CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2016

 

Henry Du Mont: O Mysterium
Motetten en 'élévations' voor
'La Chapelle Royale' van Louis XIV

Du Mont: Memorare - Jesu dulcedo cordium - Desidero te millies - O aeterne misericors Deus - Sub umbra noctis profundae - O Mysterium - Allemanda Gravis - Ave Regina caelorum - O dulcissima - Quam pulchra es - O praecelsum - Super flumina Babylonis

Ensemble Correspondances o.l.v. Sébastien Daucé

Harmonia Mundi HMC 902241 • 72' •

Opname: september 2015, MC2, Grenoble (F)

   

Henry Du Mont was oorspronkelijk een Nederlander, want hij werd in 1610 in de Zuidelijke Nederlanden, om precies te zijn in het vlakbij Luik gelegen Borgloon geboren. Zijn jeugd bracht hij door in Maastricht. Met zijn broer Lambert werd Henry in 1621 koorknaap van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aldaar en acht jaar later organist aan diezelfde kerk (waar Lambert hem later zou opvolgen). Zijn grote talenten als organist, klavecinist en dirigent bleven niet onopgemerkt en werd hij door het kerkbestuur in de gelegenheid gesteld zich verder te bekwamen. Financieel kon hij zich dat ook veroorloven: als kanunnik van het kapittel van Sint-Servaas was hij verzekerd van een vast inkomen.
Zijn studie bij Léonard de Hodémont, de kapelmeester van de Onze-Lieve-Vrouw kathedraal en de Sint-Lambertus kerk in Luik brachten hem voor het eerst in aanraking met de 'stile concertato' en de Italiaanse motetten voor klein koor met vioolbegeleiding. Vernieuwingsdrang en verder reikende muzikale aspiraties deden hem het in dat opzicht nogal benauwde Luik verruilen voor het kosmopolitische Parijs. Of hij zich al tevoren verzekerd wist van een betaalde positie in de Franse hoofdstad verhaalt de geschiedenis niet, maar vaststaat wel dat hij in 1643 als vaste organist verbonden was aan de Pauluskerk in Marais, tegen een jaarsalaris van 400 Livres, best riant in vergelijking met wat een organist in Parijs doorgaans kon verdienen. Een dergelijk hoge wedde laat zich eigenlijk alleen verklaren door zijn al gevestigde reputatie als organist. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat op zijn aandringen de orgels in de kerk aan een ingrijpende restauratiebeurt werden onderworpen, ook toen al een voor de kerkgemeenschap zeer kostbare affaire. Ook als klavecinist en componist wist Du Mont in het ook muzikaal toen al veeleisende Parijs naam te maken: als clavecinist en als componist.
Zijn eerste motetverzameling 'Cantica sacra' verscheen in 1652 in druk bij de prestigieuze uitgever Robert Ballard in Parijs, met financiële steun van de hertogin van Chaulnes. Du Mont verkeerde in hoofse kringen, getuige zijn aanstelling in datzelfde jaar als klavecinist aan het hof van Filips van Orléans, de hertog van Anjou en broer van Lodewijk XIV. Acht jaar later, in 1660, werd hij organist aan het hof van de jonge koningin Marie-Thérèse d'Autriche, die kort daarvoor met Lodewijk XIV met alle daarbij horende pracht en praal in de echt was verbonden. Daar kreeg Du Mont een nog rijker aangekleed takenpakket toegeschoven: samen met een aantal andere instrumentalisten en acht zangers moest hij de muziek, 'La Musique de la Reine', verzorgen ter opluistering van de dagelijkse mis voor de koningin en haar kinderen. Een paar jaar later kreeg hij de leiding over 'La Musique', maar nu met de bijbehorende verplichting om de muziek te componeren en deze ten overstaan van de koningin en haar gezelschap uit te voeren; en dan met name motetten ter ondersteuning van de eredienst in haar kapel. Het bleek de ideale springplank voor een nog belangrijker positie: die van 'sous-maître' (zeg maar onderkoning) van de 'Chapelle de Musique de Roi' in Versailles, die hij in 1663 in de wacht wist te slepen. In eerste instantie deelde hij die functie met nog drie musici, maar vanaf 1668 werden de taken uitsluitend nog verdeeld tussen hem en Pierre Robert (ca. 1618-1699), een van de belangrijke voorlopers van het typisch Franse dubbelkorige 'Grand Motet'. Met Robert was Du Mont dus feitelijk heer en meester over de 'Chapelle Royale'. Voor Du Mont brak een drukke tijd aan van componeren van motetten en het onderwijzen en aansturen van de aan de 'Chapelle' verbonden musici en zangers. En dan te bedenken dat hij zich nog steeds verbonden voelde met de Pauluskerk in Marais en daar tot zijn dood het orgel zou bespelen.
Deze 'compositeur de musique de la Chapelle royale', deze 'maître de musique de la Reine' besloot in 1683, een jaar voor zijn dood, alle functies en nevenfuncties neer te leggen, met uitzondering van die van organist van de 'Église Saint-Paul'. Du Mont was getrouwd met Mechthilde Loyens, dochter van de burgemeester van Maastricht.

De op deze cd bijeengebrachte motetten en 'élévations' vormen een staalkaart van Du Monts grote compositorische kwaliteiten op dit gebied. Interessant is ook het instrumentale aandeel in deze koorwerken, met naast het gebruikelijke orgel de fluit, basfluit, het strijkensemble, de theorbe, luit en het klavecimbel. Het instrumentaal ensemble speelde in die tijd de préludes en ritornelli, begeleidde de vocale soli ('récits') en ondersteunde colla parte de koorpartijen. Geheel in de stijl van dit programma zijn de instrumenten in het boekje in het Frans weergegeven. Waarbij het goed is om te weten dat de 'violon' de pendant is van de viool, de 'basse de viole' van de altviool en de 'basse de violon' van de cello. De 'basson' is uiteraard de fagot. 'Dessus' betekent 'bovenliggend', dus in dit geval de bovenliggende (eerste) stem.

Sébastien Dauce, de artistiek leider van het Ensemble Correspondances, heeft er al eerder blijk van gegeven dat hij heden en verleden op een historiserend verantwoorde manier aan elkaar weet te knopen. Zoals ik al eens eerder schreef: hij is daarbij niet in de val van het maniërisme gelopen, heeft de 'authenticiteit' niet tot dogma verheven en een nogal kleur- en fantasieloze aanpak vermeden. Zijn kritische instelling ten opzichte van het overgeleverde notenmateriaal en andere geraadpleegde bronnen heeft een frisse benadering van deze muziek opgeleverd. Muziek die voortdurend charmeert en die het prima zonder hogere eisen kan stellen. Hier niet de pracht en praal van het rijke Versailles met een verscheidenheid aan dansen, dialogen en aria's, maar de puurheid van een religieuze belevingswereld gevat in een etherisch klanktapijt van een bijzondere schoonheid. De opname is wonderlijk genoeg gevat in 'kapelakoestiek', maar werd toch gemaakt in het moderne MC2, het 'Maison de la Culture' in Grenoble (in 1968 geopend ter gelegenheid van de Olympische winterspelen).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links