Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, januari 2020

 

Willem Pijper: In het licht van de eeuwigheid - Een leven in brieven 1917-1947

Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Arthur van Dijk

Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Privé-domein nr. 305 (2019)
ISBN 978-90-295-00548
607 blz., paperback, met afbeeldingen, inleiding, annotaties, notenapparaat en register
Verkoopprijs € 29,99

www.arbeiderspers.nl

http://www.willempijper.nl

Klik hier voor de recensie van Aart van der Wal


Willem Pijper (1894-1947) gold tussen 1920 en 1970 als de grootste Nederlandse componist en een van de beste muziekcritici van dat tijdvak. Zijn composities en geschriften raakten daarna ten onrechte in de vergetelheid, maar zijn teksten kwamen in 2011 gelukkig opnieuw in beeld met de uitgave van Het papieren gevaar, zijn verzamelde geschriften die veel meer bieden dan alleen zijn twee bundels De quintencirkel (1929) en De stemvork (1930) die voor 1970 diverse malen werden herdrukt. Daarmee is de terechte revival gelukkig nog niet ten einde. Zeker twee mensen waagden zich aan een biografie (Wim Kloppenburg van wie postuum een kort en nogal onsamenhangend boekje verscheen, en Harrison Ryker die al zeker twintig jaar bezig is en in aanloop daartoe enkele zeer boeiende artikelen schreef). Waarom er nog geen lijvige volwaardige biografie is die leven en werk aaneensmeedt, zoals Taruskin dat deed met Stravinsky, Frigyesi met Bartók en Tyrrell over Janácek, wordt enigszins begrijpelijk als men Pijpers brieven leest, onlangs uitgegeven onder de titel In het licht van de eeuwigheid, Een leven in brieven 1917-1947, in de reeks privé-domein en, net als Het papieren gevaar, verzameld en uitstekend geannoteerd door neerlandicus Arthur van Dijk. Wie ze leest in de hoop de componist als vakman beter te leren kennen, wordt ogenschijnlijk teleurgesteld. Een brief was voor Pijper absoluut geen programmatoelichting of esthetische geloofsbelijdenis. Zelfs in brieven aan collega's als componisten, critici en musici (Pijper behoorde tot alle drie) zal men vrijwel niets lezen over vorm, melodie, harmonie en instrumentatie. Zijn uitstekende hoofdstuk voor de Algemeene Muziekgeschiedenis onder redactie van Albert Smijers over de muziek sinds Debussy noemde hij in een brief dat ‘musicologische nonsenswerkje' en Eduard Reeser, volgens velen een van de belangrijkste Nederlandse musicologen van de 20ste eeuw noemde hij een amateur. ‘Hij weet wellicht iets van de eerste beginselen der musicologie, maar niet van de muziek. Dit is weer zo iemand die een crescendoteken dat Diepenbrock in de haast tussen twee systemen in zette, in de gedrukte partituur net bij het verkeerde instrument zou posteren.' Die uithaal, zoals gewoonlijk bij Pijper zelden of niet onderbouwd, zegt alles en niets over zijn visie op muziek.

De overeenkomst tussen de brieven en de composities zit in het gevoel voor magie, timing en verrassing, vooral in de jaren twintig. Zoals hij in zijn brieven schijnbaar onverwacht overstapt van het ene naar het andere perspectief, zo zijn de onklassieke structuren van zijn composities van de jaren twintig toonbeelden van quasi-improvisaties en intuïtief gestuurde betogen. Herhalingen zijn in principe afwezig, uitwerkingen in wezen afzwakkingen want het beste betoog is geen redelijk doordachte stelling maar de moordaanslag met voorbedachten rade. Over de middelen zoals crescendotekens en zinsbouw, waarover musicologen en literatuurwetenschappers ons alles kunnen vertellen, bij hem dan ook geen woord. Zijn Derde symfonie (een van zijn beste werken) noemde hij heel goed omdat er geen overbodigheden in staan, over het Pianoconcert wilde hij bij uitzondering kwijt dat de vorm zeer uitzonderlijk is. Muziek moest hem pakken en zijn muziek moest een ander pakken. De enige opname die bestaat van Pijper als musicus (hij dirigeerde in 1937 zijn toneelmuziek bij Vondels Faëton voor 78-toeren platen) kenmerkt zich door slankheid en magie. De kracht van muziek zat voor hem in het niet-verbaliseerbare en die kracht kon men in taal nog het beste benaderen met stijl. Regelmatig viel hij mensen, ook de meest gerenommeerde literaire critici, aan op hun taalgebruik. Schreef hij een toelichting bij zijn eigen werk, dan schreef hij exclusief analytisch. De man die volgens Vestdijk schreef als een literator wist wanneer hij moest zwijgen; clichés inzake expressie waren hooguit voorwerp van spot. Van lyrische Tachtigerstaal moest hij niets hebben.

