CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2017

 

Berlin Classics Est. 1947 serie

(De cd-gegevens vindt u aan het slot van deze bespreking)

   

Opname: 1976-1980 (2)
Opname: 1982
Opname: 1980
Opname: 1967
Opname: 1957-1958
Opname: 1962
Opname: 1984
Opname: 1983
Opname: 1976
Opname: 1974-1975
Opname: 1978-1979 (4)
Opname: 1978
alle cd-gegevens vindt u aan het slot van deze bespreking
Opname: 1973
Opname: 1961-1987 (6)
 

Het doen herleven van oude tijden: platenmaatschappijen die hun (stok)oude voorraad opnieuw uitbrengen, hetzij digitaal ‘opgeknapt', hetzij zonder enige bewerking van de oorspronkelijke moederband naar de cd. Het is niet iets van de laatste jaren: EMI (nu Warner) begon er al jaren geleden mee, evenals Deutsche Grammophon. Onder de kleine(re) labels zijn het PentaTone en Audite die er veel eer mee hebben ingelegd. Nu heeft ook het Duitse label Berlin Classics die weg ingeslagen en ontving ik een aanzienlijke stapel cd's (23 in totaal) met opnamen die zonder uitzondering nog uit het tijdvak stammen dat de Deutsche Demokratische Republik (DDR) ‘alive and kicking' was. Toen er nog een dikke betonnen muur door Berlijn liep en het IJzeren Gordijn een onneembare hindernis vormde tussen het dichtgetimmerde Oosten en het vrije Westen.

‘Geschlossene Gesellschaft'
Hoewel vanaf de geboorte van de DDR alles daar wel zo ongeveer op slot zat (men sprak niet voor niets van een ‘geschlossene Gesellschaft', een gesloten maatschappij), bloeide het culturele leven er wel degelijk. De tot ruïnes gedegradeerde operahuizen werden weer opgebouwd, operaregisseurs als Walter Felsenstein, Ruth Berghaus en Harry Kupfer vonden er onmiddellijk emplooi. Er waren in relatie tot het inwonertal nergens zoveel symfonieorkesten te vinden als in de DDR en vrijwel ieder stadtheater beschikte over een eigen orkest met een daaraan vast verbonden ‘Kapellmeister'.
Voor de barokmuziek was een speciaal plekje gereserveerd. In Halle (bij Leipzig) klonken de ‘Händelfestspiele', in Magdeburg de ‘Telemannfesttage' en in Leipzig het ‘Bachfest'. In Dresden beleefde de Semperoper gouden tijden, de nieuw gebouwde opera en het Gewandhaus in Leipzig waren steevast uitverkocht, het Kreuzchor in Dresden en het Thomanerchor in Leipzig boden topuitvoeringen. Dirigenten als Franz Konwitschny, Kurt Masur, Otmar Suitner en Kurt Sanderling genoten een reputatie tot ver buiten de eigen landsgrenzen.

Grote namen
De DDR creëerde privileges, maar haalde ze met evenveel gemak onderuit. Zo ook de illusies onder het juk van een heersende willekeur. Dat wordt niet beter weergegeven dan in de bekende speelfilm ‘Das Leben der Anderen'. Wie de moeite neemt om een Stasi-museum of –gevangenis te bezoeken, of in Leipzig een paar uur uittrekt voor een van de beste (permanente) tentoonstellingen over de geschiedenis van de DDR (‘Zeitgeschichtliches Forum', Grimmaische Strasse 6) komt gegarandeerd met stevig gewassen oren en ogen weer in de buitenlucht.

Het speciaal voor de klassieke muziek opgerichte platenlabel Eterna (een VEB, ‘volkseigener Betrieb', de volmaakte geïndustrialiseerde pasvorm voor een socialistische heilstaat) bracht een groot aantal klassieke opnamen uit. Daarmee verbonden waren bekende namen als die van Gisela May, Peter Schreier, Theo Adam en Ludwig Güttler. Nieuwe muziek werd van overheidswege gestimuleerd en componisten konden doorgaans op ruimhartige staatssteun rekenen. Paul Dessau, Hanns Eisler en Günter Kochan waren in de DDR vooraanstaande componisten.

