CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2021

Concerto Barocco

Vivaldi: Concerto Grosso RV 580

Bach: Concerto BWV 975 - Brandenburgs Concert nr. 6 BWV 1051

Händel: Concerto Grosso op. 3 nr. 2 HWV 313 - Orgelconcert op. 4 nr. 1 HWV 289

Scheidt: Canzon a 5 voc. Super O Nachbar Roland

Bertali: Sonata a 5

Seldom Sene, Matthias Havinga (klavecimbel, orgel)
Brilliant Classics 96181 • 67' •
Opname: februari 2020, Schuilkerk De Hoop, Diemen

   

In de Barok was het de gewoonste zaak van de wereld om met de meest uiteenlopende bewerkingen zowel goede sier te maken als wanneer praktische omstandigheden erom vroegen. Het instrument of de instrumenten waarvoor een bepaald stuk was geschreven moest of moesten op een bepaald moment wel beschikbaar zijn en als dat niet het geval was? Dan werd een geschikt alternatief gezocht of werd de oorspronkelijke muziek gewoon aangepast al naar gelang de bezetting die voorhanden was. Moest de partituur (vaak de van het oorspronkelijke manuscript afgeleide orkestpartij) dan worden herschreven? Soms wel, maar de musici in die tijd waren dusdanig bedreven in hun vak dat ze er hun hand niet voor omdraaiden en gewoon van blad hun (daarvan afwijkende) partij speelden. Laten we daarbij vooral niet vergeten dat veel uitvoerende musici tevens componist waren en veel componisten zelfs meerdere instrumenten bespeelden. Bovendien week men nogal eens af van wat er genoteerd stond, werd er geïmproviseerd of werden er andere kunststukjes uitgehaald. Het publiek merkte er meestal weinig tot niets van omdat ze het op de lessenaars staande stuk (nog) niet kenden. Dat waren facetten van het ambacht die in de eerste helft van de negentiende eeuw geleidelijk aan verloren gingen. Zelfs aan het spelen van een eigen cadens in een viool-, cello- of pianoconcert wagen de topmusici van tegenwoordig zich niet of nauwelijks nog aan en ik zou ze niet graag de kost geven die zelfs het ornamenteren niet aandurven.

Een dergelijke historische achtergrond maakt (hoewel niet alle) bewerkingen van barokmuziek zeker legitiem, zij het dat de noodzaak in de huidige tijd minder voor de hand ligt. We baden vandaag de dag immers in de pure luxe van discografische overvloed en hoezeer zijn we niet verwend door de meest uitgelezen ensembles! Waarmee men zich in de achttiende en deels ook negentiende eeuw moest behelpen is voor ons alleen al vanuit die optiek een min of meer gesloten boek geworden en als we het toch willen openslaan mogen we ons verbazen over de vele beperkingen die toen golden.

Daarmee is dit verhaal echter nog niet afgesloten, want zelfs in de eerste decennia van de twintigste eeuw was het op sommige vlakken nog behoorlijk behelpen. Alleen al de programma-aankondigingen van die bekende Weense ‘Verein für Verein für musikalische Privataufführungen‘ spreken wat dit betreft boekdelen u vindt daarover zo het een en ander op onze site). Dat betrof dan vooral bewerkingen die werden ingegeven door de gedachte: nood breekt wet. Dat er praktische omstandigheden waren waardoor het volledig bezette symfonieorkest buiten bereik lag en noodgedwongen moest worden uitgeweken naar het domein van het (uiteraard aanmerkelijk kleinere) ensemble, wat echter ingrijpende wijzigingen vereiste in de oorspronkelijke partituur.

In de bij de cd gevoegde toelichting wordt het arrangeren gedefinieerd als ‘de kunst om bestaand muzikaal materiaal een nieuwe vorm te geven en het bruikbaar te maken voor een nieuwe context'. Dat lijkt me een prima omschrijving van dat proces. Maar die ‘kunst' werd niet alleen beoefend uit puur praktische overwegingen om bepaalde muziek op een andere wijze uit te voeren, dan wel toegankelijk te maken voor een andere bezetting. Er sprak menigmaal ook de bewondering uit van de bewerker voor de oorspronkelijke maker (ik noem slechts als voorbeeld Bachs bewerkingen van een aantal concerten van Vivaldi). Maar er was nog een belangrijke reden: tijdgebrek, wat de componist dwong om bestaand materiaal in een nieuw jasje te steken. Ook daarin toonde Bach zich overigens een ware meester (wat ook gold voor de hem, maar ook door anderen beoefende kunst van de parodie).

Het ligt voor de hand dat van de bewerker wordt verwacht dat het origineel door het arrangement niet te zeer wordt aangetast; omdat het anders geen bewerking meer is, maar eerder het ontstaan van een min of meer nieuw werk. Ook daarvan zijn er genoeg voorbeelden uit het verleden maar ook heden. Het streven lijkt er dan vooral op gericht om een bestaande compositie alleen als grondmateriaal te gebruiken voor het scheppen van een nieuw werk.

Of het voor de luisteraar in diezelfde mate opgeld doet is wat mij betreft een nogal open vraag, maar een feit is wel dat de bewerker veel (aanvullende) kennis vergaart over het origineel dat hij op deze wijze onder handen heeft. Wie, zoals Seldom Sene, de blokfluitfamilie (en de leden kennen de spel- en klanktechnische mogelijkheden van de instrumenten als geen ander) inzet als bron van het bewerkingspotentieel, schept als het ware een nieuwe wereld in termen van expressiviteit, virtuositeit en klankkleur, begrippen die onlosmakelijk met dat instrumentarium verbonden zijn. Waar in dit geval nog bijkomt dat klavecimbel en orgel daaraan nog eens extra invulling geven.

Knap is ook hoe gehele ensemble tevens de oplossing heeft gevonden voor het zo noodzakelijke onderscheid tussen soli en tutti (het belangrijkste uitgangspunt voor het barokke concerto grosso model), maar ook hoe in dit veelkleurige rollenspel de concertante bijdragen zich het beste moesten verhouden tot het basso continuo.

De intense muzikaliteit van het gehele ensemble blijkt dus niet alleen uit de spelkwaliteiten, maar ook uit de wijze waarop zij (en dan met name María Martínez Ayerza) de bewerkingen hebben gerealiseerd. Geen wonder dus dat zowel in dit buitengewoon knap gerealiseerde wisselspel, de transities van tutti naar soli en omgekeerd, een absolute lust voor het oor zijn en dat deze deels zo bekende werken in hun originele vorm dankzij het Nederlandse blokfluitkwintet Seldom Sene en de klavecinist en organist Matthias Havinga tot geheel nieuwe, uiterst creatief vormgegeven gestalten konden uitgroeien. Oude muziek in een nieuwe jas, het is bepaald niet van alledag.

De door Andrea Friggi gemaakte opname in de Schuilkerk De Hoop in Diemen is zeer geslaagd: de vele verschillende timbres zijn echt volmaakt vastgelegd in een akoestiek die het gehele instrumentarium bovendien optimaal tot leven brengt. In het boekje zijn de diverse blokfluiten, het klavecimbel en het portatieforgel tot in detail vermeld. De stemming over de gehele linie: A=415Hz en dan weet u genoeg.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links