Zijn onberispelijke structuurzin en feilloze neus voor proporties en inbraak, die ook zijn composities uit de jaren twintig ijzersterk maken, werken in de brieven het beste als hij tekeer wil gaan tegen anderen. Dat doet hij in vrijwel elke zin, zeker nadat hij rond 1918 naam had verworven met zijn Franse gekleurde esthetiek. Hij had weinig last van tact, respect en bescheidenheid en meende zich alles te kunnen veroorloven wanneer hij dacht gelijk te hebben. Die persoonlijkheid wordt al aangekondigd in de uitstekende inleiding van Arthur van Dijk waarin hij onder meer Pijpers vriend Jaap Hessing citeert. ‘Het is zeer moeilijk een karakterbeschrijving te geven van een zo gecompliceerd en daarbij gesloten mens als Pijper was. Inderdaad hebben we samen een aantal jaren een heel genoeglijk contact gehad en bij ieder ander mens zou dit voor mij voldoende zijn geweest althans de grondlijnen van zijn karakter te schetsen, maar in dit geval sta ik voor zoveel problemen dat ik mij er niet aan waag. Overgevoelig, delicaat en tegelijk glashard, zakelijk, egoïstisch en tevens grand seigneur, kinderlijk en tevens geraffineerd diplomatiek; elke typering kan met goede gronden worden weerlegd.' Zo de persoon, zo de brieven. Ze zijn geen betogen met een conclusie, maar caleidoscopen waarin elke zin meer of minder een wezenlijk anders beeld geeft. Bij elk onderwerp kan men elk perspectief verwachten en daarmee elke wending. Oordelen zijn zowel keihard als arbitrair.

Anders wordt het als hij over zichzelf praat en tegen geliefden die hij van zijn houding in de liefde wil overtuigen. Dan is hij de problematische figuur par excellence voor wie vrouwen even noodzakelijk als kwellend zijn. Hij was bij voorkeur polygaam ongeacht zijn burgerlijke staat en bezorgde zich daarmee een hoop moeilijkheden tegenover vrouwen die hem het liefst voor zich alleen hadden. Dan kon hij zeer lang van stof zijn. De man die op papier bij voorkeur moorddadig was met het mooiste mes dat hij kon bedenken was ook in de privésfeer in zijn omgang met zijn emoties zowel zeer primair als uiterst secundair (de Glagolitische mis van Janácek prees hij als ‘instinctmatig'). Hij had geen enkele last van preutsheid en schroom bij de beschrijving van de meest intieme gevoelens.

De brieven maken ook duidelijk waarom een goede biografie over Pijper die nog steeds niet bestaat zo'n lastige opgave is. Ook al is er inmiddels nog zoveel over Pijpers leven bekend (de annotaties van Arthur van Dijk bij de geschriften en de brieven bieden een schat aan nieuwe informatie die zowat een biografie kunnen vormen), Pijper verklaarde niet voor niets dat hij wat betreft het vak componeren meer had geleerd van Freud dan van de muziektheoreticus Riemann. De brieven staan vol met freudiaans jargon. Naar eigen zeggen was hij het meest geïnteresseerd in de duistere en dramatische kanten van een individu. Sommige complexen liet hij intact omdat ze zijn creativiteit op gang hielden. Hij verafschuwde de neoklassieke Stravinsky maar moet intelligent genoeg zijn geweest om te zien dat de Rus hetzelfde gevoel voor collage had als hijzelf. Hij bewonderde Debussy om zijn melodisch instinct, maar was geen liefhebber van een fin de siècle luxe, calme et volupté. Zijn afkeer van het Tachtigerstaalgebruik en liefde voor een zeer zakelijke presentatie gingen hand in hand met het taalgevoel en het raffinement van een dichter, ook al schreef hij proza. Hij kon niet met vrouwen en ook niet zonder. Hij kon individuen met een paar zinnen fileren maar aarzelde niet individuen alleen maar te zien als lid van een groep beladen met stereotypen. Van christenen moest de protestant van huis uit niets hebben, maar zijn zoektocht naar nieuwe vormen van zingeving, ook metafysische, was intens – in 1939 werd hij vrijmetselaar en astrologie interesseerde hem mateloos. Hij was geen vriend van het koningshuis, maar nadat hij in 1935 een lintje had gekregen, liet hij zich fotograferen met onderscheiding en was deze foto zijn favoriete portret. Hij had een scherp oog voor mensen maar leefde voor zijn zaak (goede muziek en een goed muziekleven).

