CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2019

 

Händel: Serse

Franco Fagioli (Serse), Vivica Genaux (Arsamene), Delphine Galou (Amastre), Andrea Mastroni (Ariodate), Inga Kalna (Romilda), Francesca Aspromonte (Atalanta), Biagio Pizzuti (Elviro), Cantica Symphonia (soldaten, zeelieden, priesters), Il Pomo d'Oro o.l.v. Maxim Emelyanychev
DG 000289 483 5784 0 • 2.50' • (3 cd's)
Opname: november 2018, Villa San Fermo, Lonigo (I)

   

Händels Serse is gemodelleerd naar de lotgevallen van Xerxes I (520-465 v.Chr.), de koning van Perzië. Het oorspronkelijk libretto stamt van Nicolo Minato, waar Francesco Cavalli de muziek voor schreef, waarna de opera op 12 januari 1654 in première ging aan het Teatro dei SS. Giovanni e Paolo in Venetië. Vervolgens was het Giovanni Bononcini, die Serse (de Italiaanse naam van de Perzische koning) componeerde aan de hand van een libretto van Silvio Stampiglia, dat op zich weer was gebaseerd op dat van Minato. Deze opera ging in première in 1694 bij het Teatro di Tor di Nona in Rome.

De gebeurtenissen rond Xerxes, de zoon van Darius I en Atossa, zijn uitgelezen stof voor een genre als opera: opstanden, oorlogen, plunderingen en complotten genoeg, al was dat voor de librettist Minato toch niet genoeg. Indachtig de rivaliteit tussen Xerxes en zijn broer Arsamenes bedacht hij alsnog de figuur van Romilda en het verraad door de koning van zijn geliefde Amastre. Bovendien liet Minato een ware stoet van minder belangrijke personages opdraven om het koningsdrama (nog) meer kleur en fleur te verlenen.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat Händel iets zal hebben geweten van Minato of Cavalli. Wel was hij goed op de hoogte van de opera van Bononcini, zoals blijkt uit het vele thematische materiaal dat hij in de periode 1734-1738 daarvan gebruikte in maar liefst tien verschillende werken: Ariodante, Alcina, Alexander's Feast, Atalanta, Arminio, Giustino, Berenice en Faramondo. Een vorm van leentjebuur zoals dat in de achttiende eeuw zeker geen uitzondering was, al gold het merendeels slechts motieven die hij dan vervolgens naar eigen inzichten verbeeldingsvol uitwerkte. Hieruit volgt ook dat Händel het libretto van Stampiglia goed moet hebben gekend en daaruit – wel of niet met behulp van een vertaler van de Italiaanse tekst – zijn eigen versie samenstelde.

Al in het begin van Serse vinden we een van Händels beroemdste opera-aria's: ‘Ombra mai fù', dat vooral de wereld is ingegaan als het fameuze ‘Largo van Händel' (in werkelijkheid is het een Larghetto). Juist in deze aria ging Händel beduidend verder dan slechts het gebruik van Bonincini-motieven, want de stilistische, structurele en zelfs melodische kenmerken ervan zijn onmiskenbaar verwant aan Bononcini's Romeinse, archaïsche setting. Iets soortgelijks vinden we ook nog in ‘Crude furie degl'orridi abissi', al moet worden gezegd dat Händel zowel harmonisch als instrumentaal aanmerkelijk voortvarender en inventiever te werk ging dan zijn Italiaanse voorganger.

De Londense critici toonden zich na de première in 1738 niet bepaald enthousiast over het door Handel gekozen libretto. ‘One of the worst that Handel ever set to music, a mixture of tragic-comedy and buffoonery' klonk het. Of het in muzikaal opzicht wel goed werd ontvangen verhaalt de geschiedenis niet, maar wel lijkt zonneklaar dat Händel een opera heeft geschreven die ondanks de vrije lange tijdsduur (zonder pauzes bijna drie uur) aan het toenmalige publiek geen al te hoge eisen moet hebben gesteld. Er zit veel vaart in, mede dankzij de kort gehouden ariosi, de relatief bescheiden gehouden da capo-aria's (in menige opera vormen die notoire ‘spelonderbrekers'), en de vele verfrissende stijlementen die de componist heeft ingevlochten . Niet dat het voortdurend lichtvoetigheid is (vooral het tweede bedrijf heeft een ernstige ondertoon), maar dankzij het sprankelende melos is het geen opera geworden die gevaar loopt onder zijn eigen gewicht te bezwijken.