Verschillende labels
Alleen Deutsche Schallplatten Berlin (DSB) had in de DDR het recht om opnamen uit te brengen. In 1947 had de Duitse liedkunstenaar, acteur en regisseur Ernst Busch (1900-1980) (hij ‘genoot' door zijn stem en reactionaire ideeën de bijnaam ‘Barrikaden Tauber') de platenmaatschappij ‘Lied der Zeit Schallplatten-Gesellschaft' opgericht, die in 1950 werd uitgebreid met een uitgeverij van bladmuziek. Het bedrijf ging in 1954 vrijwel naadloos overging in DSB. Het cultuurministerie had een dikke vinger in de pap, kon rechtstreeks invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering en beoordeelde welke opnamen wel en welke niet mochten worden uitgebracht. DSB kende echter de uitgevaardigde richtlijnen en in de praktijk van alledag viel dat toezicht wel mee.
DSB had zes verschillende labels onder zijn hoede, waarvan Eterna en Amiga de belangrijkste waren. Eterna was gespecialiseerd in de zogenaamde ‘E-Musik', ofwel ‘Ernste Musik', in tegenstelling tot Amiga, die voor de ‘U-Musik' (‘Unterhaltungsmusik') verantwoordelijk was. Eterna was koploper, met 60% van de in totaal 8500 producties, maar Amiga had met 50% de meeste afzet. In totaal werden er tussen 1955 en 1989 maar liefst 97 miljoen geluidsdragers verkocht. Beduidend minder presteerden de overige labels: Litera voor het gesproken woord (lezingen, hoorspelen, toneelstukken), Nova voor de serieuze eigentijdse muziek, Aurora voor de liedproducties van Ernst Busch en ‘Arbeiterlieder', Schola voor de speciale leerprojecten.
De platenpersen stonden in Potsdam-Babelsberg, de muziekcassettes werden geproduceerd in de Oost-Berlijnse wijk Johannisthal. In de DDR kwam stereo overigens later op gang dan in het Westen: pas in 1962 verlieten de eerste stereo-lp's de fabriek. Voor studio-opnamen waren vijf locaties beschikbaar, terwijl voor live-opnamen bij voorkeur werd samengewerkt met de huisomroep van de DDR. De opnameteams waren actief in de belangrijkste muziekcentra, waaronder die in Oost-Berlijn, Leipzig en Dresden.

Berlin Classics
In 1989 moest het repressieve DDR-regiem het veld ruimen en werd Berlijn opnieuw een belangrijke broedplaats voor allerlei culturele stromingen. De stad beschikte na de ‘Wende' over maar liefst drie grote operahuizen en een groot aantal theaters, naast vele orkesten en kamermuziekensembles. Het was tevens het geboortejaar van het platenlabel Berlin Classics (de toevoeging 'Est. 1947' op de cover is in die zin misleidend) dat zich al spoedig over de catalogus van Eterna ontfermde, maar ook met nieuwe, eigen producties van start ging. Het is ditzelfde Berlin Classics dat– en voor zover ik weet voor het eerst in zowel cd-formaat als op 180 grams lp - de hierna te bespreken geremasterde opnamen onlangs op de markt heeft gebracht.

