CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2010

 

 

Dvorák: Requiem in bes, op. 89 - Symfonie nr. 8 in G, op. 88.

Krassimira Stoyanova (sopraan), Mihoko Fujimura (alt), Klaus Florian Vogt (tenor), Thomas Quasthoff (bas), Wiener Singverein, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons.

RCO Live 10001 • 77' + 60' • (2 sacd's)

Live-opnamen 5-6 februari 2009 (Requiem); 19, 20, 21, 23, 25 december 2007 en 23 oktober 2008 (Symfonie nr. 8).


Dvorák was diep onder de indruk van zowel de kwaliteit als de omvang van de Engelse koren en orkesten. Hij was in 1884 op uitnodiging van de Philharmonic Society naar Londen gereisd en daar met open armen ontvangen. Zijn reputatie als componist was hem vooruitgesneld en de respectvolle benadering die hem overal ten deel viel sterkte alleen maar zijn zelfvertrouwen. Bovendien legden de vele concerten en lezingen hem geen windeieren. Van de opbrengsten kon hij zich later zelfs een aardig optrekje op het Boheemse platteland veroorloven. Het leek op het sprookje van de armlastige toondichter die kwam, zag, overwon en welgestelde huiswaarts keerde. Het moet hem met trots hebben vervuld dat hij erin was geslaagd om met zijn kunst de muziekwereld in beweging te zetten.
Over het bloeiende en rijk geschakeerde Engelse muziekleven en zijn amateurkoren en -orkesten sprak Dvorák met groot ontzag en bewondering. Zo repte hij van een concert waaraan werd meegewerkt door maar liefst 250 sopranen, 160 alten, 180 tenoren en 250 bassen, 24 eerste en 20 tweede violen, 16 altviolen, 16 celli en 16 contrabassen!

Toen Dvorák van het Birmingham Festival Committee het verzoek kreeg om een oratorium te componeren voldeed hij graag aan die opdracht. Het blijft onopgehelderd waarom de componist in een van de gelukkigste en voorspoedigste perioden van zijn leven uitgerekend voor de sombere zetting van de dodenmis koos. Er was in ieder geval geen directe aanleiding voor. Wel moeten we bedenken dat voor Dvorák het Dies irae noch het Rex tremendae - althans vergeleken met die van Berlioz en Verdi - iets werkelijk afschrikwekkends had. Evenals later Bruckner wortelde Dvoráks onwrikbare geloof in goedheid en eenvoud. Het straalde optimisme, vertrouwen en blijmoedigheid uit, een geloof ook dat in het zonovergoten, fris ogende en bosrijke landschap van Bohemen de boventoon voerde en dat niet alleen in zijn geestelijke, maar ook in zijn orkestrale muziek weerspiegeld wordt in schitterende melodieën, rijke harmonieën en een buitengewoon kleurrijke instrumentatie. Geen wonder dat Brahms zo jaloers was op die Boheemse componist die de ene na de andere prachtige melodie zomaar uit zijn mouw schudde!

Dat in deze nieuwe uitgave het Requiem is gekoppeld aan de melodisch bijna overstromende, in 1889 in Bohemen gecomponeerde Achtste symfonie is een gouden greep en zeker in een uitvoering als deze.

Opnamen

De ouderen onder ons herinneren zich nog wel de verschijning van die zo fameuze Decca-uitgave van Dvoráks Requiem aan het einde van de jaren zestig. Het was een sterbezetting, met de sopraan Pilar Lorengar (ze zou later onder meer schitteren in Beethovens Egmont, met de Wiener Philharmoniker onder George Szell), de alt Erzsébet Komlóssy, de tenor Robert Ilosfalvy, de bas Tom Krause, de Ambrosian Singers en het London Symphony Orchestra onder de jong gestorven Hongaarse dirigent István Kertész (hij verdronk op 16 april 1973 tijdens een zwempartijtje in Israël, waar de toen 44-jarige dirigent, overigens een groot sportliefhebber, op tournee was). Decca was toen berucht om zijn hevig krakende lp's. Het was een ware verademing toen de lp-versie veel later door de cd-pendant werd vervangen. De opname, gemaakt in de bekende Londense Kingsway Hall, mag er nog steeds zijn, al zijn de strijkers naar de huidige maatstaven wat spitser dan we gewend zijn.

Dan is er de vastlegging door de Tsjechische dirigent Karel Ancerl eind jaren vijftig voor Deutsche Grammophon, die ondanks de inmiddels gedateerde opname intepretatief een blijvend sieraad is. Met de topsolisten Maria Stader, Sieglinde Wagner, Ernst Haefliger en Kim Borg, het fabuleus zingende koor en het al even fabelachtig goed spelende orkest van de Tsjechische Filharmonie zorgde de tot in zijn diepste vezels geïnspireerde Karel Ancerl voor een onvergetelijke uitvoering.

