CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2020

Thomas Zehetmair - Sei Solo

Bach: Partita's en Sonates voor viool solo

Sonate nr. 1 in g, BWV 1001 - Partita nr. 1 in b, BWV 1002 - Sonate nr. 2 in a, BWV 1003 - Partita nr. 2 in d, BWV 1004 - Sonate nr. 3 in C, BWV 1005 - Partita nr. 3 in E, BWV 1006

Thomas Zehetmair (viool)
ECM New Series 2551/52 4818 8558 • 60' + 67' • (2 cd's)
Opname: augustus 2016, Propstei St. Gerold (D)

   

Gidon Kremer had het niet treffender kunnen uitdrukken:

'De partituren van de drie sonates en de drie partita's kennen zoveel betekenissen dat verteller noch vertolker tegen deze veelvoud opgewassen is. We kunnen slechts wegwijzer zijn in het rijk van de infinita. Eenieder die meent ze begrepen te hebben, begaat of creëert een vergissing. De muziek van Bach bevat namelijk al alles. Een langzaam deel kan een gebed zijn, een gesprek met God of met zichzelf, met een denkbeeldige partner, een biecht, een poging om in de stilte, in de fantasie de zin van alles te ontdekken. Een snel deel kan met al zijn vitaliteit ook een mathematische, speelse hoge vlucht nemen, waarbij de proporties, de omspelingen van symmetrie en asymmetrie adembenemend zijn.'

Het door Maria Magdalena in haar keurige handschrift aan ons overgeleverde notenbeeld laat, wat de noten betreft, geen enkele reden tot twijfel (u kunt er op de website van Petrucci zelf kennis van nemen). Zelfs de fraseringsbogen (en dat zijn er vele!) en de tempoaanduidingen (een uitzondering daargelaten) ontbreken niet. Maar verder is het aan de solist om zelf in te vullen wat ontbreekt: ornamentatie en dynamiek. Een puur gevoelsmatige, maar zeker ook intuïtieve kwestie, als we even afzien van de bewaard gebleven theoretische geschriften omtrent de achttiende-eeuwse uitvoeringspraktijk.

Ondanks die beperkingen (als het tenminste zo wordt ervaren!) zijn het toch deze partita's en sonates die in theorie de musicus en daarmee de toehoorder het dichtst bij Bach kunnen brengen. Immers, het 'werktuig', de viool, is sindsdien niet echt wezenlijk veranderd. Wie mocht twijfelen: er zijn meer dan voldoende instrumenten uit die periode bewaard zijn gebleven. We kunnen bij wijze van spreken zelfs een van Bachs eigen instrumenten uit de glazen kast nemen en daarop deze partita's en sonates spelen. Wat dit betreft heeft de violist het gemakkelijker dan de pianist die de stap moet maken van klavecimbel naar piano en die er overigens volkomen verkeerd aan zou doen als hij de waterscheiding tussen beide volkomen anders geaarde instrumenten wil overbruggen.

Hoe deze partita's en sonates in Bachs tijd hebben geklonken weten we uiteraard niet. Er was in die tijd sowieso geen kinhouder of schoudersteun, attributen waar Zehetmair bewust van heeft afgezien om de afstand tussen lichaam en instrument zo gering mogelijk te maken (dat is niet alleen voor het gehoor, maar ook voor de door het lichaam ervaren vibraties van betekenis).

Wat het instrumentarium betreft koos Zehetmair voor twee verschillende violen: voor de partita's een instrument uit 1685 van een onbekende Tiroolse bouwer, voor de sonates zijn eigen instrument, rond 1750 vervaardigd door Joannes Udalricus Eberle. De klankverschillen tussen de beide violen zijn - het ligt voor de hand - zijn niet alleen voor de echt oplettende luisteraar waarneembaar (wat overigens bij werken als deze wel mag worden verwacht: dat is bepaald geen achtergrondmuziek). Dan zijn er nog de door Zehetmair gehanteerde strijkstokken: weliswaar niet origineel, vervaardigd naar modellen van Tilman Muthesius en Gerhard Landwehr, beide van rond 1720, maar dankzij de overgeleverde tekeningen en het toen gebruikte materiaal zullen deze kopieën niet echt afwijken van het origineel. Beide strijkstokken zijn qua lengte en gewicht wel sterk van elkaar verschillend.

Wat ten slotte nog een belangrijke rol speelt is de samenhang tussen de verschillende componenten. Fijnzinnigheid begint bij het instrument, zet zich vervolgens voort in de handen van de violist, komt in de akoestische omgeving tot klinken en wordt door de microfoons opgevangen. Een proces waarbij het een niet kan worden losgezien van het ander. Het spreekt vanzelf, maar wordt daardoor nogal eens over het hoofd gezien.