In 1990, kort na de ‘Wende', werd Deutsche Schallplatten Berlin van VEB omgedoopt tot GmbH, de voor de Bondsrepubliek geëigende rechtsvorm. Het jaar daarop werden de meeste eigendomsrechten verkocht aan andere muziekuitgevers, waaronder Bertelsmann Music Group (BMG) en Edel GmbH/Berlin Classics.
Berlin Classics is een van de vele labels die zich om het historische materiaal bekommeren. Ik noem in dit verband slechts Deutsche Grammophon (Originals), Mercury (Living Presence), RCA (Jacket Collection), Warner (Recordings of the Century), PentaTone, Audite en Decca (Legends). Toegegeven, het is aanmerkelijk goedkoper om bestaand materiaal te recyclen, maar er kan niets op tegen zijn om uit de rijke discografische geschiedenis te putten en al helemaal niet als het opnamen betreft die ooit op lp verschenen en – zoals die uit de DDR – slechts mondjesmaat in het Westen beschikbaar waren. Daar komt nog iets bij: het is ronduit schokkend om te ervaren hoe zelfs ver gevorderde muziekstudenten weinig weten over een nog niet eens zo ver achter ons liggend tijdvak. Des te belangrijker is het om over een breed front minstens te beschikken over opnamen die stammen uit lang vervlogen tijden. Al is het alleen maar vanuit een pedagogisch oogmerk. En dan ook nog in een uitstekende geluidskwaliteit, zoals blijkt uit de onlangs verschenen cd ‘Kalifornische Ballade'. Daarop ook opnamen die in de jaren dertig en zestig (toen DDR) werden gemaakt; en komen we wederom de zanger Ernst Busch tegen.

 
 
Een van de vele co-producties
 
 
En zo zag het er achter de 'Muur' uit...

Feest der herkenning
Het is best bijzonder om op de cd-hoezen namen aan te treffen uit al lang vervlogen tijden. Namen die vrijwel niemand nog uitspreekt. Zo ging het Berliner Sinfonie-orchester op in het Konzerthausorchester Berlin, het Rundfunk-Sinfonie-Orchester Leipzig werd (met het Leipziger Sinfonie-Orchester) samengevoegd tot het MDR Sinfonieorchester. De dirigenten Herbert Kegel, Franz Konwitschny en Otmar Suitner, Heinz Rögner en Günther Herbig kent nauwelijks nog iemand. Zij die regelmatig in het vrije Westen optraden, hetzij voor, hetzij na de Wende, zullen bij menigeen nog wel een feest(je) der herkenning oproepen, zoals Kurt Masur, Rudolf Kempe, Igor Marketvitch en Kurt Sanderling. De tenor Peter Schreier maakte later vooral carrière in het Westen, terwijl de hoornist Peter Damm (hij was de Oost-Duitse pendant van de Britse hoornist Barry Tuckwell) zijn bekendheid grotendeels te danken had aan het grote aantal Westerse labels (o.a. voor His Master's Voice/EMI en Philips) waarvoor hij opnamen maakte. Jürnjakob Timm, de gevierde solocellist bij het Gewandhausorchester Leipzig en lid van het Gewandhaus-Quartett, was veel minder bekend. De pianist Peter Rösel (1945, Dresden) daarentegen treedt nog steeds op.
Talloze opnamen ontstonden trouwens in nauwe samenwerking met de westerse labels EMI (Staatskapelle Dresden) en Philips (Gewandhausorchester Leipzig). Daardoor reisden ook veel artiesten uit het westen naar Oost-Duitsland. Menigeen zal zich nog de legendarische opname van de 'Vier letzte Lieder' van Richard Strauss met Jessye Norman en Kurt Masur herinneren.

