CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2020

Amsterdam Sinfonietta - Lento Religioso

Berg: Pianosonate op. 1 (arr. Wijnand van Klaveren)

Korngold: Symfonische Serenade op. 39 (Lento Religioso)

Bruckner: Strijkkwintet WAB 112 (Adagio)

Bridge: Lament for String Orchestra H 117

Lekeu: Adagio

Wagner: Tristan und Isolde (prélude, arr. Adrian Williams)

(R.) Strauss: Capriccio op. 85 (prélude)

Amsterdam Sinfonietta o.l.v. Candida Thompson (concertmeester)
Channel Classics CCS 36620 • 78' •
Opname: Stadsgehoorzaal, Leiden (2014) en Bethlehemkerk Studio 150, Amsterdam (2016, 2020)

 

Afgelopen zondag (6 september) nog in het tv-programma Podium Witteman en een paar dagen eerder de nieuwe cd op de mat: ‘Lento Religioso' van Amsterdam Sinfonietta. Hopelijk heeft u op NPO Cultura de direct daarop volgende tv-documentaire over het ensemble gezien met als kernvraag: ‘Hoe lukt het om zo goed te spelen zónder dirigent (maar wel met de zéér alerte concertmeester, Candida Thompson)? Op de snijtafel de Kamersymfonie op. 110a (een transcriptie van het door merg en been gaande Strijkkwartet nr. 8 op. 110) van Dmitri Sjostakovitsj.

Je hoeft echt niet chauvinistisch te zijn om de kwaliteiten van Amsterdam Sinfonietta op juiste waard te schatten: het fenomenale samenspel, de superieure balans in alle instrumentale geledingen, de buitengewoon fraaie strijkersklank, articulatie en fraseringen als om door een ringetje te halen en een speelvreugde waar je al die zo noodzakelijke repetitie-uren niet aan afhoort. En hoe ver gaat de met successen beladen historie niet terug: naar 1988, toen Lev Markiz als eerste artistiek leider het ensemble onder zijn hoede nam. Thompson is sinds 1995 concertmeester en vanaf 2003 de artistiek leidster (ik doe niet mee met die rare, maar helaas ingeburgerde gewoonte om dames in een beroep als heer af te schilderen; zo ervaar ik dat tenminste en bovendien is het belachelijk omdat je er vaak niet van kunt afleiden of het om een man of om een vrouw gaat).

De orkestklank kan ik dus wat het Amsterdam Sinfonietta betreft met een gerust hart een tien-met-de-griffel geven. Over de vaak door het ensemble gespeelde bewerkingen ben ik niet over de gehele linie enthousiast omdat ik nu eenmaal de voorkeur geef aan het origineel, al kan ik mij de noodzaak van dergelijke ‘uitstapjes' wel voorstellen door het beperkte repertoire voor strijkorkest. En gezegd moet worden dat die arrangementen doorgaans smaakvol en met vakmanschap gemaakt en er in veel gevallen zeker is gepoogd om zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven.

Maar toch… Zo is voor mij de bewerking van Bergs Pianosonate echt een brug te ver: er wordt een grens overgegaan die een soort waterscheiding heeft opgeleverd, hoezeer Wijnand van Klaveren ook zijn best heeft gedaan om tot een conceptueel acceptabele metamorfose (want dat is het) te komen. Echter, het origineel (slechts eendelig met een speelduur van niet meer dan zo'n twaalf minuten omdat het Berg voor een voortzetting aan goede ideeën ontbrak en zich daarover beklaagde bij zijn leraar Schönberg, maar door deze vervolgens daarover gerust werd gesteld) schurkt vanuit het principe van de atonaliteit maar ook idiomatisch tegen Schönbergs twee jaar later (1909) ontstane Drei Klavierstücke op. 11 aan, terwijl door deze bewerking voor strijkorkest - uiteraard geheel anders dan door de componist bedoeld - de sonate de contouren van de Lyrische Suite (1926) krijgt aangemeten. Waarvan Theo Verbey overigens een uitstekende en wel passende bewerking heeft gemaakt: de drie deeltjes die de componist zelf niet onder handen had genomen leverden dankzij Verbey een verklanking op die klinkt als een klok.

In het cd-boekje wordt de stelling geponeerd dat het Van Klaverens bewerking voor strijkorkest is waaruit de nauwe verwantschap zou blijken van Bergs Pianosonate met het werk van Schönberg, naast verwijzingen naar Wagners Tristan und Isolde. Maar dat is nu juist niet het geval: het is de geschiedenis niet alleen op zijn kop zetten, maar het origineel ook misvormen door het een andere lading mee te geven dan het van oorsprong heeft meegekregen. Met andere woorden: de gesuggereerde nauwe verwantschap wordt het beste aangetoond door de sonate in de oorspronkelijke vorm uit te voeren.

De verwijzing naar Tristan lijkt er evenzeer met de haren bijgesleept, zoals blijkt uit de op dit album eveneens vastgelegde bewerking van de openingsprélude uit Wagners Tristan und Isolde van de hand van Adrian Williams. Het ligt voor de hand maar dat maakt het niet minder opmerkelijk: de zo belangrijke blazers en daarmee een belangrijk deel van Wagners grandioze instrumentatiekunst worden hierin node gemist en de aldus opgeroepen sfeer is van een geheel andere orde dan die van het origineel. Hoewel ook hier - ik kan het slechts herhalen - het ensemblespel net zo onberispelijk en geëngageerd is.

Er wordt weleens opgemerkt dat het juist goed is om een bepaald werk in een andere samenstelling te horen, maar dat zou dan betekenen dat de muziekgeschiedenis op een wel heel merkwaardige manier wordt opgerekt, zo niet misvormd. Vandaag de dag schieten de bewerkingen in allerlei soorten en maten werkelijk als paddenstoelen uit de grond en dan te bedenken dat we het origineel althans in discografisch opzicht gewoon bij de hand hebben. Waarom zou bijvoorbeeld het intieme karakter van een strijkkwartet zo nodig moeten worden getransfereerd naar het op een veel groter podium gericht strijkorkest? Dat geldt zelfs voor Bruckners Strijkkwintet (2 violen, 2 alten, cello) dat het vanuit technisch oogpunt - met uitzondering van de toegevoegde contrabas - zonder wezenlijke ingrepen kan stellen om het geschikt te maken voor uitvoering door een strijkorkest. Het intieme karakter gaat dan net zo verloren als van Beethovens Strijkkwartet op. 95 (al zijn de beide hoekdelen van dit ‘Quartetto Serioso' door zowel vorm als inhoud bijna orkestraal aangelegd!) of Schuberts Der Tod und das Mädchen in Mahlers grootschalige bewerking voor strijkorkest.

Toegegeven, het is de reeds gesignaleerde beperkte reikwijdte van het repertoire dat tot dergelijke ‘kunstgrepen' aanzet, wat echter niet wegneemt dat er althans wat mij betreft best vraagtekens bij mogen worden gezet. Maar het kan niet vaak genoeg worden herhaald: aan het spel van Amsterdam Sinfonietta ligt het niet en aan de door Jared Sacks en Daniel van Aalst (zijn aandeel beperkte zich tot het Adagio van Lekeu) gemaakte opname evenmin: zelf twee verschillende locaties en ver van elkaar liggende tijdstippen hebben - met of zonder digitale kunstgrepen - de klankcohesie niet wezenlijk aangetast. Eveneens een fraaie prestatie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links