CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2020

Il Pesarino

Barbarino: Paradisi Porte - Audi, dulcis amica mea - Regina coeli laetare - Ave Regina coelorum - Sancta Maria, dulcis et pia

Freddi: Salve Regina

Rovetta: O Maria, quam pulchra est

Rossi: Toccata settima

Monteverdi: Pianto della Madonna - Ego flos campi

(G.) Gabrieli: Canzon detta La Spirtata

Usper: Nativitas tua, Dei genitrix

Frescobaldi: Bergamasca - Toccata quarta per l'organo da sonarsi alla leuatione

Grandi: Gaudeamus omnes

Caprioli: Congratulamini mihi omnes

Grandi: Quam pulchra est

Matthias Lucht (countertenor), Jürgen Banholzer (klavecimbel en orgel)
Frabernardo FB 1909712 • 70' •
Opname: juni en november 2018, Karthuizerklooster, Mauerbach (Oostenrijk) en Domkerk, Valvasone (Italië)

   

Deze Venetiaanse motetten zijn zonder uitzondering geschreven voor de typisch falsetstem ofwel naar huidige begrippen voor de mannelijke alt in het falsetregister. Dat is niet precies hetzelfde als de countertenor, in dit geval de Duitse zanger Matthias Lucht. Het is dus niet helemaal 'volgens het boekje', maar van belang is dit verder niet.

De titel van de cd, 'Il Pesarino', verwijst naar de bijnaam van Italiaanse componist Bartolomeo Barbarino, hoewel er van de in totaal zeventien stukken niet meer dan vijf van deze Bartolomeo stammen, smaakvol over dit album verdeeld. Wat overigens niets afdoet aan het belang van deze uitgave.

Van Barbarino weten we helaas niet zoveel. Zelfs niet waar en wanneer hij werd geboren en in welk jaar hij is overleden (de meeste muziekwetenschappers zijn het er wel over eens dat zijn sterfjaar na 1640 moet zijn). Zijn bijnaam 'Il Pesarino' houdt waarschijnlijk verband met zijn - zij het korte - verblijf in Pesaro, van 1602 tot 1605, waar hij was aangesteld als organist van de plaatselijke kathedraal. Hij werkte vervolgens in Padua, waar hij in dienst was van de (ongetwijfeld welgestelde) bisschop. In 1608 vertrok hij naar Venetië en moet daar onder meer kennis hebben gemaakt met het daar heersende, zeer rijke en veelkleurige muziekleven. Dat hij er als uiterst virtuoze falsetzanger veel bewondering heeft geoogst staat wel vast, want menige tijdgenoot gaf hoog op van zijn zangkunst.

Een van hen, Thomas Coryat, schreef:

'Of the singers there were three or foure so excellent that I thinke few or none in Christendome do exell them, especially one, who had such a peerelesse and supernaturall voice for sweetnesse, that I thinke there was never a better singer in the world. I alwaies thought that he was an  Eunuch, which if he had beene, it had taken away some part of my admiration, because they do most commonly sing passing wel; but he was not, therefore it was much the more admirable'.

Maar zijn verhaal gaat nog verder:

'Againe it was the more worthy of admiration, because he was a middle-aged man, as about forty yeares old. For nature doth more commonly bestowe such a singularitie of voice upon boyes and striplings, then upon men of such yeares. Besides it was farre the more excellent, because it was nothing forced, strained, or affected, but came from him with the greatest facilitie that ever I heard. Truely I thinke that had a Nightingale beene in the same roome, and contended with him for the superioritie, something perhaps he might excell him, because God hath granted that little birde such a priviledge for the sweetnesse of his voice, as to none other: but I thinke he could not much. To conclude, I attribute so much to this rare fellow for his singing, that I thinke the country where he was borne, may be as proude for breeding so singular a person as Smyrna was of her Homer, Verona of her Catullus'.

Het staat allemaal opgetekend in 'Coryat's Crudities Hastily gobled up in five Moneths travells', gepubliceerd in Londen in 1611. Ik geef het hier in extenso weer omdat het een goed beeld schetst van Barbarino's bijzondere zangkunst.