De opnamen
Iedere opname is een ingewikkeld proces waarin allerlei stadia worden doorlopen (u vindt daarover het een en ander in de serie Van Opname naar Weergave). Dat we daarover zo weinig te weten komen is best jammer, maar het is nu eenmaal zo dat de bewerkingen die aan het uiteindelijke product, de cd, ten grondslag liggen slechts bij hoge uitzondering in de cd-boekjes worden gedocumenteerd ('verantwoord' is misschien een passender term). De informatie reikt veelal niet verder dan de opnamedatum en –locatie. Maar al zouden er (veel) meer gegevens beschikbaar zijn, een feit is en blijft dat de muziekconsument thuis het kant-en-klare product toch niet kan vergelijken met de klank zoals die op de moederband (master tape) eenmaal is vastgelegd. Of, zoals we tegenwoordig meestal zien, op de harde schijf of zelfs de chip. Het is zeker niet zo dat het oorspronkelijke, dat wil zeggen door de microfoons opgevangen muzieksignaal, ongeschonden of onbewerkt op de cd terechtkomt. Afgezien van onbewuste signaalaantasting (veroorzaakt door microfoons, voorversterking, bekabeling, conversie, mengtafel enz.) is er ook nog zoiets als bewuste manipulatie (filters, limiters, galmapparatuur, versterking of juist verzwakking), met als doel aanpassing van het klankbeeld en soms zelfs het perspectief. Het idee erachter is op zich strikt helder: het bieden van de muziekweergave thuis in de vorm van een gecreëerde illusie. Voor historische (analoge) opnamen geldt dat uiteraard ook, zij het dat vanaf medio jaren zeventig de digitale techniek aanzienlijk meer mogelijkheden tot nabewerking in petto heeft.

Op de voor- en achterpagina van het cd-boekje in de Berlin Classics serie is een afbeelding van de oorspronkelijke opnamegegevens afgedrukt. Niet dat er veel extra informatie uit kan worden geput, maar het suggereert wel enige authenticiteit. We komen echter niet te weten op welke bandapparatuur de moederband (in ‘real time') is afgespeeld en of er – en zo ja, welke - bewerkingen zijn uitgevoerd. 'Newly remastered to audiophile standards from the original tapes as 180g vinyl (AAA), CD and high-res audio files' zegt niets over dat bewerkingsproces.
Wel heb ik de indruk dat het klankbeeld in de bewerkingsfase her en der is aangepast, want ondanks de grote tijdspanne waarbinnen en de vele verschillende locaties waar deze opnamen zijn gemaakt, is het opvallend dat er wat dit betreft meer overeenkomsten zijn dan verschillen. Dat wordt nog opmerkelijker als we ons realiseren dat in de DDR veelal van kerken, met hun notoir 'lastige' akoestiek, als opnamelocatie gebruik werd gemaakt. Maar dan betreft het wel bewerkingen in positieve zin , want de strijkersklank heeft niet de bekende scherpte uit die dagen, terwijl het akoestisch perspectief uitstekend mag worden genoemd. Dus als er is gemanipuleerd, dan wel met een voor de luisteraar gunstige uitkomst, al is de bron dan misschien minder ‘origineel'. Treffend is ook dat deze opnamen veel beter klinken dan die van de Russische collega's uit dezelfde tijdsperiode. Sterker nog, wie bijvoorbeeld de eind jaren zeventig in de Jesus-Christus-Kirche in Berlijn-Dahlem gemaakte opnamen van de Brahms-symfonieën onder Herbig vergelijkt met die onder Karajan voor Deutsche Grammophon in dezelfde periode (zij het dat die in de akoestisch minder toegeeflijke Berlijnse Philharmonie werden vastgelegd) zal ongetwijfeld kiezen voor de eerste (die klankmatig weer sterk overeenkomt met Karajans eerste opname voor DG, begin jaren zestig, in die bekende kerk in Dahlem). Herbig presenteert ons ook een briljant gespeelde Schönberg (Fünf Orchesterstücke op. 16 en Orkestvariaties op. 31), een diep doorleefde Treurmuziek van Lutoslawski en diens zeer gedifferentieerde Livre pour orchestre. Herbig was als dirigent een groot analyticus en zijn opnamen maken dat ook op slag duidelijk.

Door de gehele Berlin Classics serie heen is kort samengevat het klankbeeld kwalitatief stabiel en daardoor geslaagd. Zelfs zo'n ‘oudje' als de Bach/Vivaldi-opnamen met vader en zoon Oistrach in onvervalst mono van de jaren vijftig klinkt nog voortreffelijk, al kon het scherpe randje niet (helemaal) worden weggepoetst. Treffend is ook dat op de cd met door Peter Schreier gezongen Mozart-aria's de violen rechts zijn gepositioneerd, met de lage strijkers links, wat op een bewerkingsfout lijkt te wijzen (ik kan me nauwelijks voorstellen dat de opnametechnicus het in 1967 verkeerd heeft gedaan). Wat niet wegneemt dat ook deze cd voortreffelijk klinkt. In het algemeen geldt dat de tijdsduur van iedere cd overeenkomt met de speelduur van de oorspronkelijke lp.