Zehetmair is gepokt en gemazeld in het barokrepertoire. Zijn ervaringen met de barokviool en de verschillende strijkstokken gaat al terug naar zijn jonge jaren, toen hij was verbonden aan het door Nikolaus Harnoncourt geleide Concentus Musicus Wien, waar hij de lessenaar deelde met Alice Harnoncourt, de echtgenote van de dirigent. Het was ook Harnoncourt, van huis uit cellist en gambist, die in die tijd Zehetmair de fijne kneepjes bijbracht van de Bach-interpretatie in het algemeen en van deze partita's en sonates in het bijzonder. Die 'leerschool' draagt de violist nog steeds op het hart.

Ook al weten we niet precies hoe het in Bachs tijd heeft geklonken, het streven naar een zo authentiek mogelijke uitvoering wordt daardoor niet minder relevant. En omdat iedere rechtgeaarde musicus daaraan vanuit zijn eigen kennis en ervaring invulling geeft, betekent dit in de praktijk dat geen enkele uitvoering hetzelfde is. Echte kunst moet het sowieso niet van nabootsen, epigonisme hebben. Terwijl er maar weinig kunstenaars zullen zijn die steeds opnieuw hetzelfde riedeltje willen afspelen; al gaat het dan vaak om de nuance (waar niet iedereen een 'gevoelig' oor voor heeft).

Dit is Zehetmairs tweede opname (de eerste kwam in 1982 tot stand, toen voor het Teldec-label, waarmee ook Concentus Musicus Wien was verbonden). Wat blijkt? Die 'oude' opname wijkt althans in technisch opzicht nauwelijks af van de nieuwe. En dan te bedenken dat er sindsdien maar liefst 34 jaar zijn verlopen! Toen, in 1982, op een geheel ander instrument, blijkt de invloed van zijn 'mentor' Harnoncourt net zo treffend als vandaag de dag, zoals die zich uit in de fraseringen, het afzien van het traditionele, in de negentiende eeuw in zwang gekomen vibrato, de verhoudingsgewijs snelle tempi, de scherp geprofileerde ritmiek en de dynamische contrastwerking. Maar er is wel een belangrijke dimensie bijgekomen: de interpretatie is duidelijk gegroeid, het melodische en harmonische element heeft (nog) rijkere contouren gekregen, terwijl in sommige dansvormen (denk aan de Allemande en de Courante) het tempo ondergeschikt is gemaakt aan (uiteraard subjectieve) expressie. Interessant is ook het slotdeel van BWV 1004, de beroemde Chaconne, waarin Zehetmair articulatie en dynamiek vergeleken met de opname uit 1982 een (nog) grotere intensiteit heeft weten mee te geven. Dat werkt overigens niet altijd positief uit: de accentuering van bepaalde noten maakt soms (het blijft gelukkig beperkt) een nogal overdreven indruk (zoals in het openingsdeel van BWV 1006), alsof er teveel druk op is gezet, alsof Zehetmair het bijna provocerende karakter van sommige passages nog eens extra wilde benadrukken.

Het is altijd weer een belangrijke aspect: articulatie en tempo in relatie tot de (gegeven) akoestiek. De praktijk heef bewezen dat waar het de partita's en sonates betreft een (zij het niet al te galmende) kerkakoestiek de voorkeur verdient. Soms was dat even wennen (er kon wat dit betreft werkelijk geen groter verschil zijn dan tussen de RCA-opname van Jascha Heifetz en de Philips-opname van Viktoria Mullova, om slechts twee uitersten te noemen!), maar de daarvoor vereiste evenwichtskunst betaalde zich wel uit in de vorm van een warme viooltoon die gepaard gaat aan een zich strikt helder ontplooiende stemvoering. In dit opzicht is de akoestiek van Propstei St. Gerold voor dit werk wel zo ongeveer de ideale ruimte, al zal 'Tonmeisterin' Hannelore Guittet er ongetwijfeld alles aan hebben gedaan om het klankbeeld ook zo gunstig mogelijk uit de luidsprekers te laten komen. Ze blijkt overigens ook een uitstekende fotografe, zoals de door haar gemaakte portretfoto van Zehetmair, afgedrukt op pagina 7 van het boekje, aantoont.

Maar het meest wezenlijke is uiteraard Zehetmairs interpretatie, die afgezien van enige kleinigheden als monumentaal mag worden beschouwd. Een interpretatie ook waarin laag na laag met groot structureel inzicht voor de toehoorder wordt afgepeld of juist samengesmeed. Waarin een waaier van klankkleuren geheel ten dienste is gesteld van de muzikale expressie en waarin de 'Empfindung' diep is geworteld. Er is voortdurend dat eigen stempel op deze muziek, waardoor het aantrekkelijk blijft om er herhaaldelijk naar terug te keren. Of anders gezegd: dit zijn geen vertolkingen die snel zullen gaan vervelen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links