CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2017

 

Händel: Ottone

Max Emanuel Cencic (Ottone), Lauren Snouffer (Teofane), Pavel Kudinov (Emireno), Ann Hallenberg (Gismonda), Xavier Sabata (Adelberto), Anna Starushkevych (Matilda)
Il Pomo d'Oro
Dirigent: George Petrou
Decca 483 1814 8 • 3.23' • (3 cd's)
Opname: juni-juli 2016, Villa San Fermo, Lonigo, Veneto (I)

   

De populariteit van Händels Ottone, Re di Germania in het achttiende-eeuwse Londen steekt schril af tegen die van vandaag: er is vrijwel geen gezelschap nog te vinden dat het werk op de planken brengt. Op Wikipedia kunt u er alles over lezen. Dat het werk gelijk al na de première op ieders lippen lag zal zeker te maken hebben gehad met twee grote operasterren die de productie in vuur en vlam wisten te zetten: de sopraan Francesca Cuzzoni en de castraatzanger Francesco Bernardi (die als Senesino door het zangersleven ging). Maar toch, het hing erom of Cuzzoni de titelrol wel voor haar rekening wilde nemen, want Händel – niet wars van koppigheid en zelfs ruzie – dreigde haar het raam uit te gooien toen ze ondanks zijn aandringen in niet mis te verstane bewoordingen vooralsnog niet bereid bleek zich conform zijn wensen geheel en al ten dienste te stellen van haar rol en daarmee de opera. Het stoorde hem mateloos, haar prima donna maniertjes, maar uiteindelijk ging ze toch overstag. Achteraf een verstandig besluit, want na haar zeer succesvolle optreden stond ze gelijk te boek als een sopraan die niet alleen heel mooi kon zingen, maar die aan haar rol ook diep dramatische inhoud gaf. Zij en Händel, het was ondanks de schermutselingen een winning team.

Dat Ottone door de jaren heen geen geliefd podiumstuk is gebleven heeft niet zozeer te maken met de muziek of de personages (want die zijn van echt vlees en bloed), maar met het warrige, ja zelfs onlogisch in elkaar stekende libretto van Stefano Benedetto Pallavicino. Daar heeft zelfs Icola Francesco Haym, die Händel jarenlang ten dienste stond als tekstbewerker (onder meer voor Giulio Cesare, Rodelinda, Tamerlano en Flavio ) weinig aan kunnen veranderen. Maar op die gedenkwaardige 12de januari van het jaar 1723 moet dat in het King's Theatre aan het Londense Haymarket geen rol van betekenis hebben gespeeld: het publiek brak na afloop bij wijze van spreken de zaal af.

Maar ondanks dat nogal kreupele libretto zijn er in 1993 toch twee opnamen van het werk verschenen: op Harmonia Mundi (McGegan) en Hyperion (King). En dan, spiksplinternieuw, deze Decca en daarmee tevens de derde. De Hyperion-uitgave heb ik nooit gehoord, maar die op Harmonia Mundi heb ik inmiddels op Spotify beluisterd. Voor wat het in deze context waard is, de conclusie is wat mij betreft eenduidig: McGegan zet mijn zijn ‘troep' een meer dan uitstekende Ottone neer, maar Petrou doet daar duidelijk nog een expressief schepje bovenop. Daarbij speelt het verschil in opnamekwaliteit ook nog een – zij het zeer bescheiden – rol: de in de Villa San Fermo in het Italiaanse Lonigo door Decca gemaakte opname klinkt niet alleen nog een fractie ruimtelijker maar ook nog scherper geprofileerd (waarbij ik wel een kleine slag om de arm moet houden: Spotify biedt nog steeds géén cd-kwaliteit). Het belangrijkste winstpunt schuilt echter in de dramatische spankracht en het wervelende rollenspel zoals zich dat geleidelijk aan op deze nieuwe Decca manifesteert. Het is kort samengevat vocaal en instrumentaal briljant, fonkelend, kleurrijk, heroïsch en sensitief. De tempi ontwikkelen zich volkomen natuurlijk, de springlevende ritmiek is daarbij een ware lust voor het oor, de instrumentale schoonheid straalt er vanaf en als het op pure zangkunst aankomt kennen de coloraturen van de Amerikaanse sopraan Lauren Snouffer eenvoudig hun gelijke niet. Als er al een minpuntje te registreren valt is het haar snelle vibrato dat ik nu niet direct met Händel associeer. Als is die dan wel van het kwikzilver, zoals het aandeel van Il Pomo d'Oro dat eveneens zozeer kenmerkt. Alsof het gehele beeld vanuit de pulserende ritmiek consequent wordt opgebouwd en uitgewerkt, energiek of lyrisch, maar vooral expressief. Of dat in januari 1723 ook zo is geweest weten we helaas niet, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het wel het weinig logisch in elkaar gestoken ‘verhaal' en niet de vocale en instrumentale schittering is geweest die publiek en critici zozeer betoverde.
Tot slot: in het rijk uitgedoste boekje van maar liefst 77 pagina's merkt David Vickers op dat deze release niet alleen alle muziek bevat zoals die tijdens de première in 1723 heeft geklonken, maar ook twee later door Händel speciaal voor Cuzzoni toegevoegde aria's (voor een later door haar gehouden benefietavond) en - als appendix - drie voor Senesino (toen de opera in 1726 werd hernomen). Aardige bijkomstigheid: de naam van de opnametechnicus is Jakob Händel. Toeval natuurlijk...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links