De muziek
Er is sinds de jaren zeventig in de uitvoeringspraktijk veel gebeurd. Zo zijn we sinds Harnoncourts ‘Klangrede' en niet te vergeten Frans Brüggen die in 1970 al luidkeels uitriep dat elke noot van Mozart die het Concertgebouworkest speelde, van a tot z gelogen was, als het ware overgeschakeld op een heel andere Mozart-stijl. Wat eerst nog met horten en stoten verliep, mondde uit in een zekere gewenning en misschien zelfs wel de gedachte dat het ‘zo moest en niet anders'. Terwijl er misschien over dertig jaar weer heel anders over wordt gedacht. Dat maakt de discografische geschiedenis met daarin al die verschillende speelstijlen zo interessant (het begrip ‘ouderwets' mist hier iedere relevantie). We kunnen vergelijken, tegenwoordig zelfs in een handomdraai, onze eigen voorkeuren daaruit afleiden, maar daaruit geen definitieve conclusies trekken. Het is immers die geschiedenis die ons bewust maakt van het feit dat een ‘definitieve' uitvoering niet bestaat; anders dan misschien in onze subjectieve beleving.

Het uitvoeringsniveau is zonder meer hoog, onverschillig het repertoire.
Otmar Suitners Mozart is prachtig gekarakteriseerd, met liefdevolle fraseringen (de vergelijking met Bruno Walter dringt zich op) en niet overdreven geromantiseerd.
Wie mocht denken dat Berlioz en Ravel in Oost-Duitse handen inboet aan transparantie en kleurstelling komt hier duidelijk bedrogen uit. Niet minder idiomatisch klinken Brittens Sinfonia da Requiem en Stravinsky's Vuurvogelsuite. Diep inkervend is Sjostakovitsj' Vijfde symfonie onder Kurt Sanderling. Barbara Sanderling, toentertijd contrabassist bij het Berliner Sinfonie-Orchester, overdrijft niet als zij zegt dat de Vijfde een belangrijk deel van het leven van haar man uitmaakte. De akoestiek van de Jesus-Christus-Kirche in Berlijn-Dahlem pakt ook voor dit bij vlagen zeer venijnige en luidruchtige werk goed uit, al is er wel sprake van enige compressie.
Interessant is ook Carl Orffs ‘Die Kluge', een werk dat nog slechts zelden wordt uitgevoerd. Deze toonaangevende uitvoering verschijnt niet voor het eerst op cd, maar past uitstekend in deze serie.
De speciaal aan de hoornist Peter Damm gewijde doos met zes cd's bevat deels niet bepaald alledaags repertoire en is alleen al daarom de aanschaf dubbel en dwars waard. Maar het belangrijkste is weer het hoge vertolkingsniveau en het daarmee gepaard gaande spirituele musiceren.
Niet minder boeiend is Herbigs Brahms die een geslaagde mix lijkt tussen het structurele graniet van Klemperer en de warme zomerwind van Walter. Markevitch speelt met kleuren en doet dat voortreffelijk in Moesorgski. De Grote Poort van Kiev wordt onder zijn handen een verblindende apotheose.
De drie Beethoven-sonates door Peter Rösel hebben raakvlakken met die van Wilhelm Kempff en zijn bovendien prachtig opgenomen. Hij ontpopt zich als een verbeeldingsvolle interpreet die met grote ritmische precisie Beethovens grootse architectuur ontleedt.
Peter Schreier is in deze Mozart-aria's op zijn besat en dat wil wat zeggen. Hij wordt meer dan passend begeleid door de Staatskapelle Dresden geleid door Otmar Suitner.