Händels Serse is – u kunt er Spotify op nazien - discografisch zeker rijkelijk bedeeld, maar wie de meetlat ernaast legt ontdekt al snel dat het probleem niet zozeer schuilt in het orkest-, maar des te meer in het vocale aandeel. En uiteraard in de manier waarop aan de uitvoering van de opera stilistisch vorm is gegeven. ‘Authentiek' is niet altijd ‘authentiek', hoe relatief dit begrip op zich ook is: we kennen immers onvoldoende details omtrent de uitvoering in 1738, toen Händel er een heus operagezelschap opnahield. Wat we wel weten is dat niet alleen de componist, maar ook het publiek verguld moet zijn geweest met de vocale prestaties van de Italiaanse castraat Gaetano Majorano (1710-1783), die onder zijn artiestennaam Caffarelli met ongekende souplesse en precisie de sterren van de hemel moet hebben gezongen. Tenminste, als hij er echt zin in had, want niemand zal van zijn onuitstaanbare en eigengereide divagedrag geporteerd zijn geweest. Wat niet wegneemt dat niemand vocaal en interpretatief in zijn schaduw kon staan, zelfs Francesco Bernardi (Il Senesino, 1686-1758) niet, laat staan Carlo Broschi (Farinelli, 1705-1782). Majorano kon, ondanks zijn wispelturig gedrag, bij Händel vele potten breken. Wat Händel betreft was de titelrol in Serse voor Majorano, en voor niemand anders. Minstens een glimp van diens kwaliteiten vinden we in de coloratuuraria 'Se bramate', een waar vocaal huzarenstuk, afwisselend vol bravoure en angst, die de castraat op het lijf geschreven lijkt. Met een stemomvang van maar liefst drie octaven moet Majorano - als hij tenminste zo welwillend was om op te komen dagen - het publiek gemakkelijk op de knieën hebben gekregen! Een huzarenstukje waar op deze nieuwe opname Franco Fagioli zijn hand niet voor omdraait! Als we het dan toch over authenticiteit hebben: dankzij Fagioli's bereik (vanaf bariton!) hoefde er voor de titelrol dus geen mezzo te worden ingehuurd. Dat brengt ons daardoor zelfs dichter bij 1738 dan tot nu toe voor mogelijk is gehouden. Het gaat Fagioli allemaal zo onvoorstelbaar gemakkelijk af dat de luisteraar er in een mum van tijd aan gewend is: de souplesse, de gloed, de spiritualiteit, de volmaakte fraseringen en de smaakvolle versieringen. Pure stemschoonheid, perfecte ademtechniek, Fagioli heeft het allemaal. Zoals overigens al eerder bleek, uit zijn opname met Händel-aria's, zij het dat ik de plotselinge overgang van mezzo naar (lichte) bariton toen storend vond (hier besproken), terwijl daarvan in Serse geen sprake is.
Maar daarmee is het goede nieuws nog niet voorbij, want de gehele vocale bezetting weerspiegelt ook in zijn dramatische context ongekend topniveau. Dat de rol van Arsamene door een mezzo wordt gezongen is een logische keus: zo was het immers ook tijdens de première van de opera. Voorts brengen het ‘authentiek' instrumentaal ensemble Il Pomo d'Oro en het koor Cantica Symphonia (het vertegenwoordigt de soldaten, zeelieden en priesters) de luisteraar op het puntje van de stoel, terwijl de registratie een voortdurende lust voor het oor is. Al met al een topproductie en – na een uitvoerige rondgang op Spotify - naar mijn smaak de beste uitvoering van Serse tot nu toe. De enige die er enigszins bij in de buurt komt is te vinden op Chaconne, het ‘baroklabel' van Chandos, met de ‘Early Opera Company' onder leiding van Christian Curnyn, een jaar of zes geleden uitgebracht. Maar Franco Fagioli is uniek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links