CD & DVD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2019

Charpentier: Histoires Sacrées

CD 1: Caecilia virgo et martyr octo vocibus H 397 - Motet pour les trépassés á 8 H 311 - Dialogus inter Magdalena et Jesum 2 vocibus canto e alto cum organo H 423 - Judith, sive Bethulia liberata H 391

CD 2: Mors Saulis et Jonathae H 403 - Dialogus inter Christum et peccatores H 425/425a - Dialogus inter Christum et homines H 417 - Élévation H 408 - Pestit Mediolanensis H 398/398a

Ensemble Correspondances o.l.v. Sébastien Daucé
Harmonia Mundi HMM 902280.81 • 2.42' • (2 cd's)
Opname: oktober en december 2016, MC 2, Grenoble en Maison de la Culture, Amiens

+ DVD: O sacramentum pietatis H 274 - Judith sive Bethulia liberata H 391 - Magdalena lugens H 343 - Caecilia virgo et martyr octo vocibus H 397 - Sub tuum praesidium H 28
Harmonia Mundi HMM 902280.81 • 1.39' •
Live-opname: december 2016, La Chapelle Royale du Château de Versailles

   

Seule dans les grottes vivait Madeleine, endeuillée,
Et, soupirant nuit et jour,
D'une voix gémissante, elle parlait ainsi au Christ
.
Marc-Antoine Charpentier (1643-1704), Magdalena lugens

Aan het eind van de jaren 1660 bevond Marc-Antoine Charpentier (1643-1704) zich in Rome, waar hij kennismaakte met het zich snel ontwikkelende Latijnse oratorium, met Giacomo Carissimi (1605-1674) als een van de meest aansprekende vertegenwoordigers van deze stroming. Charpentier moet het hebben ingedronken, zoals glashelder blijkt uit zijn 'Histoires Sacrées' (met als flonkerend voorbeeld daarvan ht eerste koor in 'Judith' H 391). We staan daarmee midden in een dramatisch vormgegeven religieus genre dat in Frankrijk veel aandacht trok.

Deze ‘historia' is van substantiële omvang en gezet voor solisten, koren en instrumentaal ensemble (het concercato), op teksten uit het Oude en Nieuwe Testament die worden gesproken door een of meerdere ‘historici', een rol die wordt toebedeeld aan een zanger, klein ensemble of koor. Aan de basis ervan ligt de dialoogvorm (‘dialogus'), die teruggrijpt op wat in de zestiende en zeventiende eeuw in Frankrijk werd gepraktiseerd, onder meer door Guillaume Bouzignac en Henry Du Mont. Deze concieze vorm biedt als zodanig een scherp contrast met de aanmerkelijk ruimer opgezette ‘histoire'. De dialoog speelt zich af tussen de hemel (Christus) en de aarde (bevolkt door zondaars, met de daarbij behorende allegorieën van honger en dorst). Belangrijk zijn ook de klaagzangen (lamento), een vorm die eveneens was overgewaaid uit Italië, en die nog eens uitdrukkelijk aantonen hoezeer Charpentier de kleurrijke contrastwerking tot de zijne had gemaakt, met voorop het dramatisch effect, maar ontdaan van enige platvloerse signatuur.

Het overheersende beeld in deze 'Histoires Sacrées' is dat van een in de vorm van muziekdrama gegoten barokke pracht en praal, mede bezield door de teksten van Jean-Baptiste Poquelin (1622-1673), beter bekend als Molière (Comédie Française), die op zijn beurt in Charpentiers muziek een belangrijke inspiratiebron vond. Tot nog kort voor de dood van deze grote Franse lyricus schreef Charpentier de muziek bij diens ‘Le malade imaginaire' (de ingebeelde ziekte), Molières laatste voltooide werk. Maar de ‘Histoires Sacrées' zouden er niet zijn geweest zonder de diep religieuze, puissant rijke freule Maria van Guise, die beschikte over een groot aantal zangers en instrumentalisten en bij wie ook Charpentier, als componist, in dienst was.

Is het een oratorium? Of toch meer een opera? Of een mengvorm van beide? Evenals later bij Händel (1685-1759) is de grens niet altijd gemakkelijk te trekken en is het misschien het veiligst om van een religieus (niet kerkelijk!) muziekdrama te spreken, een genre waarin veel ruimte wordt gelaten aan de karakterisering van de verschillende hoofdrolspelers. Waar in het geval van de ‘Histoires Sacrées' nog bijkomt dat de componist deze term nooit heeft gebruikt en dat van een hecht geconcipieerd corpus evenmin sprake is. In de drie delen (ze nemen ieder zo'n halfuur tot bijna driekwartier in beslag) zijn het de vertellingen (de rol die is toebedeeld aan een of meerdere ‘historici') die de zo noodzakelijke samenhang en continuïteit creëren, puttend uit teksten uit het Oude en Nieuwe Testament.

Wie zich beperkt tot de beide cd's krijgt een ander beeld van het werk dan wie de door Vincent Huguet geregisseerde mise-en-scène in de koninklijke kapel van het paleis van Versailles bekijkt. Een overweldigende voorstelling die overigens niet overeenkomt met de uitvoering op deze twee cd's (hoewel in hetzelfde jaar, 2016, tot stand gekomen). Om de verschillen hier aan te duiden: in Versailles was sprake van twee (H 391 en H 397) van de drie ‘Histoires Sacrées', aangevuld met drie, op de cd's ontbrekende, kortere werken: ‘O sacramentum pietatis' H 274, ‘Magdalena lugens' H 343 en afgesloten met het sublieme driestemmige ‘Sub yuum praesidium' H 28,waarvan er een, het antifoon ‘In Odorem unguentorum' H 51, vreemd genoeg niet in het boekwerk (blz. 104 en 105) is opgenomen.

Zowel de in Grenoble en Amiens gemaakte studio-opnamen als de live-registratie in het paleis van Versailles laten ons kennismaken met een topuitvoering die wat mij betreft model kan staan voor iedere andere die (mogelijk) daarop nog volgt. Dit is zo onvoorstelbaar goed gedaan dat het werkelijk adembenemend is. Alles komt in deze fenomenaal gerealiseerde, dramatische anthologie volmaakt samen: muziek, klank, acteerprestaties, decors, regie, beeld.

En de historische context? Sébastien Daucé heeft zich – het spreekt bijna vanzelf - gebaseerd op Charpentiers handschriften waaruit duidelijk blijkt welke zangers welke solopartijen voor hun rekening moesten nemen en hoe de koren vanuit dramatisch oogpunt diametraal dienden te worden geplaatst. Waarbij de componist in de voorstelling zelf als 'haute-contre' ook van de partij was. Jawel, Charpentier zong graag mee in zijn eigen werk!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links