Evenmin een slecht woord voor Kegels interpretatie van Berlioz' best wel weerbarstige Symphonie fantastique, met veel aandacht voor het detail en zich blijkbaar als een vis in het water voelend in de ruimhartige akoestiek van de Lukaskirche in Dresden. Typisch een dirigent die de ruimte goed wist uit te buiten (zoals in de Scène aux champs!)
Herbig weet uitstekend raad met het voor Ravel vereiste Franse esprit in Moeder de Gans, maar is 'La valse' eerder strak dan wispelturig en mist de 'Boléro' een zuidelijke sfeer.
Kempe is exemplarisch in Stravinsky's Vuurvogelsuite (we horen de versie uit 1919, wat op in het boekje niet wordt aangegeven) en Brittens Sinfonia da Requiem. Er is veel panache en ritmische precisie, maar ook een indrukwekkend gevoel voor sfeer. Jammer dat de speelduur slechts 40 minuten bedraagt.
Timm is een uitmuntend cellist, zoals blijkt uit Schumanns merkwaardig gestructureerde Celloconcert en Tsjaikovski's Rococo-variaties. Kurt Masur begeleidt gloedvol en betrokken, het Gewandhausorchester is in topvorm. De beide cellosuites kregen van Timm een duidelijke romantische toets meegekregen, maar hij brengt wel smaakvolle versieringen aan.
Igor en David Oistrach hebben zich al menigmaal bewezen in Bachs Dubbelconcert BWV 1043 en doen dat ook in deze opname uit de jaren vijftig.Vivaldi's 'Concerto grosso' op. 3 nr. 8 klinkt wat zwaar aangezet, maar de bonus, Francks Vioolsonate (met Igor als de violist), maakt alles goed.
Het is goed om zes cd's te hebben van de geweldige hoornist Peter Damm die vlekkeloos over alle genres heen speelt en geen moment de suggestie wekt dat de hoorn een bijzonder weerbarstig instrument is. Bovendien waagde hij zich ook aan minder bekend tot zelfs hier vrijwel onbekend repertoire.
Als hekkensluiter dan een stevig pulserende uitvoering van Brahms' Eerste symfonie door het Gewandhausorchester Leipzig onder Franz Konwitschny. De opname dateert dan wel uit 1962, maar laat nog uitstekend horen hoezeer Konwitschny met 'zijn' Brahms vergroeid was. Met een groot gevoel voor structuur en proportie weet hij op imposante wijze deze symfonie tot leven te wekken. Het tweede deel 'kleeft' niet, maar mag zich koesteren in een fraai uitgesponnen melodische stroom. Het derde deel is precies wat het moet zijn: un poco allegretto e grazioso. In de beide hoekdelen broeit, bruist en zindert het. De triomferende slotmaten in een stralend C-groot zetten de kroon op een magnifieke interpretatie.

Slotconclusie
Wie zin heeft om zich in het musiceren uit een tamelijk ver verleden te verdiepen kan uitstekend terecht bij deze Berlin Classics serie die uitstekend is verdoekt en gedocumenteerd. Maar er is meer dan dat: er werd immers muziek gemaakt achter hermetisch gesloten grenzen, onder het voortdurend toeziend oog van een cultuurministerie dat op zijn beurt rechtstreeks werd aangestuurd door de DDR-top. Dat alleen al zet deze uitvoeringen in een afwijkend muziekhistorisch perspectief. Zoals we dat ook kennen van bijvoorbeeld de (live)opnamen die Jevgeni Mravinski tussen 1964 en 1984 maakte in Sint-Petersburg.

