CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2016

 

Après un rêve - A Fauré Recital - Volume 1

Fauré: Pavane in fis, op. 50 (voor piano bewerkt door Louis Lortie) - Barcarolle nr. 5 in fis, op.  66 - Nocturne nr. 4 op. 36 - Barcarolle nr. 6 in Es, op. 70 - Après un rêve in c, op. 7  nr. 1 (voor piano bewerkt door Percy Grainger) - Suite uit 'Pelléas et Mélisande' op. 80 - Barcarolle nr. 7 in d, op. 90 - Nocturne nr. 6 in Des, op. 63 - 9 Preludes op. 103

Louis Lortie (piano)

Chandos CHAN 10915 . 75' .

Opname: februari 2016, Snape Maltings, Suffolk (VK)

 

Tot het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw waren de Parijzenaars vrijwel alleen geïnteresseerd in de Opéra. De instrumentale muziek speelde slechts een ondergeschikte rol, al mag het misschien enige verbazing wekken dat zelfs de bladmuziek van kleinschalige werken weinig aftrek genoot. Immers, die muziek was nu juist bedoeld voor niet alleen de veel gefrequenteerde salons, maar ook uitvoering in de huiskamer van de doorsnee muzikale Parijzenaar. Desondanks bleven solowerken en kamermuziek steken in de meer prestigieuze salons die van nature slechts een beperkte publieke actieradius hadden en vrijwel uitsluitend werden bezocht door muziekliefhebbers die nogal hoog op de maatschappelijke of adellijke ladder stonden.
De Parijse toondichters hadden dat in zekere zin ook wel enigszins aan zichzelf te wijten, want zelfs met de inspanningen en financiële steun van een aantal welgestelde notabelen, waaronder de prinses van Polignac en de gravin Greffulhe, lukte het niet om de componisten, waaronder Fauré, van hun hokjesgeest te verlossen en de stap naar het grote podium te zetten.

Maar in 1871 leek daarin verandering te komen door de oprichting van de Société Nationale de Musique, een stichting onder voorzitterschap van Camille Saint-Saëns en Romain Bussine, die zich ten doel stelde om niet alleen de verspreiding van de Franse muziek te bevorderen maar ook als zo breed mogelijk opgezet forum te dienen en de de daarvoor noodzakelijke, gunstige voorwaarden te scheppen. De oprichters waren niet de geringste in het Franse muziekleven: César Franck, Jules Massenet, Henri Duparc, Édouard Lalo, Vincent d'Indy en... Gabriel Fauré, die in 1874 zelfs werd benoemd tot secretaris. In een vraaggesprek met 'Le Petit Parisien' in 1922 zei hij onder andere dat hij het zich vóór 1870 niet had kunnen voorstellen om een sonate of een kwartet te componeren, maar dat daarin verandering kwam toen de SNM was opgericht. Misschien heeft niet alleen de SNM maar ook de secretariaatsfunctie Fauré als componist net dat extra zetje gegeven. Hij had het in ieder geval nodig, want al jaren ging hij gebukt onder een hevige dosis zelfkritiek, waardoor zijn grotere werken, zoals het sublieme Requiem, erg lang op zich lieten wachten. Hij begon aan de dodenmis in 1877, na het Eerste pianokwartet, maar het duurde bijna een kwarteeuw alvorens het echt áf was. Wat dat grotere werk betrof toonde hij zich later eigenlijk alleen nogal enthousiast over zijn uit 1898 stammende toneelmuziek 'Pelléas et Mélisande', waarvan hij zei dat dit paste bij zijn 'bescheiden talent'. De depressies en zijn niet al te positieve zelfbeeld bleven, ondanks het feit dat her en der steeds meer de loftrompet over zijn werk werd uitgestoken. Zoals door de grote schrijver Marcel Proust, die naar eigen zeggen door Fauré's kamermuziek 'bedwelmd' raakte en hem bij het schrijven van zijn proza inspireerde. Maar Fauré's echte doorbraak kwam toch pas in 1896, na zijn benoeming tot eerste organist van de Parijse 'Église de Sainte-Marie-Madeleine', een bevoorrechte positie die Saint-Saëns ook had bekleed en die hij tot 1905 zou behouden. Niet minder prestigieus was in 1896 zijn benoeming tot compositieleraar aan het Parijse conservatorium, waar hij in die functie de grote Jules Massenet opvolgde. Het gaf daar les aan latere groten als Nadia Boulanger en Maurice Ravel. In 1905 werd hij er directeur, nadat zijn voorganger Dubois was gesneuveld in de 'affaire Ravel'.

Gabriel Fauré

Wat na zijn dood in 1924 door de jaren heen is gebleven is de relatief matige belangstelling voor zijn indrukwekkende oeuvre (hij schreef naast zes orkestwerken, kerkelijke en seculiere koormuziek, twintig kamermuziekwerken, zestig pianostukken, een honderdtal liederen, een 'tragédie-lyrique' in drie bedrijven ('Prométhée') en ook nog een opera ('Pénélope'). Nog merkwaardiger is het misschien wel dat zijn muziek nog steeds het stempel draagt van fondant en weekheid, een gebrek aan mannelijke kracht, typische, dromerige salonmuziek uit de negentiende eeuw waarbij niet alleen Proust maar ook de vele dames en heren van stand bijna in zwijm vielen. Een etiket dat overigens ook de muziek van Chopin langdurig heeft achtervolgd. Natuurlijk kan alleen de muziek zelf per saldo iets aan dat verwrongen beeld veranderen, mits uitgevoerd op een manier die ver verwijderd is van suikergoed en marsepein. De Canadese pianist Louis Lortie (Montréal, 1959) heeft blijkbaar het plan opgevat om alle pianowerken van Fauré op cd te vereeuwigen, want op het hoesje staat duidelijk 'A Fauré Recital Volume 1'. Qua programma koos Lortie terecht voor een caleidoscopische benadering, wat het veelkleurige karakter van Fauré's pianomuziek alleen maar ten goede komt. We horen de pianostukken niet keurig gerangschikt in de maat van hun ontstaansgeschiedenis, maar kriskras door Fauré's verschillende scheppingsperioden. Zo ontstonden de eerste drie 'pièces' op deze cd, de Nocturne op. 36, in 1884, de Barcarolle op. 70 rond 1895 en 'Après un rêve' op. 7 nr. 1 in 1877. De afsluitende negen Préludes op. 103 uit 1909/10 bewijzen nog eens met verve de fascinerende en verrassende expressiviteit die Fauré in zijn werk wist te leggen. Alleen al de vele onvoorspelbare harmonische wendingen zijn een voortdurende uitdaging, zowel voor de pianist als voor de luisteraar. In technisch opzicht stellen de Préludes nr. 2, 5 en 8 de hoogste eisen aan de pianistiek: ze nemen niet voor niets de gedaante aan van heuse études!

Louis Lortie biedt het ideale spel in dit repertoire. Hij kan de vergelijking met grootheden als Aldo Ciccolini en Pascal Rogé zondermeer doorstaan. In de langzame delen heerst een oase van rust in betoverende klankkleuren. In de snelle delen blijven de fraseringen lucide en is de karakterisering vol verbeeldingsvolle plastiek. Het geraffineerde pedaalgebruik, het lichte toucher, de scherp gestileerde articulatie en de facetrijke toonvorming doen deze miniaturen op een bijzondere manier opvlammen. De opname is niet minder fraai. Dit belooft een geweldige serie te worden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links