisseling in de vorm van een ouverture en een deel uit respectievelijk het Concerto grosso op. 6 nr. 4 en 6. De prachtige registratie zet de opnametechnische kroon op dit werkelijk schitterende album (met daarin tevens alle gezongen teksten afgedrukt).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links