___________________
Orff: Die Kluge
Karl-Heinz Stryczek (koning), Reiner Süss (boer), Magdalena Falewicz (boerendochter), Horand Friedrich (cipier), Gerhard Lau (verteller), Eberhard Büchner (de man met de ezel), Winfried Wagner (verteller), Siegfried Lorenz (man met de muilezel), Arno Wyzniewski (verteller), Harald Neukirch (eerste vagebond), Wolfgang Ostberg (verteller), Wolfgang Hellmich (tweede vagebond), Reinhard Michalke (verteller), Hermann Christian Polster (derde vagebond), Werner Senftleben (verteller), Rundfunk-Sinfonie-Orchester Leipzig o.l.v. Herbert Kegel
Berlin Classics 0300748BC • 43' + 41' • (2 cd's)
Opname: 1976-1980, Paul-Gerhardt-Kirche, Leipzig

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 5 in d, op. 47
Berliner Sinfonie-Orchester o.l.v. Kurt Sanderling
Berlin Classics 0300750BC • 51' •
Opname: 1982, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

Beethoven: Pianosonate nr. 14 in cis, op. 27 nr. 2 (Mondschein) - nr. 8 in c, op. 13 (Pathétique) - nr. 23 in f, op. 57 (Appassionata)
Peter Rösel (piano)
Berlin Classics 0300752BC • 57' •
Opname: 1980 & 1982, Lukaskirche, Dresden

Mozart: Opera-aria's (uit Die Entführung aus dem Serail, Die Zauberflöte, Così fan tutte, Don Giovanni, La clemenza di Tito)
Peter Schreier (tenor), Staatskapelle Dresden o.l.v. Otmar Suitner
Berlin Classics 0300754BC • 52' •
Opname: 1967, Lukaskirche, Dresden

Bach: Dubbelconcert in d, BWV 1043
Vivaldi: Dubbelconcert in a, RV 522
Franck: Vioolsonate in A, op. 120*
David & Igor Oistrach (viool), Anton Ginsburg (piano)*, Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Franz Konwitschny
Berlin Classics 0300841BC • 60' •
Opname: 1957, Kongresshalle, Leipzig; 1958, Berlijn*

Brahms: Symfonie nr. 1 in c, op. 68
Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Franz Konwitschny
Berlin Classics 0300839BC • 48' •
Opname: 1962, Heilandskirche, Leipzig

Berlioz: Symphonie fantastique op. 14
Dresdner Philharmonie o.l.v. Herbert Kegel
Berlin Classics 0300840BC • 58' •
Opname: 1984, Lukaskirche, Dresden

Schumann: Celloconcert in a, op. 129
Tsjaikovski: Rococo-variaties op. 33
Bach: Cellosuite nr. 1 in G, BWV 1007* - nr. 2 in d, BWV 1008*
Jürnjakob Timm (cello), Gewandhausorchester o.l.v. Kurt Masur
Berlin Classics 0300842BC • 79' •
Opname: 1983, Paul-Gerhardt-Kirche, Leipzig; 1983, Lukaskirche, Dresden*

Stravinsky: Vuurvogel ( (suite, versie 1919)
Britten: Sinfonia da Requiem op. 20
Staatskapelle Dresden o.l.v. Rudolf Kempe
Berlin Classics 0300890BC • 40' •
Opname: 1976, Lukaskirche, Dresden

Mozart: Symfonie nr. 39 in Es, KV 543 - nr. 40 in g, KV 550
Staatskapelle Dresden o.l.v. Otmar Suitner
Berlin Classics 0300881BC • 50' •
Opname: 1974-1975, Lukaskirche, Dresden

Brahms: Symfonie nr. 1 in c, op. 68 - nr. 2 in D, op. 73 - nr. 3 in F, op. 90 - nr. 4 in e, op. 98
Schönberg: Fünf Orchesterstücke op. 16 - Variationen für Orchester op. 31
Lutoslawski: Musique funèbre - Livre pour orchestre
Berliner Sinfonie-Orchester o.l.v. Günther Herbig
Berlin Classics 0300911BC • 4.30' • (4 cd's)
Opname: 1978-1979 (Brahms), 1982-1983 (Schönberg), 1979-1980 (Lutoslawski), Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

Ravel: Boléro - Ma mère l'oye - Pavane pour une infante défunte - La valse
Berliner Sinfonie-Orchester o.l.v. Günther Herbig
Berlin Classics 0300880BC • 53' •
Opname: 1978, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