Desnoods riskeerde hij de goede verhouding. Muziekpublicist Paul Sanders, met wie hij samen van 1927 tot 1933 de leiding had over het tijdschrift De Muziek (een van de beste muziektijdschriften die Nederland ooit heeft gehad) moest het ontgelden toen die begin 1936 schreef dat Pijper nog maar weinig schreef en zich ontwikkelde in neoklassieke richting. Wat betreft het eerste zou Pijper Sanders later gelijk geven, zij het niet in een brief aan Sanders, laat staan in het openbaar. Doordat Pijper sinds 1930 directeur van het Rotterdams Conservatorium was, had hij minder tijd om te componeren. Regelmatig klaagde hij over te drukke werkzaamheden. Het tweede zou Pijper in zijn brieven nooit toegeven, al spreken zijn composities duidelijke taal. De Sonate voor Twee piano's (1935) heeft nog steeds collageachtige structuren al zijn de overgangen minder abrupt en de texturen meer eenvormig. Het Vioolconcert (1939) heeft de klassieke elementen vooral in de finale in combinatie met non sequiturs, maar de toon is veel grimmiger en de lyriek prominenter. De Zes Adagio's (1939), waarschijnlijk zijn bekendste werk, zijn naar verluidt afgestemd op vrijmetselaarsrituelen en missen veel muzikale kwaliteiten die zijn werken uit de jaren twintig typeren. Ook de schrijver is na 1930 veel minder wild dan ervoor.

Bij de presentatie van het brievenboek verklaarde Arthur van Dijk dat tussen de drie verschillende perioden van Pijpers leven grote verschillen bestaan: in de eerste (tot 1925) is hij de rebel, in de derde (vanaf 1940) meer de gelouterde stoïcijn. Na lezing van de brieven vond ik het verschil tussen de jaren 1917-1925 en 1925-1940 kleiner dan ik had verwacht. De houding van briljante branie probeert hij zo lang mogelijk voort te zetten: op meer begrip voor anderen en een minder getroebleerde persoonlijkheid kon ik hem in de jaren dertig zelden betrappen. Pas in de derde fase lijkt de sereniteit de overhand te krijgen.

Na lezing van de brieven hoop ik niet alleen zeer dat een goede biografie er komt, maar ook dat de biograaf de tweespalt zo niet veelspalt in de figuur Pijper aanwendt voor een boek dat alle aspecten van zijn leven en werk royaal aan bod laat komen. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de biograaf moet, in ieder geval in zijn of haar competenties, zich kunnen meten met het onderwerp. Musicologen zijn niet altijd goede literatoren, letterkundigen meestal geen musicologen, algemene historici schijven zelden over muziek en veel muziekkenners behandelen de muziek als iets autonooms, terwijl het fascinerende van Pijper zit in de eigenzinnige wisselwerking tussen al die vaardigheden op hoog niveau. Een portret van een intrigerend leven met fascinerende muziek in een fascinerende tijd is wel het minste dat Pijper verdient, buiten natuurlijk veel meer uitvoeringen van zijn werk. Zo'n bijna homo universalis met oog voor vele wisselwerkingen vinden die dit wil is bijna net zo'n opgave als Pijpers karakter doorgronden. Dat laatste kan niet alleen niet maar hoeft ook niet. Een biograaf is geen psychiater en een ideoloog is nog geen artiest. Kunst, ook de kunst van het brieven schrijven, is een mysterie; van die waarheid is dit geweldige brievenboek een fantastische demonstratie, ook al legde Pijper iedereen nog zo onderhoudend en doordringend op zijn snijtafel.

_________________
Klik hier voor de recensie van Aart van der Wal.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links