CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2019


Chopin: Pianoconcert nr. 1 in e, op. 11 - nr. 2 in f, op. 21 (versie voor piano en strijkkwintet)

David Lively (piano), Quatuor Cambini-Paris, Thomas de Pierrefeu (contrabas)
Aparté AP204 • 67' •
Opname: oktober 2016, Banque de France, Parijs

   

We weten dat Chopin zijn beide pianoconcerten eerst in kleine kring in Parijse salons uitprobeerde alvorens ze toe te vertrouwen aan een volmondig orkest. Er was zelfs sprake van meerdere tussenfasen: eerst was het alleen de piano, gevolgd twee piano's, dan piano en strijkkwintet en ten slotte de volledige orkestpartituur. Dat na de voltooiing van de orkestversie het strijkkwintet echter niet uit het oog verdween blijkt wel uit het titelblad van de overgeleverde eerste druk: ‘Grand Concerto pour le Pianoforte avec Accompagnement d'Orchestre ou de Quintuor ad libitum'. Ook in vroeger tijden (Mozart, Beethoven) was dit overigens geen ongebruikelijke gang van zaken. Er was niet altijd een groot orkest beschikbaar en in kamermuziekbezetting (alleen strijkers) kon het immers ook. Wat je ook kunt zeggen: zowel in de ‘volle' als in de ‘afgeslankte' versie is en blijft het formidabele muziek. Componisten, maar ook de uitvoerenden waren zich daarvan uiteraard bewust.

Dat Chopin het gehele werk puur vanuit de piano (“de piano is mijn solide fundament”, zei hij eens) heeft geconcipieerd wordt in de beide concerten haarscherp duidelijk. Daarop is door de jaren heen kritiek geweest, met als voornaamste tegenwerping dat de orkestpartijen qua inventie tekort zouden schieten en meer als ‘opvulsel' en ‘aanvulling' dienden voor de briljant geschreven pianopartij. Dat Chopin eigenlijk maar een matige orkestrator was. In de jaren zestig van de vorige eeuw waren er zelfs nog dirigenten die de orkestrale expositie stevig inkortten… Of, zoals onlangs nog Mikhail Pletnev (klik hier voor de recensie), zelf maar als bewerker met die orkestpartij aan de slag gingen.

Natuurlijk weten we dat Chopin geen componist was van de grote vorm, dat hij daarin niet echt excelleerde, maar het heeft geen enkele zin om bijna twee eeuwen later daaraan nog een waardeoordeel te willen verbinden. We doen het gewoon met wat we hebben en dat betekent genieten van sublieme muziek die, wat de orkestpartij betreft, wel degelijk vakkundig is geschreven, maar door de fenomenaal gecomponeerde pianopartij daar nogal bleekjes tegen afsteekt. Maar wel een orkestpartij die ‘opvulsel' noch ‘aanvulling' is. Zoveel credit mag deze zo bijzondere componist toch wel worden gegeven, dunkt mij.

Nu dan dus deze beide versies voor piano en strijkkwintet in uitvoeringen die in overdrachtelijke zin zo ongeveer tot aan de hemel reiken. Het feest begint bij de vleugel, een gerestaureerde Érard uit 1836 (dat is zes jaar na de voltooiing van het Tweede pianoconcert), uit de bekende collectie van Chris Maene. Dan is er het grandioze spel van de pianist David Lively (hij laat zich al horen in de inleidende expositie) en het Quatuor Cambini-Paris, wars van sentimentaliteit maar vol overgave en engagement, strikt helder in stemvoering en balans, volmaakt articulerend en fraserend, fantasierijk in de vele dialogen, sprankelend in de hoekdelen en lyrisch, gloedvol en warm in de middendelen. En ja, iedere stem is perfect te volgen, waardoor we een nog beter inkijkje krijgen in Chopins neergeschreven ‘begeleiding'. De opname is een kunstwerkje dat het instrumentarium in het mooist denkbare licht zet. Dat brengt me op de overige instrumenten: de beide violen dateren uit respectievelijk 1839 en 1841, de altviool uit 1855, de cello uit 1881 en de contrabas 'ergens' uit de negentiende eeuw . ‘Authentieker' kun je het niet krijgen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links