CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2017

 

Sequentia! - Werken voor Cello Solo

Dall'Abaco: 11 Capriccio's

Piatti: 12 Caprices op. 25

Joachim Eijlander (cello)
Navis NC17009 • 78' •
Opname: mei en juni 2017, Jurriaansezaal, De Doelen, Rotterdam

 

 
  Joachim Eijlander (foto Jasper Juinen)

Uit het persbericht: ‘Cellist Joachim Eijlander presenteert zaterdag 30 september 2017 tijdens een optreden in de Noorderkerk in Amsterdam zijn derde soloalbum Sequentia! (dat deel uitmaakt van de Aangenaam Klassiek campagne, AvdW). Op de cd speelt hij caprices van de relatief onbekende Italiaanse componisten Joseph Dall'Abaco en Alfredo Piatti. Joachim Eijlander: “Het is gevoelsmuziek, vanuit het hart geschreven. Vol passie, maar altijd integer. De stukken ademen de Italiaanse cultuur: met gevoel voor drama en traditie, zangerig en esthetisch.”
Na zijn eerdere albums met de Cellosuites van Bach (klik hier voor de recensie) voelt Sequentia! als een volgende stap in Eijlanders solocarrière. Zowel Dall'Abaco (1710 -1805) als Piatti (1822-1901) waren niet alleen componisten maar ook topcellisten. Zij reisden rond, elk in hun eigen eeuw, als ondernemende kunstenaars. Ze wisten als geen ander hoe ze voor hun lijfinstrument moesten schrijven. Eijlander: “De stijl van Piatti is romantisch, met barok- en klassieke invloeden. Dall' Abaco componeerde vooral vanuit de barok, maar liet daarbij ook ruimte voor andere stijlen. Dall'Abaco danst , de muziek van Piatti zingt meer. En Dall'Abaco durfde spaarzaam te zijn waardoor de muziek aan kracht wint. Piatti laat het theatrale toe, ook in de langzame stukken, waardoor zijn werken aan rijkdom winnen. Net als Bach suggereren beide componisten meerstemmigheid.”
Over het Navis-label zegt Eijlander: “Ik heb ambities en dromen. Navis gaat daar 100% in mee, het label onderscheidt zich daarin van anderen. Bij Navis Classics staat de musicus altijd centraal.”
Ik citeer uit dit persbericht omdat het niet de zoveelste wervende tekst betreft die losstaat van de werkelijkheid (dus zou het een regelrechte zegen zijn als de STER-reclames uit de ether verdwijnen en dan het liefst zo snel mogelijk).

In mijn Bach-recensie schreef ik onder meer dat Eijlander een groot cellist is. Om de gedachte te bepalen: in de klasse van een Jean-Guilhen Queyras. Eijlander (hij is tevens de oprichter van het Rubens Kwartet) speelde de Bachs cellosuites toen op een barokcello (Padova, 1870) van Gaetano Chiocci. De strijkstok (ongetwijfeld voorzien van echt paardenhaar) kwam ook van ver, uit Sint-Petersburg, daar in 1860 vervaardigd door Nikolaus Kittel. Het is deze strijkstok die Eijlander ook in deze merendeels virtuoze caprices heef gebruikt. De cello is evenwel een andere: het instrument (van een onbekend gebleven bouwer) dateert uit 1730 en werd voor deze nieuwe opname genereus ter beschikking gesteld door Godfried Hoogeveen. Het is bovenal een uiting van grote waardering van de ene vakcollega voor de andere.

Hoe het gisteren in de Noorderkerk is verlopen weet ik niet (ik had de uitnodiging op zak maar had me verbonden aan een schaakfestijn in de Krimpenerwaard), maar het zal ongetwijfeld een ware happening op hoog niveau zijn geweest, waarin naast Eijlander organist Aart Bergwerff en de danser Rutkay Özpinar van de uitvoerende partij waren.

Wat misschien niet iedereen weet: er is heel veel repertoire voor cello solo, zowel in originele als in bewerkte vorm. Het draait dus echt niet alleen om de cellosuites van Bach en Britten (al zou je dat soms wel denken), of - veel minder vaak gespeeld - de cellosonates van respectievelijk Zoltán Kodály en Paul Hindemith. Het is ook niet altijd zo dat speciaal voor de cello geschreven composities per definitie beter zijn dan (vakkundig en smaakvol) gemaakte bewerkingen. Ook in de muziek is het meestal niet zwart of wit. Al geldt dat laatste niet voor de speeltechniek, want als die niet tiptop in orde is, komt van een overtuigende interpretatie sowieso niets terecht.

Wat toentertijd voor zijn vertolking van de zes Bach-suites gold, geldt ook nu: Eijlander weet iedere caprice het juiste capricieuze elan en gewicht mee te geven, zoals Van Dale dat zo keurig heeft beschreven: grillig, luimig, nukkig. Hij heeft ook een intuïtief gevoel voor de in deze miniaturen huizende diversiteit waarmee de componist de zo noodzakelijke afwisseling heeftt beoogd (want let wel: het betreft slechts één strijkinstrument: de cello, waar het allemaal uit moet komen). Dat het virtuoze karakter van veel van deze stukken alleen al in speltechnisch opzicht een zeer hoge rangorde veronderstelt ligt voor de hand, maar gelukkig hebben ze veel meer te bieden dan alleen dat. Dit is echt geen volgestopte muzikale trukendoos waarin epaterende glitter domineert. Wie alle grove en fijne kneepjes daarvan kent maakt nog niet indrukwekkend muziek, onverschillig of het de componist of de uitvoerder betreft. Laat staan dat het muziek is die beklijft. Maar als de vereiste techniek de muzikale essentie naar boven brengt, is het een lust voor het oor als voor de ziel. Dan pas ontstaat de zo gewenste synergie waardoor de ene uitvoering zich van de andere onderscheidt. Het spel van Eijlander in deze caprices is ronduit exemplarisch en daardoor is deze cd in feite een waardige opvolger geworden van die met de Bach-suites. Maar ook qua tijdsbeeld lijkt het een schot in de roos: Dall'Abaco was deels een tijdgenoot van Bach, terwijl Piatti Dall'Abaco - er zat slechts zeventien jaar tussen - bijna opvolgde.

In welk jaar de opname precies is gemaakt kon ik niet uit het boekje opmaken, maar van de producer, Daan van Aalst, begreep ik inmiddels dat het in 2017 was: “de opnamen waren nog warm toen ze naar de fabriek gingen.” Nog veel belangrijker is echter de opname zelf, die weer in de topcategorie valt. Eijlanders ambities en dromen hebben ook wat dit betreft een zeer vruchtbare voedingsbodem gevonden!

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links