Maar Barbarino was niet alleen een begaafde zanger, maar ook een getalenteerde componist, die in de toen gebruikelijke monodische stijl schreef, de eenstemmige zang, hetzij begeleid door uitsluitend klavecimbel of door een meer uitgebreid basso continuo. En anders dan zijn componerende tijdgenoten schreef Barbarino de instrumenten die hij als begeleiding het meest geschikt achtte, nauwkeurig voor. Het is gelukkig allemaal bewaard gebleven.

Tijdens zijn verblijf in Venetië ontstonden er ook twee goed gevulde boeken met uitsluitend motetten en bovendien in twee verschillende versies: een eenvoudige, gemakkelijk zingbare versie, en een bijzonder lastige (vooral door de vernuftig toegepaste, uitermate rijkeversieringstechniek). Het ligt uiteraard voor de hand dat hijzelf bij voorkeur uit het lastige boek zong!

Maar dit nieuwe album bevat zoals gezegd werk van meer componisten die in diezelfde periode actief waren in Venetië. Dat levert een zowel representatieve als bijzonder fraaie afspiegeling op van de componeer- en zangkunst zoals die in de zeventiende eeuw in en rond San Marco werd bedreven.

Dan nu Matthias Lucht. Ik kende hem niet, maar ik ben best wel van zijn zangkunst onder de indruk. Let wel: de eisen zijn hier bijzonder hoog om twee redenen: zoals we zagen was 'Il Pesarino' was zelf een zeer virtuoze falsetzanger en leggen de composities die uit zijn pen vloeiden - afgezien van de 'gemakkelijke' versies - daarvan getuigenis af (al moet de moeilijkheidsgraad van de overige werken zeker niet worden onderschat). Maar ook aan de expressie worden hoge eisen gesteld.

Wie de zeer expressieve zangkunst van Luchts collega Philippe Jaroussky kent zal misschien naar iets meer variëteit verlangen, maar het betreft hier wel merendeels ingetogen, sacrale aria's. Ze kunnen het stellen zonder (nog) scherper toegesneden articulatie of (nog) meer expressie (over het vibrato als puur anachronisme hoef ik het in deze context uiteraard niet te hebben). Al zijn er 'uitschieters', zoals Monteverdi's 'Pianto della Madonna', waarin Lucht expressief wel degelijk weet uit te pakken.

Dan de akoestische omgeving waarin dit recital is vastgelegd, want ook die speelt wat de perceptie van het geheel betreft eveneens een belangrijke rol. Een van de twee locaties is vertrouwd, want het label heeft daar al veel opnamen gemaakt: het klooster van de karthuizers in het tegen Wenen aanschurkende Mauerbach. De andere locatie is die van de domkerk in het Italiaanse Valvasone (met zo te horen een schitterend zestiende-eeuws, uiteraard gerestaureerd orgel). Het kan bijna niet anders dan dat de akoestiek van de beide ruimten vanuit opnametechnisch oogpunt achteraf moet zijn aangepast. Er lijkt - zij het dat het niet meer is dan fractioneel - meer ruimte gecreëerd dan ik van andere opnamen van dit label in het klooster in Mauerbach gewend ben, mogelijk om het verschil met de akoestiek van de domkerk in Valvasone 'weg te poetsen'. Als het zo is, kan het nabewerkingsproces zonder meer geslaagd worden genoemd, want deze muziek vraagt nu juist niet om een scherper gestoken focus, wat zowel betrekking heeft op de weergave van de zangstem als van het door Jürgen Banholzer in de solostukken en de begeleiding met groot gezag bespeelde klavecimbel (voor het fraaie aandeel van het orgel zijn de akoestische omstandigheden zelfs ideaal te noemen). Wie weleens een uitvoering in de Venetiaanse San Marco heeft bijgewoond herkent misschien de akoestische overeenkomsten van die kolossale ruimte met deze nieuwe opname. Niet echt terug in de tijd, want dat kan nu eenmaal niet, maar het heeft er tenminste wel de schijn van!

In plaats van de gebruikelijke toelichting (de zogenaamde liner notes) koos het label voor een denkbeeldig vraaggesprek met Bartolomeo Barbarino. Het is weer eens wat anders, met daaraan toegevoegd dat het interview gelukkig stoelt op historisch vaststaande gegevens.

Ten slotte nog een enkel woord over het klavecimbel, een door François Ciocca gebouwde replica (Riccia, 2003) van een exemplaar van Grimaldi (Messina 1697), en het orgel van de domkerk in Valvasone, rond 1533 gebouwd door Vincenzo Colombi.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links