CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2018

 

Bartók: Sonate voor viool solo Sz 117

Prokofjev: Sonate voor viool solo op. 115

Ysaÿe: Sonate voor viool solo op. 27 nr. 2 - op. 27 nr. 3

Franziska Pietsch (viool)
Audite 97.758 • 65' •
Opname: juli 2018, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

   

Ik schreef het al eerder, in mijn bespreking van de beide vioolconcerten van Sergei Prokofjev: de banneling Prokofjev en de banneling Franziska Pietsch. Hun levens mogen nog zo uiteen liggen, er zijn wel degelijk parallellen aan te wijzen. Pietsch werd in 1969 geboren in Halle bij Leipzig, maar groeide op in Oost-Berlijn, onder het juk van de DDR. Haar jeugdige loopbaan laat zich gemakkelijk schetsen en verliep voor dit viooltalent tamelijk conventioneel. Ze stamde uit een muzikantenfamilie, was pas vijf toen ze haar eerst vioollessen kreeg en gaf als elfjarige al haar eerste publieke concert in de Komische Oper in Oost-Berlijn. Ze trad vervolgens vele malen met uiteenlopende Oost-Duitse orkesten op en studeerde ondertussen viool bij Werner Scholz aan het beroemde Hanns Eisler Musikhochschule. Ze werd duidelijk klaargestoomd voor een solocarrière binnen de omheining van de Deutsche Demokratische Republik. Als groot viooltalent werd ze - zoals zoveel musici, maar ook sporters - door de Partij in de watten gelegd en kon ze een beroep doen op allerlei faciliteiten die voor de gemiddelde DDR-burger niet waren weggelegd. Tot het in 1984 danig misging: haar vader vluchtte de grens over en vroeg asiel aan in de Bondsrepubliek. Wat voor de toen 14-jarige Franziska daarop volgde was uiteraard voorspelbaar: represailles links en rechts, zoals een 'modelstaat' dat als geen andere kon. Dat duurde twee jaar, tot zij in 1986 uiteindelijk toestemming kreeg om zich samen met haar moeder en zus in West-Duitsland te vestigen. Daar studeerde zij verder, eerst bij Ulf Hoelscher in Karlsruhe, vervolgens bij Jens Ellermann in Hannover en niet lang daarna aan de Juilliard School of Music bij Dorothy Delay. Dan waren er nog de masterclasses bij Wanda Wilkomirska, Zakhar Bron, Ruggiero Ricci en onze Herman Krebbers.

En Prokofjev? Hij was 26 toen hij afscheid nam van Sint-Petersburg. Hij verlangde hevig naar frisse lucht, wilde weg uit de Russische hoofdstad. Hij reisde kriskras door Rusland, nam de boot in Vladivostok naar Yokohama en stak vervolgens de Stille Oceaan over om in september 1918 in New York neer te strijken. Heimwee trok hem echter toch naar zijn vaderland. Hij leed aan die typische 'ziekte' die veel (wel of niet vrijwillige) bannelingen trof en nog steeds treft. Ook Sergei Rachmaninov leed er onder, maar anders dan Prokofjev keerde hij nooit meer terug. Prokofjev ging na vele concerterende omzwervingen in maart 1936 definitief in Moskou wonen, in mei gevolgd door zijn vrouw en de beide zoons. Ondanks de overal om zich heen grijpende terreur, de talloze ontmoedigingen en wat Stalin verder nog voor zijn onderdanen in petto had, bleef Prokofjev tot zijn dood op 5 maart 1953 (toevallig op dezelfde dag dat ook Stalin stierf) de Sovjet-Unie trouw.

Op dit nieuwe Audite-album is plaats gemaakt voor nog een banneling: Béla Bartók, die in 1940 zijn vaderland Hongarije verliet om – zoals zovelen met hem - zijn geluk in Amerika te beproeven. Ach, wat heet geluk… Hij kon er niet aarden, woonde in een appartement aan een drukke verkeersader, had geldzorgen (de oorlogstoestand in Europa verhinderde de transfer van royalty's) en stierf in 1945 onder troosteloze omstandigheden aan de gevolgen van leukemie.

Daarentegen had de Belgische violist en componist Eugène Ysaÿe niet of nauwelijks zorgen. Toen hij in 1931 in Brussel stierf, was de Duitse ‘Kristallnacht' nog betrekkelijk ver weg. Hij werd bijna 73, was goed bevriend met César Franck en kon terugzien op een zeer succesvolle carrière met daarin een groot aantal optredens in binnen- en buitenland. Ook was hij een aantal jaren primarius van het naar hem genoemde strijkkwartet. De laatste tijd ging het hem lichamelijk echter minder voor de wind, mogelijk veroorzaakt door zijn nogal uitbundige levensstijl. Hij werd geplaagd door suikerziekte en in zijn spel sterk gehinderd door een hardnekkige peesontsteking in beide handen. Toen ook nog zijn vrouw, van wie hij zielsveel hield, overleed, was zijn levenskaarsje daarna al snel opgebrand.

Wat deze drie sonates met elkaar verbindt is hun grote voorbeeld: die van Johann Sebastian Bach. Niet in strikte zin, maar naar het model, naar de vorm. De wijze ook waarop de polyfonische mogelijkheden van het instrument worden uitgebuit, de voortdurende wisseling ook tussen virtuositeit en expressieve diepang. De harmonie fungeert niet alleen als pure ondersteuning van de melodie, maar stuwt evenzeer de gevoelsuitdrukking. Het ligt voor de hand maar het is niet waar: dat je violist moet zijn om dergelijke composities te kunnen schrijven. De voorwaarde is wel dat de speltechnische en expressieve mogelijkheden van het instrument gekend moeten zijn (zo ging Brahms voor zijn vioolconcert bij de topviolist Joseph Joachim te rade).

Evenals in Prokofjevs beide vioolconcerten ligt de klemtoon bij Pietsch op een zo scherp mogelijke articulatie in combinatie met een al even scherp gestoken ritmiek. Haar spel openbaart opnieuw muziek die langs afgronden gaat: ze zoekt de expressieve grenzen ervan voortdurend op, zonder daarbij over de schreef te gaan. Het is een bijzonder mengsel van opstandigheid en melancholie dat zich openbaart, afwisselend cynisch, spottend en lyrisch, breed uitwaaierend of heel intiem. De dynamische contrasten worden stevig aangezet, maar passen als een handschoen. Dit is in mijn beleving Bartók en Prokofjev, maar ook Ysaÿe 'hautnah' (zijn sonate op. 27 nr. 3 is overigens moderner dan misschien wordt gedacht): Pietsch kruipt als het ware onder de huid van deze sonates. Bijzonder is ook dat (hoewel het een uit het ander voortvloeit) haar spel op deze manier interpretatief toegevoegde waarde krijgt: het ontglipt met gemak aan de dertien-in-een-dozijn uitvoeringen die er ook zijn.

De opname is opnieuw een schot in de roos: net voldoende galm om de viool te laten flonkeren. De locatie is er ook naar: de befaamde Jesus-Christus-Kirche in het Berlijnse Dahlem, al in gebruik vanaf het begin van de jaren zestig, toen Karajan en de Berliner er het stereotijdperk binnenstapten. Ook Pietsch' beide Prokofjev-concerten werden er opgenomen. Het zal er in juli van dit jaar behoorlijk warm zijn geweest!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links