Hierbij vergeleken valt de Supraphon-verdoeking uit het midden van de jaren tachtig met dirigent Wolfgang Sawallisch uit het midden van de jaren tachtig bijna in het niet. En dit ondanks de op papier veelbelovende solisten Benacková, Fassbaender, Moser en Rootering, naast het - evenals bij Ancerl - Tsjechisch Filharmonisch Orkest en Koor. Niet alleen de registratie stelt behoorlijk teleur, maar ook de solisten ontbreekt het aan de vereiste homogeniteit door een tekortschietende ensembletechniek. Bovendien heeft Sawallisch in het tweede deel minder greep op het geheel dan zijn grote voorgangers Ancerl en Kertész. Zdenek Mácal (Delos) en Hagel (Hänssler) halen de eindstreep evenmin en vallen om uiteenlopende redenen af:

Heel wat beter brengt Neeme Järvi het op het LPO (Live) label ervan af (klik hier voor de recensie). Maar ook bij hem is de solistenbezetting niet ideaal en zijn het de verre van ideale akoestische eigenschappen van de Londense Royal Festival Hall die nog meer roet in het eten gooien.

Nu is het dan de beurt aan 'ons' Koninklijk Concertgebouworkest dat onder Mariss Jansons waarlijk de sterren van de hemel speelt en waarvan de vertolking zowel die onder Kertész als Ancerl naar de kroon steekt. Ik zou kunnen gaan muggenziften over de nog grotere intensiteit die Ancerl in het tweede deel weet op te roepen, maar Jansons zorgt voor een werkelijk in al zijn geledingen overrompelende uitvoering die zijn klasse als interpreet van het grote romantische repertoire nog eens uitdrukkelijk bewijst. Net als in de Achtste symfonie kookt, borrelt en zindert het, maar schept hij ook voldoende ruimte voor het lyrische en contemplatieve, met steeds weer onmiskenbaar dat ongelooflijke oor voor detail en proportie. Zijn optreden oogt minder spectaculair dan dat van sommige collega's, maar wel is er altijd sprake van zijn enorme greep op de partituur en het uitvoeringsapparaat.

Een belangrijk winstpunt is het solistenteam dat zich uitmuntend profileert en de vocale techniek achter zich kan laten om zich op de vertolking zelf te concentreren. Dat betaalt zich uit in een gave modellering, met een overtuigende balans en fraai uitgewerkte fraseringen. De felle, maar strikt heldere sopraan Krassimira Stoyanova en de gelukkig niet larmoyante tenor Klaus Florian Vogt verdienen wat mij betreft een extra compliment voor hun fenomenale bijdragen. Alle vier mengen zich perfect in hun gezamenlijke aandeel (Recordare en Pie Jesu). De kwaliteit van het koor, de Wiener Singverein (het vierde in het seizoen 2008/09 zijn 150-jarig bestaan), ging in de jaren negentig sterk achteruit, maar in deze opname lijkt het zich te hebben gerevancheerd, ongetwijfeld dankzij een scherp omlijnd auditiebeleid en veel jonge stemmen. Dit is de Singverein zoals we het koor kennen van het tijdperk Böhm en Karajan.

Hoe verloopt de Achtste? Het aantal zeer geslaagde opnamen van dit zo populaire werk is in de afgelopen jaren sterk gestegen. Denkt u maar aan Colin Davis (Philips), Karl Ancerl (EMI), Iván Fischer (Channel Classics), George Szell (Decca, eveneens met het Concertgebouworkest), Rafael Kubelík (DG) en natuurlijk Jansons zelfs, toen nog als chefdirigent van het symfonieorkest van Oslo (EMI). Tussen die opname en deze nieuwe zit interpretatief nauwelijks licht, wat pleit voor Jansons consistentie, maar de nieuwe opname is wel mooier, met subliem vastgelegde strijkers, pregnante houtblazers en stralend koper, dit alles in een volkomen natuurlijk perspectief. Dat de editing van de symfonie de nodige hoofdbrekens zal hebben bezorgd blijkt wel uit de opnamedata die in het sacd-boekje worden vermeld: 19, 20, 21, 23, 25 december 2007 en 23 oktober 2008. Het siert het KCO overigens dat deze gegevens in het boekje zijn opgenomen.

En als ik het dan toch over de opnamekwaliteit heb: het Requiem staat er al even subliem op, de zaalakoestiek komt optimaal mee. De koorklank staat ook als een huis, mooi doorzichtig, homogeen en met goed hoorbare details in de verschillende stemvoeringen. Dan zijn de orkestrale tutti net zo imposant als de houtblazercantilenen en de strijkerguirlandes. De donker getimbreerde sonoriteit hoort onverbrekelijk bij het Requiem en zo komt het ook uit de luidsprekers. Vroeger mochten we weleens mopperen op de opnamekwaliteit van de RCO Live serie, maar dit is niet de eerste opname waaruit blijkt dat de opnametechnici de weerbarstige akoestiek van de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw in de technische greep hebben gekregen. Wie die zaalakoestiek goed kent vindt dit misschien verbazingwekkend, maar het is nu eenmaal zo dat onze oren niet de eigenschappen van microfoons hebben. Dat is trouwens maar goed ook...

Een op alle fronten voorbeeldige uitgave!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links