Boeken

 over componisten

 

© Emanuel Overbeeke, februari 2024

 

Julian Rushton: Berlioz: Symphonie Fantastique

Cambridge University Press (2023)
ISBN 978-1-009-07488-9
143 blz., paperback

 

 

 

 

 

 

Arnold Whittall: Schoenberg: ‘Night Music' – Verklärte Nacht and Erwartung

Cambridge University Press (2023)
ISBN 978-1-009-07736-1
120 blz., paperback


Cambridge University Press presenteerde onlangs de eerste delen van een nieuwe serie: New Cambridge Music Handbooks. 'New' is een verwijzing naar een eerdere serie uit de jaren tachtig en negentig (Cambridge Music Handbooks), waarin gecanoniseerde composities uit de westerse klassieke muziek werden beschreven. De omvang per deel was gemiddeld 100 tot 120 pagina's en de opzet telkens driedelig: de context en de ontstaansgeschiedenis, een globale en tegelijk minutieuze analyse waarin jargon niet werd geschuwd, plus een beschouwing over de receptie. De delen bevatten geen illustraties, wel voetnoten, muziekvoorbeelden en een literatuurlijst en alle delen waren geschreven door internationaal erkende specialisten inzake het onderwerp. Die kwaliteiten hebben ook de twee delen uit de nieuwe reeks (en ik vermoed ook de tot nu toe verschenen vier die ik nog niet ken). Op twee punten is de nieuwe reeks anders – en beide zijn een reactie op ontwikkelingen binnen en buiten de wetenschap sinds de jaren tachtig en negentig. Het eerste is de verbreding van de canon, getuige aangekondigde delen gewijd aan Clara Schumann en Louise Farrenc. Het tweede is de grotere aandacht voor de hermeneutiek, zeer kort door de bocht samengevat de duiding en betekenis van muziek, bij voorkeur in de context van de maker en zijn of haar omgeving. Die tweede verschuiving is zichtbaar in de behandeling van de besproken composities. De auteurs zijn veteranen op hun terrein: inmiddels in de tachtig, oud genoeg om opgegroeid en werkzaam te zijn in oude wetenschappelijke praktijken, jong genoeg om open te staan voor nieuwe ontwikkelingen en diplomatiek genoeg om te weten hoe men oude en nieuwe methodes kan combineren. Wat het genot verder vergroot is de briljante stijl waarin ernst en humor, nuance en grote lijn, detail en globaal overzicht, visie en feitenkennis elkaar stimuleren.

Julian Rushton publiceerde eerder uitvoerig over Berlioz en weet het hoofdonderwerp van het boekje uitstekend te plaatsen in de context van de biografie en de cultuur. Net als Whittall beheerst hij de balans tussen invloed en verwerking en haalt hij er alles bij terwijl hij het betoog perfect organiseert. Jargon wordt niet geschuwd, maar de verbale ondersteuning plus de muziekvoorbeelden maken voor leken veel goed. Ook al is het boekje primair een handboek, de verderstrekkende conclusies liggen voor het oprapen. Berlioz was ondanks zijn wortels en zijn besef van afkomst een Einzelgänger die respect afdwong door de ongekende kwaliteit van zijn werk, terwijl zijn destijds veel bekendere tijdgenoten nu vrijwel vergeten zijn. Hadden zijn tijdgenoten aanvankelijk moeite met zijn werk omdat Berlioz absoluut geen hokjesman was, nu klinkt zijn muziek vertrouwd maar nog steeds avontuurlijk. Rushton maakt geen geheim van de beslissende rol in dit proces van kwaliteit, ondanks het feit dat wetenschappers (en - kan men eraan toevoegen – ook mensen buiten de kunst en de wetenschap) om begrijpelijke redenen moeite hebben met dit fenomeen. Het boekje oogt als een compacte improvisatie, mogelijk wanneer iemand zijn stof door en door kent en weet hoe men die boeiend moet brengen. De structuur van het boek wordt in zekere zin de pendant van de structuur van de muziek. Geen wonder dat Rushton in zijn publicaties over Mozart (ook zeer aanbevolen) de speels en welluidend gebracht ambivalentie van Mozarts werk perfect kan benadrukken.

