CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2022

Bach - Cantatas for Bass

Bach: 'Ich will den Kreuzstab gerne tragen' BWV 56 - 'Ich have genu(n)g' BWV 82 - 'Der Friede sei mit dir' BWV 158 - 'Amore traditore' 203

Stephan MacLeod (bas), Emmanuel Laporte (hobo), Eva Saladin (viool), Betrand Cuiller (klavecimbel), Gli Angeli Genève o.l.v. Stephan MacLeod
Claves 50-3049 • 65' •
Opname: mei 2021, Großer Festsaal, Landgasthof Riehen (Zwitserland)

   

De Zwitserse bas en dirigent Stephen MacLeod (hij werd in 1971 in Genève geboren) kent de historiserende uitvoeringspraktijk in het genre van de vocale en instrumentale Barok op zijn duimpje en heeft dienaangaande al een groot aantal opnamen op zijn naam staan. Door de jaren heen werkte hij samen met bepaald niet de minsten, waaronder Reinhard Goebel, Sigiswald Kuijken, Gustav Leonhardt, Maasaki Suzuki en Philippe Herreweghe. Zoals hij ook menig barokensemble dirigeerde en dat nog steeds doet. Hij is bovendien oprichter en artistiek leider van het in Genève gevestigde Gli Angeli (2005) dat al jaren geleden met het Zwitserse label Claves een vruchtbare samenwerking aanging, ten bewijze waarvan ook dit nieuwe album met bascantates van Johann Sebastian Bach.

Het zal niemand en zeker geen enkele Bach-liefhebber ontgaan zijn dat Bachs cantates – en dat geldt dan met name als sprake is van ‘live' uitvoeringen (bepaald meedogenlozer dan die in de studio) – voor vocalisten en instrumentalisten bepaald geen sinecure zijn (vooral tenoren vrezen daarvan de gevolgen…). Het is dan ook steeds weer een verademing als – om het hierbij te laten - een vocale solist zich (schijnbaar) moeiteloos door zo'n partituur beweegt; in plaats van zich er doorheen te worstelen. Wat essentieel is, is een soepele stem die Bachs in onnavolgbaar raffinement gestoken frases niet alleen tot de meest welsprekende barokke retorica verheft, maar er ook nog vanuit de gegeven tekst een verbeeldingsvolle inhoud aan weet te geven. Op 16 juni, in het kader van een concertreis naar Arnstadt, mocht ik dat weer meemaken, met de Duitse bas Tobias Berndt in een ware glansrol in twee Bach-cantates: ‘Ich will den Kreuzstab gerne tragen' BWV 56 en ‘Ich habe genu(n)g' BWV 82. Een rol die op deze middag mijlenver afstond van wat ik zo vaak heb moeten meemaken: het schrikbarende getob van menige bas in dit repertoire. Dat de begeleiding door Weimar Baroque wat stijfjes klonk (Berndt paste zich er naadloos bij aan, zonder daarbij aan zijn eigen inbreng enigerlei concessie te doen!), deed aan die prestatie niets af.

Wat ook weleens gezegd mag worden is dat Bachs cantates in het algemeen in een te grote bezetting worden uitgevoerd, terwijl de muziek (zó sterk is zij!) daar echt niet om vraagt. Met minder musici ontstaat per definitie(!) bovendien meer transparantie, is de - vaak complexe - stemvoering beter te volgen en hoeft als bonus de vocalist zich niet nodeloos te forceren (wat op zich al een zegen is). Maar los daarvan, zeker in Bachs cantates voor (solo) basstem is intimiteit een factor van belang.

Wat deze uitgave betreft valt het allemaal perfect op zijn plaats, met een bescheiden gehouden strijkerskorps en koor (dubbel s-a-t-b), met het klavecimbel op expressieve solotoer in de aria's'. Kortom, McLeod zag , zo blijkt althans uit deze opname, de grote voordelen, feitelijk de noodzaak in van het musiceren op bescheiden schaal, wat zich in deze opname ook navenant uitbetaalt. Al gaat het net niet overal goed, zoals in ‘Ich will den Kreuzstab gerne tragen', waar in de aria ‘Endlich, endlich wird mein Joch' de hobopartij te ver naar achteren is geschoven; of juist de basstem teveel naar voren gehaald: het is maar hoe het al luisterend wordt geïnterpreteerd. Het heeft in ieder geval veel weg van een opnamtechnische kwestie. Waar ik dan wel gelijk aan toe kan voegen dat de basstem van MacLeod soepel en krachtig, maar ook fluwelig lyrisch uit de luidsprekers komt. Bovendien kleurt hij zijn stem als de tekst erom vraagt, zowel in de recitatieven als in de aria's. Het aandeel van koor en instrumentalisten is bovendien boven iedere kritiek verheven.

MacLeod koos voor dit album wat betreft BWV 82 voor de meest bekende versie uit 1730/31, oorspronkelijk getoonzet in e-klein voor sopraanstem, een omwerking van de eerste versie uit 1727. Die uit 1735 schreef Bach waarschijnlijk voor altus en veranderde hij de toonsoort in c-klein, ongetwijfeld met het oog op een komende uitvoering. Ten slotte is er nog de versie uit 1745/48, overeenkomend met die van 1727, maar nu bedoeld voor bas. In de (slot)aria ‘Ich freue mich auf meinen Tod', miste ik de warme klank van de oboe da caccia in (in de e-klein versie schreef Bach overigens de dwarsfluit voor). De 'gewone' (barok)hobo is hier wel op zijn plek: in de sopraanversie gaf Bach de partij gezien de hoge ligging aan de dwarsfluit.

BWV 158 wordt nogal ‘gehinderd' door wat ervan aan bronnen is overgeleverd, terwijl het evenmin duidelijk is wanneer het werk door Bach werd gecomponeerd. Dat de tekstdichter onbekend is gebleven, is dan nog het minste probleem. De belangrijkste conclusie moet zijn dat de samenstelling van de cantate uit brokstukken bestaat, delen die feitelijk niet bij elkaar horen (wat zeker niet betekent dat het een fragmentarisch geheel is geworden). Zoals er ook vraagtekens mogen worden geplaatst bij de instrumentale ‘invulling' van het geheel. Waarbij wel het besef moet doorklinken dat het in die vorm desondanks een subliem voorbeeld is van Bachs enorme scheppingskunst. Ook hier geldt dat zowel het vocale als instrumentale aandeel zeer hoge eisen stelt aan de uitvoerenden.

Maar waar het uiteindelijk om draait is dat MacLeod cum suis met dit album veel eer hebben ingelegd en aldus een niet te versmaden bijdrage hebben geleverd aan Bachs grandioze cantatekunst.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links