Moessorgski: Schilderijen van een tentoonstelling - Een nacht op de kale berg
Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Igor Markevitch
Berlin Classics 0300891BC • 43' •
Opname: 1973, Versöhnungskirche, Leipzig

Hornmusik - Peter Damm
Kurz:
Hoornconcert
Peter Damm (hoorn), Staatskapelle Dresden o.l.v. Siegried Kurz
Opname: 1974-1975, Lukaskirche, Dresden
Cilensek: Konzertstück voor hoorn in F en orkest
Peter Damm (hoorn), Dresdner Philharmonie o.l.v. Herbert Kegel
Opname: 1985, Lukaskirche, Dresden
Geissler: Sonate voor hoorn en piano
Peter Damm (hoorn), Amadeus Webersinke (piano)
Opname: 1984, Lukaskirche, Dresden
Quantz: Concert in Es voor hoorn, hobo, strijkers en basso contino
Zelenka: Caprice in F voor 2 hoorns, 2 hobo's, fagot, strijkers en b.c. ZWV 184
Heinichen: Concert in F voor 2 hoorns, 2 fluiten, 2 violen, 2 altviolen en b.c.
Telemann: Concert in D voor 2 hoorns, 2 hobo's, strijkers en b.c.
Fasch: Concert in D voor 2 hoorns, 2 hobo's, strijkers en b.c.
Peter Damm en Dieter Pansa (discanthoorn), Cappella Sagittariana o.l.v. Eduard Melkus
Opname: 1987, Lukaskirche, Dresden
Françaix: Divertimento
Saint-Saëns: Romance - Romance in F
Büsser: La chasse de Saint Hubert
Gounod: Six mélodies pour le cor à pistons
Bozza: Sur le cimes
Dukas: Villanelle
Damase: Pavane variée
Poot: Légende
Rossini: Prélude, thema met variaties
Peter Damm (hoorn), Peter Rösel (piano)
Opname: 1985, Lukaskirche, Dresden
Krebs: Wachet auf, ruft uns die Stimme - Was mein Gott will, das gescheh allzeit
Finger: Sonate in G
Homilius: Komm, heiliger Geist, Herre Gott - O heil'ger Geist, kehrt bei uns ein
Viviani: Sonate nr. 1 voor discanthoorn en orgel
Poulenc: Elégie in memoriam Dennis Brain
Krol: Missa muta. Fünf Miniaturen für Horn und Orgel op. 55
Weber: Improvisatie
Peter Damm (hoorn en discanthoorn), Hansjürgen Scholze (orgel)
Opname: 1980, Hofkirche, Dresden
Beethoven: Hoornsonate op. 17
Köhler: Hoornsonate
Reuter: Canto appassionato voor hoorn en piano
Peter Damm (hoorn), Amadeus Webersinke (piano)
Mozart: Hoornkwintet in Es, KV 407
Peter Damm (hoorn), Rudolf Ulbrich en Joachim Zindler (viool), Joachim Ulbricht (altviool), Clemens Dillner (cello)
Opname: 1968 & 1975 (Mozart), Lukaskirche, Dresden
Schumann: Konzertstück in F voor 4 hoorns en orkest op. 86
Hoornkwartet (met Peter damm) van het Gewandhausorchester Leipzig, Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Franz Konwitschny
Opname: 1961, Bethanienkirche, Leipzig
R. Strauss: Hoornconcert nr. 1 in Es - nr. 2 in Es
Peter Damm (hoorn), Staatskapelle Dresden o.l.v. Heinz Rögner|
Opname: 1970, Lukaskirche, Dresden
U. Zimmermann: Nouveaux divertissements d'après Rameau
Peter Damm (hoorn), Staatskapelle Dresden o.l.v. Udo Zimmermann
Berlin Classics 0300930BC • 6.00' • (6 cd's)
Opname: 1987, Lukaskirche, Dresden


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links