Wie Whittall en Rushton vlak na elkaar leest, ziet vooral de overeenkomsten. Dat zal ook wel liggen aan het format van de serie opgelegd door de uitgever, maar als lokkertjes voor de reeks had de uitgever geen betere auteurs kunnen bedenken. Whittall is een van de grootste experts inzake twintigste-eeuwse muziek die in de loop der jaren zijn analytische benadering van nieuwe muziek meer en meer verenigde met een scherp oog voor het programma in de muziek. In zijn boek bespreekt hij vooral twee composities van Schönberg (Verklärte Nacht en Erwartung) vanuit het perspectief van de nacht: zowel de donkere zijde van het leven als een machtige bron van inspiratie. Het eerste hoofdstuk, waarin hij filosofen laat langskomen die nadachten over de nacht en die van invloed op de componist kunnen zijn geweest, is het taaiste deel van het boek (Whittall is duidelijk beter in beschrijvingen van muziek dan van de culturele context). Maar als Whittall komt te spreken over Schönbergs muziek, in het bijzonder de twee genoemde werken, blijkt hoe relevant deze uitleg is. Whittall verbindt de nacht met het expressionisme, de stroming die primair emoties, soms zeer pijnlijke, voor de betrokkene en voor anderen, onverbloemd naar de oppervlakte brengt. Expressionisme is voor Whittall de fundamentele overeenkomst tussen het nog tonale Verklärte Nacht en het niet meer strikt tonale Erwartung. Die emotionele overeenkomst telt voor hem zwaarder dan de gedeeltelijk nieuwe muzikale middelen. In zijn analyse van beide werken is Whittall bondig en beperkt hij zich tot die passages waarin Schönbergs omgang met de nacht en het expressionisme voor het grijpen ligt. Ook al handelen beide composities over een onconventionele relatie tussen een man en een vrouw, Whittall laat zich niet verleiden tot psychologische ontboezemingen (ook al ligt Freud op de loer, zeker bij Erwartung) en beperkt zich tot die programmatische aspecten die hij analytisch kan onderbouwen. Daarmee blijft hij trouw aan ‘de jonge Whittall', wat mij betreft terecht. Wat de componist ook mag hebben bewogen (en de twee centrale composities lenen zich uitstekend voor een programma omdat aan beide muziekstukken een tekst ten grondslag ligt), muziek is voor Whittall primair muziek, geen illustratie van het verhaal. Het eventuele verhaal ontleent zijn kracht mede aan de muziek. Ook zonder het verhaal van het instrumentale Verklärte Nacht te kennen is het zeer intense muziek.

Net als Rushton is Whittall een uitstekende schrijver die niettegenstaande of juist dankzij zijn status als groot wetenschapper weet dat een wetenschapper mede overtuigt door zijn stijl en waarom Erwartung na meer dan honderd jaar nog steeds intrigeert en irriteert. Die combinatie is de kern van canonische werken die men niet moet behandelen als onbevlekte museumstukken die men alleen mag aanraken met een stofdoek maar als een permanente bron van inspiratie. Het laatste hoofdstuk in het boek van Rushton is gewijd aan componisten die zich door Berlioz lieten inspireren. De inspiratie is onmiskenbaar, maar hun werk heeft, zeker voor hedendaagse begrippen (sommige tijdgenoten dachten er anders over), te weinig fascinerend ongemak om nu nog echt te kunnen boeien. Die fascinatie voor onderwerpen met deze karakterstructuur leest men bij Rushton en Whittall op elke pagina. Whittalls andere grote onderwerp is niet toevallig Richard Wagner...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links